Categoriewolk
Lamme en de blinden
Een wedstrijd met een hoge inzet
De discussie over het bestaan van de vrije wil is er een met een lange traditie. (Voor een schets van enkele aspecten van deze discussie, zie deze lezing). Steeds staan er twee kampen tegenover elkaar die vechten om een hoge inzet: het geldende wereld- en mensbeeld. Wij vragen, is de mens als individu machtig of nietig? Zijn wij door de Natuur geprogrammeerde automaten? Zijn wij door God bepaalde schepsels? Zijn wij Sociaal gedetermineerde schapen? Is het individu ondergeschikt aan de wetten van de Kosmos, aan de voorzienigheid van de Heer, aan de sociaaleconomische druk van het Collectief – of zijn wij heersers in ons eigen hoofd?
De discussie over vrije wil, de ontkenning of bevestiging van het bestaan daarvan is van belang voor het project dat ieder individu van de ontwikkeling van zichzelf maakt; meer of minder ambitieus, soms gestimuleerd of gedwongen door de omgeving.
Brein versus Psyche? …Ja hoor!
Twee wetenschappelijke stromingen staan tegenover elkaar, de klassieke psychologie en de neuropsychologie. Freud begon als hersenonderzoeker, maar omdat dit terrein zo moeilijk en ingewikkeld was, verwachtte hij hierin geen daverende successen die hem roem zouden verschaffen. Hij gooide het over een andere boeg en vond de psychoanalyse uit. De psychoanalyse heeft honderd jaar lang gefloreerd, maar is nu aan het verwelken. Misschien is het tijd om te conserveren, dan houden we nog een mooi droogboeket over. Nu het moeilijker is om voor deze behandeling vergoeding te krijgen, en onderzoek uitwijst dat de menselijke relatie tussen therapeut en patiënt de enige voorspeller voor de slaagkans van behandeling is, is het verstandig hierin de meerwaarde te zien en verworvenheden te consolideren. Want de psychotherapeut kan nog steeds emotionele, mentale en gedragsproblemen verhelpen. Blijkbaar gebeurt er iets in het brein onder invloed van de contacten met de therapeut.
Het is absurd om de termen ‘brein’ en ‘psyche’ als twee verschillende zaken tegenover elkaar te plaatsen, het ene zou materieel en het andere geestelijk zijn. Het zijn twee kanten van dezelfde medaille. Wetenschappelijke bevindingen en ontdekkingen kunnen niet zonder concepten, metaforen, beelden en verwijzingen. Niet alleen moeten subjectieve ervaringen door een wetenschappelijke methode worden geobjectiveerd, ook moeten exacte waarnemingen door conceptuele modellen worden gevangen en in een context worden geplaatst. De neuropsychologie en klassieke psychologie hebben elkaar nodig – en laten we niet vergeten dat filosofie en literatuur een belangrijk deel van de conceptuele basis vormen.
Maar neurowetenschappers en psychologen slaan elkaar liever de figuurlijke hersens in. “De vrije wil is een construct, dus bestaat ze niet!” “Misschien is het een construct, maar daarom niet minder wezenlijk of waar!” “Nietes!” “Welles!” Het is eigenlijk geen wetenschappelijke strijd, maar een strijd om een plek op het toneel. De neuro’s vinden dat de psycho’s lang genoeg op het podium hebben gestaan. Zij mochten jarenlang vertellen hoe ons hoofd in elkaar zat, maar nu zijn ze uitgeluld en zijn anderen aan de beurt. De Neuro’s hebben naar eigen zeggen veel betere kennis, veel wetenschappelijker. De tijd van de literair-intuïtieve pseudowetenschap is voorbij! (Vinden zij).
Populair hersenvoer
Nu de neuro’s eindelijk de aandacht hebben, die ze al jaren denken te verdienen, verschijnt er een massa aan populair hersenvoer. Victor Lamme heeft een schaamteloos spectaculair boek geschreven: “De vrije wil bestaat niet”. Op de voorkant prijkt een olijke optocht pinguïns en van de eerste pagina’s druipt het onder bizarre omstandigheden vergoten mensenbloed. Het grootste deel behandelt allerlei wetenschappelijke experimentjes die uitwijzen dat onze verklaringen voor gedragskeuzen veelal op fantasie berusten. De teneur is dat het handelen van mensen en de keuzes die zij maken niet vrij maar gedetermineerd zijn. Lamme heeft gevonden dat er in ons brein allerlei (onbewuste) processen gaande zijn, die met elkaar botsen en elkaar bekrachtigen, waar onze gedragingen en keuzes een slechts een gevolg van zijn. Er is geen overkoepelende instantie die een afgewogen beslissing maakt. In ons hoofd geldt niet de regel: de meeste stemmen gelden, maar zij die het hardst roepen, worden gehoord. Net als in de populaire wetenschap eigenlijk.
In een ander boek “Het slimme onbewuste” van Ap Dijksterhuis worden veel van dezelfde experimentjes genoemd en wordt daaruit ook de conclusie getrokken: er is nauwelijks verbintenis tussen bewustzijn en cognitieve controle. Een belangrijke conclusie, die voor velen een eyeopener zal zijn. Daar zou je het bij kunnen laten. Je hoeft niet vol te houden dat – omdat een statistische meerderheid beperkt bewustzijn en gebrekkig zicht op de eigen motieven en bronnen van gedragskeuzen laat zien – moet worden geconcludeerd dat de vrije wil geheel niet bestaat. Lamme zelf draagt zijn boek op aan Joke, zijn enige vrije wil. Verder laat hij geen uitzondering toe in het mens- en wereldbeeld, dat hij met ons deelt. Dat de experimentjes die hij bespreekt gaan over het uitkiezen van sokken en posters en niet over het kiezen van partners en banen, vind ik nog tot daaraan toe. Ik denk echt dat grote groepen mensen (misschien wel een krappe meerderheid) hun levensgezel, beroep, of volksvertegenwoordigers kiezen zoals zij een poster uitzoeken of een paar sokken kopen. Toch zijn er ook mensen, die op latere leeftijd besluiten medicijnen te gaan studeren en psychiater worden (McGilchrist, zie slot) of die niet voor de eerste de beste partner settelen, maar net zolang zoeken totdat hun meisje het glazen muiltje past (Lamme).
Dijksterhuis ontplooit een positieve onderneming, hij neemt het op voor ons onderbewuste – op de voorkant van zijn boek verbeeldt men het heel mooi met een half onder water genomen foto van een ijsberg. De mens heeft geen onderwatercamera om af te dalen in zijn psyche en ons bewustzijn is slechts het topje van de ijsberg van mentale processen. Dijksterhuis ontkracht de illusie van een ratio als lichtende leider van ons denken en doen. Veel processen zijn intuïtief, en dat is maar goed ook: de beste beslissingen neem je zonder er bewust over na te denken. Lamme concludeert dat we maar beter helemaal niet na kunnen denken. Van zijn betoog gaat een verlammende werking uit. Hij stelt (ook in een groepsgesprek georganiseerd door de Groene Amsterdammer): “alles wat wij doen, wordt door ons brein gedetermineerd”. Zijn ontwikkelingspsychologie stelt het nu als (t=0). Het verleden is een onveranderlijk gegeven. Wat wij doen of beslissen komt voort uit de balans die op dat moment in ons brein bestaat, waar wij verder geen invloed op hebben, een product van aanleg en historie, van nature en nurture. Iedere nieuwe ervaring die door ons handelen en onze gedragingen ontstaat, oefent weliswaar weer invloed uit op ons brein – natuurlijk is het neurologisch evenwicht wel veranderlijk – maar daarmee ontstaat alleen een nieuwe (t=0), een nieuwe interne status quo die ons in de ban heeft…
Dick Swaab zegt: “Wij zijn ons brein”. Hoe verhouden Swaab en Lamme zich tot elkaar? Beide zijn hersenonderzoekers en beide benadrukken onze genetische bepaaldheid. Swaab heeft tegen de stroom in veel betekend voor de erkenning van homoseksualiteit. Toen hij ontdekte dat een homobrein anders is dan een heterobrein en dit wereldkundig maakte, werd hij versleten voor fascist. Hij hield echter vol en nu de wereld klaar is voor dit soort inzichten, zijn velen hem dankbaar. Homo’s voelen zich begrepen en gezien, door zijn ontdekking. Maar dit terzijde. Swaab en andere neurowetenschappers met hem zeggen: het brein heeft een genetische blauwdruk met ingebouwde talenten, mogelijkheden, zwakten en risico’s. De genetische blauwdruk is het door de natuur geprogrammeerde stuk van het brein, met daarin allerlei schakels en variabelen die onder invloed van de omgeving tot wasdom of uitdrukking kunnen komen, of niet – in zieke en gezonde zin. De invloed van de omgeving is in de eerste plaats de macht van de cultuur of het collectief, we zijn immers groepsdieren. Ook de geografische, klimatologische en architectonische (stedelijk of dorps, industrieel of agrarisch) omgevingsfactoren hebben hun uitwerking op de ontwikkeling van ons brein. De discussie nature/nurture lijkt hiermee beslecht. Nature is de winnaar: wat niet in genetische aanleg aanwezig is, zal niet tot uitdrukking komen. Nurture krijgt de prijs voor de meest overtuigende bijrol, van alle externe factoren is de sociale de belangrijkste. Wel moet nurture dan in ruime zin worden opgevat, niet slechts als opvoeding, maar als het geheel van sociale invloed. Als je de twee stellingen naast elkaar zet en taalkundig beschouwt, valt op dat waar Swaab (met gevoel voor lyriek) de mens, zijn geest en zijn brein volledig laat samenvallen: Wij zijn ons brein. Lamme lijkt de mens en zijn brein naast elkaar te zetten. Volgens Lamme is er geen dirigentje dat de controle voert. Hij heeft het over ons gedrag (“alles wat wij doen”) in de lijdende vorm: het wordt gedetermineerd. Maar wie of wat is dan in hemelsnaam bij hem het “wij”? Wat overblijft is een lege huls, ternauwernood valide als rechtspersoon.
“En nu we het er toch over hebben…”
Maar Lamme heeft ook zo zijn idealen. Als wij de illusie van de vrije wil afgeschud hebben, redeneert Lamme, dan kunnen we eindelijk pragmatisch onze samenleving gaan inrichten. De populaire paralyse, die zijn boek is, voert hij naar een nogal nihilistisch slotbetoog, waarin wordt betreurd dat een onevenredig groot deel van de juridische aandacht en medische zorg, tijd en geld, gestoken worden in een hopeloze groep misdadigers: de ter beschikking gestelden. Volgens Lamme worden wij allemaal bepaald, is goed en slecht gedrag gedetermineerd. Wij zijn allemaal ontoerekeningsvatbaar, dus ook alle misdadigers. Het onderscheid tussen misdaad in een opwelling en met voorbedachten rade dient te vervallen, want momenten van reflectie zijn waardeloos. Het beste is het om onze middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten. Kijk naar het brein, analyseer de zwakten en risico’s. Ontwikkel en pas methoden toe om de zwakke plekken te stutten en de risico’s te minimaliseren. Doe dit bij iedereen, niet alleen bij de meest hopeloze gevallen – ga zelfs waar mogelijk preventief aan de slag. Ons rechtssysteem houdt erg veel rekening met zielige geschiedenissen en zwakke en gebrekkige geesten. Vrouwe Justitia zou blind moeten zijn, maar is dit niet. Er wordt door haar oneigenlijk gediscrimineerd. Impulsieve mensen worden coulanter behandeld dan bedachtzame mensen, domme mensen krijgen meer respijt dan intelligente mensen. Mensen met stoornissen of overhoop liggende levens, zij kunnen er volgens haar niets aan doen. Maar volgens Lamme kan niemand er iets aan doen. Dat is zijn ideaal. Lamme ziet dat de blinddoek van Justitia is afgezakt en knoopt hem opnieuw vast.
Ik vind het prima dat iemand vraagtekens zet bij de praktijken van collega’s. meer voorzichtigheid is geboden als men zich gaat bemoeien met een ander werkveld. Lamme bemoeit zich te pas en te onpas met de forensische psychiatrie en -psychologie. Ieder optreden van Lamme verzandt in geraaskal over de TBS. Zo begint hij een column bij de griep van een prinses, om via het veroordelen van de werkwijze van bejaardenverzorgers, te eindigen met een sneer naar het forensisch veld: “Bij het Pieter Baan centrum denken ze te weten wat iemand gaat doen op basis van diens mooie praatjes, of observaties van gedrag. Tegen dat soort psychologen zou ik willen zeggen, breid uw diagnostisch arsenaal eens uit. Meet eens wat hersenactiviteit. Of beter nog, twijfel ook eens aan uzelf!”. Degene die eens aan zichzelf en zijn bevoegdheden en kwalificaties mag gaan twijfelen, lijkt mij in de eerste plaats Lamme zelf. Lamme ziet hersenonderzoek als een doel op zich. Het enige wat je in zijn optiek verder nog nodig hebt is statistiek. In het gesprek bij de GA: “Op basis van scans is seksuele voorkeur met 95 procent nauwkeurig vast te stellen. Waarschijnlijk ook of je seksueel aangetrokken bent [sic] door kinderen, en wellicht zelfs of je daar wat mee gaat doen. Maar moeten dan alle priesters en zwemleraren onder de scanner? Dan moet degene die dat beslist wel voldoende verstand hebben van statistiek. Je kunt wel bijvoorbeeld een betere afweging maken of je iemand al dan niet op proefverlof stuurt.” Zijn beweringen berusten op waarschijnlijkheden en mogelijkheden. We mogen aannemen dat Lamme inderdaad het liefst iedereen onder de scanner legt. En een betere afweging? Beter dan wat? Zijn gesprekspartner, hoogleraar strafrecht Ybo Buruma “is het er in theorie volledig mee eens. ‘Inderdaad worden in de tbs vaak risico’s op gutfeeling ingeschat.’” Buruma is zelf geen rechter. Leest hij de adviezen van de getuigen deskundige? Hebben de heren al van gestructureerde risicotaxatie-instrumenten gehoord en van intersubjectieve beoordeling? Gutfeeling, my ass! Er wordt zonder omhaal blijk gegeven van minachting voor het werk van anderen.
Buruma vervolgt dat hij beducht is voor het volledig openzetten van de deur van hersenonderzoek voor de rechtspraak en met name van preventief ingrijpen op basis van “gelegitimeerde risicotaxaties”. Hij is dus wel van het begrip op de hoogte, misschien niet van de precieze inhoud en wetenschappelijke status. Weet Buruma eigenlijk überhaupt wel wat voor maatregel het opleggen van verpleging van overheidswege is? TBS is preventief ingrijpen. TBS wordt opgelegd wanneer ernstige delicten niet of slechts ten dele kunnen worden toegerekend. Gedwongen behandeling in een gesloten omgeving moet de risico’s voor te toekomst op herhaling beheersen. Dat is pure preventie en geen straf.
De weledelzeergeleerde heren bedoelen het allemaal best, ze hebben ideeën en idealen, maar het is allemaal zo beperkt houdbaar. Ik zie de tegenstelling tussen hen als vertegenwoordigers ongeveer zo:
Ik denk dat iemand als Buruma uitgaat van de gelijkheid van mensen en van het ideaal van de vrije wil of het recht op zelfbeschikking. Een normaal mens is vrij om goed of kwaad te doen. Iemand die kwaad doet, doet dit uit een afweging van voor- en nadelen, van risico’s en gewin. Straf is onderdeel van het spel. Iemand die niet door empathie geleid wordt, moet met nadelige gevolgen van daden worden geconfronteerd. Het construct van de vrije wil is praktisch aanvaardbaar omdat het een beloning voor het goede en constructieve vormt. Mensen kunnen zich laten voorstaan op hun goede en respectabele gedrag als een verdienste. Dit motiveert om eisen aan jezelf te stellen. Slechts bizarre en gestoorde mensen kunnen worden ontzien. Hun misdaden worden hen niet toegerekend, zij vormen de uitzondering die de regel bevestigt. (Zij wekken medelijden en zorgbehoefte). Wanneer er teveel aan preventie wordt gedaan, komt de vrije wil in het gedrang. Onnodige inperking daarvan is immoreel.
Personen als Lamme gaan uit van het ideaal van de (onvoorwaardelijke) gelijkwaardigheid van de mens. Zij die zich verheffen, doen dit niet uit vrije wil en kunnen zich er niet op laten voorstaan. Zij zijn gunstig gedetermineerd. Iedereen die de fout ingaat, is ongunstig gedetermineerd. Straf en beloning zijn dus immoreel. Het maakt niet uit of iemand volledig de weg kwijt is en tot bizarre onbegrijpelijke daden overgaat; of iemand door woede, haat en vernietigingsdrang tot moord komt; of vanuit ijskoude berekening. Het verschil tussen moord en doodslag is ideologisch bepaald. Kwade opzet, motieven gericht op meetbaar gewin wekken meer afschuw en moreel afwijzen dan een crime passionel. Dit onderscheid is emotioneel en niet wetenschappelijk. Het enige dat zou moeten tellen, is preventie. Alles wat (wetenschappelijk gemotiveerd) kan worden gedaan om mensen op het goede pad te houden, is geoorloofd. Zowel op het gebied van behandeling als van beveiliging. Wanneer straf op efficiënte wijze zorgt dat de misdadiger tot inkeer komt, is dit middel als preventiemaatregel gerechtvaardigd. Kan het goedkoper en sneller, dan moet het anders. Het is zonde om zeer veel te investeren in de meest hopeloze gevallen (TBS).
Ik hoop dat we de twee visies hierboven kunnen verenigen, beide zijn op zichzelf te eenzijdig en rigide. Beide visies hebben zo hun goede punten.
De ontmaskering
Hersenlui zeggen: we kunnen in het brein ver voordat iemand iets doet (en zich bewust wordt van een keuze) al zien wat hij gaat doen. Mensen worden volledig bepaald door de balans in hun hoofd en verzinnen pas achteraf een verklaring of reden… Als je een organisme door de lucht gooit en het halverwege de beschreven baan een bewustzijn geeft, dan zal het aangeven dat het de koers bewust gekozen heeft en er eventueel ook nog een motief bij geven. Zo is het met de mens gesteld. We worden gemakkelijk verleid en misleid, zonder dat we het doorhebben. We handelen intuïtief en praten achteraf recht wat krom is of andersom.
Lamme wil de mensheid een spiegel voorhouden, ficties ontmaskeren, ons de ogen openen… dat kan echter ook anders. Frans de Waal deelt met ons zijn biologisch perspectief. Hij doet dit uit respect voor de dierenwereld en uit zelfrespect, respect voor de eigen soort. De Waal zegt: wij houden onszelf voor de gek. Wij noemen een mooie moraal, grootmoedig gedrag en empathie menselijk. Destructie, moord, geweld en verkrachting noemen wij beestachtig. Dat is niet eerlijk. De Waal laat zien dat onze edele neigingen evengoed bij dieren veelvuldig worden teruggezien, terwijl het soms moeilijker is om onze aberraties op de natuur te herleiden. Nu Lamme. Ook hij vindt dat we ons tekort doen en voor de gek houden. Bewuste processen worden overgewaardeerd. We kloppen onszelf op de borst en spreken van verdienste, waar dit slechts gevolgen zijn van onze aanleg en historie. Ook Lamme laat zien dat er collectieve illusies door te prikken zijn. Maar waar we bij Frans de Waal iets terugkrijgen voor het opgeven van onze grootheidsideeën – een lidmaatschap van de club der primaten – biedt Lamme ons niets.
Slot: Opnieuw de vrije wil
Er zou geen wil zijn, want we zien geen aanwijsbare overkoepelende entiteit in het brein. De geest is een product van de fantasie en dan zou de gevestigde orde van klassieke psychologen plaats moeten maken voor de nieuwe generatie neuropsychologen. Materie komt in de plaats van lucht.
Zenuw is sinew is vezel. Neuron betekende in het Oudgrieks (spier)vezel. Hersens zitten in je harsens en deze beide woorden stammen van voorvaderlijke verwijzingen naar de schedel. Voor de grote Freud en nog lang daarna was deze schedel een black box. Natuurlijk zijn onderzoekers als Swaab en Lamme – die hun wetenschappelijke zaklamp in die doos steken – materialisten pur sang, dat is op zich niet zo erg. Maar als Lamme zijn bundel verplaatst, verdwijnt het zicht hier en valt er een invalshoek daar. Hij ziet een hoop, leert en begrijpt een boel, maar er ontstaat geen totaalbeeld, allen de ontkenning daarvan. Delen zijn te bevatten, maar het geheel kan niet worden overzien. Een geheel zou moeten worden geconceptualiseerd, daarvoor moet je psychologiseren en zelfs filosoferen – en dat is niets voor een materialist.
En toch hebben we een verhaal nodig. ‘Theory of mind’ is een mooi voorbeeld van een filosofisch/psychologisch construct, dat tegelijk gebaseerd is op wetenschappelijke experimenten en intuïtie. Het idee ervan is dat de mens zich onderscheidt van andere diersoorten doordat hij een verregaand vermogen heeft zich in een ander in te leven. Mensen kunnen een voorstelling maken van een bewustzijn buiten zichzelf. Lees en interpreteer deze passage maar eens: “Ik weet dat hij gelooft dat zij mij voor de gek houdt en dat ik erin trap. Hij weet namelijk niet dat ik met haar onder een hoedje speel. Het is hij die voor de gek gehouden wordt!” . U snapt dit ongetwijfeld. Kinderen ontwikkelen dit vermogen rond een jaar of 4. Autisten hebben er extreme moeite mee en ook een mensaap staat evolutionair op de drempel het vermogen te verwerven een voorstelling van de geest van de ander te maken. De mens zal zelf ook op een evolutionaire drempel staan. Misschien hebben sommigen van ons al een basaal en primitief kiempje van vrije wil, terwijl anderen zover nog niet zijn. Het is voor een genuanceerde discussie niet goed om de mensheid als homogene groep voor te stellen. Statistiek zegt iets over de norm, de modus, over het gemiddelde. Het zegt niks over de uitschieters, die ons tot voorbeeld kunnen strekken. In plaats van een discussie over het bestaan van de vrije wil zou er een discussie over de aard van de vrije wil gevoerd moeten worden. Ik noem hieronder enkele auteurs die zich voor deze discussie hebben ingezet.
Nietzsche kwam met de Wille zur Macht als bron van leven, als de levenskracht zelf. De slavenmoraal van de christencultuur haalde het krachtige individu omlaag en eiste dat het zich conformeert aan het collectief. Dat stond de individuele vrijheid in de weg. En het was aan het individu zelf om zich daarvan los te maken. Erich Fromm stelde dat wij uit angst voor eenzaamheid onszelf in de tang namen en onze individuele vrijheid vrijwillig opgaven en dat wij de confrontatie met onszelf – met onze eigen (on)vermogens tot scheppen en liefhebben – moesten aangaan.
Iemand die het als neurowetenschapper aandurft de fundamenten voor een hernieuwd mensbeeld te leggen, is Iain McGilchrist. Als literator en psychiater, vanuit een jarenlange klinische ervaring en cultureel geschoolde achtergrond, schreef hij “The Master and his emissary”. Bij het doorbladeren en lezen van Dijksterhuis’ boek moest ik vaak denken aan dit superieure werk. In plaats van de (klassiek psychologische) tegenstelling bewust – onbewust werkt hij de metafoor van de twee verschillende werelden van de linker – rechter hemisfeer uit. McGilchrist nu theoretiseert dat onze persoonlijke vrijheid verloren gaat (of dreigt te gaan) in een innerlijke strijd tussen de hemisferen, waarbij de in aanleg ondergeschikte linkerhersenhelft steeds vaker als overwinnaar uit de bus komt. Het is de linkerhelft – die wil grijpen en weten, die alleen ziet wat het al kent, alles letterlijk neemt en een absolute kijk heeft op de wereld, waarin het eigenbelang voor alles gaat – die als precisie-instrument niet meer in dienst wil staan van de rechterhelft. De rechterhelft – die gelooft, het geheel omvat, oog heeft voor nieuwe zaken, verschillende belangen afweegt, gevoel heeft voor verhoudingen en relaties, verbanden legt – wordt overmeesterd door zijn zendeling, waar een voortdurende vriendschappelijke strijd en samenwerking voor beide helften het beste was geweest (aangezien ze onder één schedeldak tot elkaar veroordeeld zijn). Links en rechts kunnen elkaar aanvullen en beconcurreren en samen boven zichzelf uitstijgen, als som meer dan de delen. Echter, door culturele evolutie mag de linkerhelft steeds verder opklimmen tot dominantie en dreigt een verlamming van de vermogens van rechts. Dit zien we terug in de belachelijke welles/nietes-discussie over het al dan niet bestaan van de vrije wil – waarbij soms de achterliggende motieven die lijken te spelen, zich richten op de macht van het spreken en gehoord worden en niet om het leveren van een constructieve bijdrage aan het discours. McGilchrist zelf zegt zich te realiseren dat zijn verhaal over de lateralisatie, over de verschillende stijlen van de linker en rechter hemisfeer de werkelijkheid simplificeert en generaliseert, zijn boek is misschien niet veel meer dan een uitgebreide metafoor. Maar aangezien het juist een van de unieke vermogens is van de rechterhelft om in beelden en analogieën te denken, zou het McGilchrist met trots vervullen als zijn werk als metafoor voortleeft
Geplaatst in Emancipatie, Filosofie, hersenwetenschap, Psychologie
Reactie op “Het dictaat van de zelfverbetering” door Frits de Lange
Een belangwekkend artikel, dat vraagt om een reactie:
“Achter de liberale flirt met de ondernemer als rolmodel, die sinds begin jaren negentig opgeld doet, ligt de oermythe van de moderne cultuur: het Zelf dat uit het Niets zichzelf tot een soeverein individu schept”. The American Dream, met andere woorden. Maar dit is een zeer 1-dimensionale opvatting van het begrip “soeverein individu”. Gaat het (bij Nietzsche) niet juist om individuele emanciaptie, om loskomen van de idealen van het collectief? Streven naar gemakkelijk meetbaar succes, uiterlijk af te lezen aan de status van een woonadres en beroep, de waarde van kleding, auto en huis, de hoogte van het loonstrookje: de koopkracht, leidt inderdaad tot een ratrace met slechts spirituele verliezers. Echter het werkelijk geëmancipeerde individu leeft volgens intrinsieke idealen.
“Doorgaans laten we onze zelfwaardering sterk afhangen van wat we in de ogen van anderen waard zijn – bang voor hun oordeel. ’Statusangst’, noemt de Britse schrijver Alain de Botton dat. Maar zelfs als ons door anderen niets dan lof toe wordt gezwaaid, dan nog zijn we ongelukkig met onszelf. Meer nog dan in de veeleisende ogen van anderen, bestaan we in de oneindig ontevreden ogen van onszelf”.We beoordelen onszelf bijna nooit direct. We zien onszelf door de ogen van anderen, hoe wij denken dat zij ons zien, hoe wij willen dat zij ons zien. Als we in staat zouden zijn om ons direct tot onszelf te verhouden, zouden we ons dan druk maken of we middelmatig waren?
“Het feit dat ieder zelf verantwoordelijk is om zichzelf tot iemand te maken die in de ogen van anderen en van zichzelf iets voorstelt, is misschien wel de depressogene factor bij uitstek”. Dat betekent niet dat het probleem erin zit dat ieder zelf zich tot iemand wil maken die iets voorstelt. Het probleem zit erin hoe er beoordeeld wordt wat men voorstelt.
“De losers zijn zij die bezwijken onder de pressie zichzelf te worden. Zij vormen het groeiende leger dat noodgedwongen een beroep doet op de geestelijke gezondheidszorg. De GGZ als de schaduweconomie van de performancecultuur”. Geeft de schrijver hier blijk van ironie of zelfs sarcasme? Het lijkt er vooral op dat de probleemgevallen die geen voldoende sociaal vangnet hebben een beroep moeten doen op de GGz. Het is niet zo dat het de schuld van de opdracht tot zelfontplooiing is dat sommigen dit niet lukt. Ieder kan dit naar eigen vermogen en aanleg doen. Steun van een sociale omgeving is daarbij onontbeerlijk. Een houding waarin het zelf tegen de omgeving wordt afgezet in een constante vergelijking en competitie is niet waar ik op doel. Een omgeving waarin ieder individu een eigen weg bewandelt met een doel dat intrinsiek gekozen is en zich toch loyaal aan anderen heeft weten te binden, geeft kracht en inspiratie. Het is geen oplossing om terug te deinzen voor de opdracht zichzelf te worden – het gaat erom dit op eigen voorwaarden en onder vrij gekozen omstandigheden te doen. Het gaat erom weerstand te bieden aan oneigenlijke verlokkingen als geld, luxe en status. Individuele emancipatie is niet afzondering, maar communicatie vanuit een eigen perspectief.
“Depressies vandaag, aldus Dehue, kun je definiëren als ’het antoniem van ondernemingslust’, het flagrante echec van persoonlijke productiviteit. Depressie is het falen van de wil, die het niet langer kan opbrengen nog te willen. Het is de pathologie van een samenleving waarin de norm niet meer door schuld en discipline, maar door eigen verantwoordelijkheid en initiatief wordt gesteld”. Prachtige zinnen, maar ik krijg niet het idee dat er kritiek uit spreekt op het ideaal van de presterende mens. Betreurt de schrijver deze verschuiving en stelt hij voor ons hier (individueel) tegen te verzetten, of beschouwt hij deze als gegeven?
De schrijver beweert: “Het moderne individu lijdt, niet aan een kwaal maar aan het leven”, maar zegt ook: “de cultuurkritiek van filosofen als Philip Rieff en Frank Furedi – dat we doetjes en watjes zijn geworden in een softe welvaartsmaatschappij, zodat we bij de minste tegenslag het leven niet meer aankunnen en neerslachtig naar de dokter gaan – is onbevredigend. De depressie kwam juist op toen de verzorgingsstaat op zijn retour ging. De samenleving wordt alleen maar harder en dwingt mensen om weerbaarder te worden. Depressie is geen aanstellerij”. Maar een maatschappij waarin de welvaart dusdanig is gestegen dat we ons niet hoeven in te spannen om te overleven, geeft ons ruim tijd om over de zin van het leven na te denken. “Lijden aan de kwaal van het leven” lijkt door de schrijver voorgesteld te worden als een algemeen lot, maar doet mij denken een persoonlijke en existentiële crisis. Misschien een decadent verschijnsel. Het lijkt mij belachelijk om te doen alsof het begrijpelijk is dat men niets heeft om voor te leven. Hoewel ik mij voor kan stellen dat er weinig over blijft, als men de opdracht jezelf te worden verwerpt.
Ik begrijp best dat depressie in een individueel geval geen aanstellerij is. Echter wanneer er inderdaad op cultureel niveau naar dit probleem gekeken wordt, lijkt een “schop onder onze hol” nog lang niet zo’n onbevredigend idee. Ik bedoel dat we bewust strenger voor onszelf mogen zijn, niet om nog harder te rennen in de ratrace, maar om onszelf regelmatig te dwingen te stoppen en te reflecteren op waar we mee bezig zijn. Ik zie een depressie als het besef dat men op een dood spoor is gekomen, waar iedere lust weer om te keren ontbreekt.
“Nietzsche riep de twintigste-eeuwer op om na de dood van God het heft van zijn bestaan in eigen hand te nemen. ’De dood van God’ stond bij hem voor de afrekening met de illusie van een morele wereldorde, waarin de zin van ons leven zou zijn voorgegeven. De zin van het leven is niet een zaak van ontdekken, maar van scheppen. Rondom het lege midden van het Niets moeten we ons heroïsch een robuuste identiteit construeren. Maar het moderne ik blijkt in werkelijkheid weinig om het lijf te hebben. Het is een kaartenhuis boven de afgrond. Weer ironie. Het is waarschijnlijk ook zo dat sommigen, vanuit een onrealistisch zelfbeeld en angst voor middelmatigheid, veel te hoog gespannen verwachtingen van zichzelf hebben, verwachtingen die zij niet waar kunnen maken. Maar betekent dit dat we ironisch moeten gaan doen over de poging het beste in jezelf boven te halen?
(De opbouw van het betoog van de schrijver vertoont overeenstemming met betogingen van hedendaagse wetenschappers die hebben gevonden dat de vrije wil niet bestaat. Alles lijkt gericht op een legitimering van een houding van laissez-faire. Hoge eisen stellen aan jezelf leidt tot teleurstelling en we hebben sowieso geen vrije wil, dus als je al iets bereikt, dan kun je daar niet trots op zijn. Zijn de betogers soms zo moe geworden van zichzelf en hun ambitie dat ze zoeken naar een uitweg?)
Mensen met een depressie ontdekken aan den lijve wat het betekent om te leven onder deze condities. Zij verdienen het niet weggezet te worden als patiënt of loser, integendeel. Het zijn gidsen in het nihilistisch universum. Het zijn zieners, die door welke reden dan ook door het flinterdunne ijs gezakt zijn waarop we allemaal schaatsen”. Het gaat mij veel te ver om depressievelingen als zieners te typeren. Alsof de anderen (als in de film “the Matrix”) zichzelf een schijnwerkelijkheid laten voorspiegelen! Alsof het belachelijk is dat je überhaupt op het ijs probeert te schaatsen! Wie zegt er dat dit ijs flinterdun is? Weten we dit doordat sommigen niet goed uitgekeken hebben en in een wak gepleurd zijn, betekent dit dat het ijs niet deugt…?
De Schrijver concludeert niet dat we in een decadente maatschappij leven. Gelukkig claimt hij wel dat het in een mensenleven moet gaan om een persoonlijk project, waarbij je jezelf ontstijgt, en om verbinding, gehechtheid aan anderen. Zo ontsnapt hij ternauwernood aan het nihilisme.
Scheppen en Liefhebben, dat waren evengoed voor Nietzsche de enige twee grootheden die er toe deden in zijn leven. Tragisch genoeg is het hem nooit gelukt een ander lief te hebben. Uiteindelijk heeft hij al zijn liefde op zichzelf geprojecteerd – wat hij wel baseerde op zijn grote zelfdiscipline en scheppende vermogen.
Geplaatst in Uncategorized
Anthony & the Johnsons, DM Stith, PJ Harvey
Het is een mooie periode voor muziekminnaars. Terwijl de namen voor de zomerfestivals langzaam bekend worden, barst het deze maand al van de meesterlijke concerten.
De aanloop voor het concert van Anthony Hegarty was vreselijk. De Brabantse sukkels van de Frits Philips zaal in Eindhoven vonden het niet nodig om bij een toegangsprijs van 70 euro stoelnummers toe te kennen. Terwijl iedere plaats in de mooie en ruime zaal een prima uitzicht en geluid bood, stonden ook wij (wisten wij veel) anderhalf – bijna twee – uur van tevoren voor de deur. We maakten het ons gemakkelijk met bier en pizza. Uiteindelijk stond er een behoorlijke massa en even dreigden ergens anders de deuren geopend te worden. Dit zou kloterig zijn, want dan stonden we helemaal niet meer vooraan.
Zodra de deuren (toch de goede) open gingen, werd het aspirant publiek psychotisch. Een meute van dolgedraaide veertigers begon te duwen en te rennen. De stresslevels piekten. Het personeel dat de kaartjes moest controleren werd onder de voet gelopen. Toen waren we in de foyer. Ik was al enigszins achterop geraakt en had mijn aanvankelijke positie verspeeld. Mijn zusjes zag ik nergens. Ik koos voor de rechter zaaldeur, waar het rustiger was. Deze werd nog dichtgehouden. Ook goed. Ik had geen haast. Mij zusjes voegden zich bij me.
Er stond daar een ventje met een kuthoofd en een stem waar je uiterst agressief van werd, te zeuren aan de kop van de jongen – hooguit 20 – die de deur dicht hield. Met geknepen stem jammerde hij dat hij de zaal wilde betreden. Hij probeerde van alles: liegen dat de deuren links al open waren, vragen hoe de jongen dan wist wanneer de deuren open konden? Hij had toch geen ‘oortje’? Jawel, hij had er zelfs twee. Het spitse antwoord was aan de zanikerd niet besteed, hij miemelde gestaag door. “Laat die jongen gewoon zijn werk doen!” baste ik, “Ben je nog nooit naar een concert geweest?”.
Toen we de zaal in konden koos ik een paar stoelen in het midden op de tweede rij. De ex van mijn zusje moest uitwijken naar achter. Hij had nog minder haast gehad en zat natuurlijk ook prima. Maar waar zat Repelsteeltje? Nog achter deze jongen. Te huilen. Waar hij mij slechts verbaal agressief gemaakt had, bleek hij tijdens het gevecht om de zitplaats gesolliciteerd te hebben naar een dreun.”Godverdomme, Godverdomme!” verbeet hij zich.
Het was echt te lelijk, groepjes werden uiteen gedreven. Het was ieder voor zich. Mensen maakten ruzie en duwden elkaar. En dat voor een concert van Anthony, de androgyne feminist, het type ‘moeder aarde’! Het voorprogramma was trouwens bijna even lelijk als het bemachtigen van een zetel. Een vrouw, overgoten met smurrie en geklonken in spiegelend metaal voerde met attributen een choreografie uit om te kosten op ambient geluiden die teneer sloegen: walging en depressie, daarvoor kun je in Eindhoven net zo goed op straat blijven. Daar hoef je geen 70 euro voor te betalen en te vechten om een plaatsje.
Natuurlijk was het concert zelf geweldig. Elke syllabe was te verstaan. De sobere versies van oude nummers klonken fris, nieuw werk kwam werkelijk tot leven. Er werden enkele onbekende nummers gespeeld (nieuwer dan nieuw?). Alleen het nummer ‘Another world’ haperde en kwam niet over. Het begon engelachtig mooi, maar wist de aandacht niet vast te houden. Dit probleem kent de sudio-opname al enigszins… live verloor Anthony volledig de draad en onderbrak zichzelf om het nummer vervolgens af te raffelen. De zanger deed dit alles echter op zeer innemende wijze. Van lieverlede ging ik zelfs zijn voorkomen mooi vinden. Wat een sympathiek en getalenteerd figuur! Bravo! Briljant!
Op de 11e vierde ik met mijn vriendin dat we elkaar 3 jaar geleden in de armen sloten om elkaar nooit meer los te laten. Dit deden we door naar het optreden van DM Stith te gaan in de Duif, een gewezen kerk in Amsterdam. DM Stith is juist als muzikant gedebuteerd, gestimuleerd door maatjes Shara Worden (My Brightest Diamond) en Sufjan Stevens. Voorheen werkte hij bij hen achter de schermen. Nu heeft hij zijn eigen band. En wederom had ik te maken met een supertalent. Stiths muziek is erg persoonlijk en zeer kunstzinnig en de teksten intrigeren. De percussie en ritmes worden gespeeld op een manier die het midden houdt tussen hoempapa en klassiek. Feit is dat ik zoiets niet eerder zag en hoorde. Met drie of meer stokken met zachte bollen trommelde de drummer op de bas, die om zijn lijf hing, kraste met zijn nagels over ander slagwerk en roffelde met vingers op bekkens. Stith bespeelde zijn gitaar en zong prachtig. Liedjes waren even strak en professioneel als op de cd, maar mooier omdat ze live en in de akoestiek van een kerk ten gehore werden gebracht. Enig minpunt was het publiek, dat nogal nerdy was. De wijven voor mij zaten tijdens een van de vele muzikale hoogtepunten zakdoekjes in hun oren te proppen, terwijl er wat betreft het volume echt helemaal niks aan de hand was! En wie hadden we daar? Dezelfde stinkende loser als bij Anthony & the Johnsons! Goed, het was toen dus hoogstwaarschijnlijk niet zijn eerste concert geweest, het publiek in de Duif leek zuiver uit muziekliefhebbers te bestaan… Ik hoop echter niet dat ik het ontevreden ventje nu vaker tegen ga komen (rilling bij de gedachte).
Twee dagen later, pakweg gister, zijn mijn meisje en ik naar PJ Harvey en John Parish in Paradiso gegaan. Ik had niet gedacht dat deze briljante vrouw evenveel kilo’s zou wegen als zij jaren oud is. (Dat is best eng op middelbare leefttijd) Haar energiepeil loog er echter niet om. Met een idioot gemaak zong zij met de meest uiteenlopende stemmen. Wat heeft deze vrouw een bereik! Wat een scala aan technieken! John Parish was mij niet zo bekend, maar ik moet concluderen dat de samenwerking tussen John en Polly Jean, het beste in haar boven haalt. De muziek was uiterst divers en verrassend. We werden getracteerd op theatraal vermaak, we werden emotioneel meegesleept, overvallen door ontzag voor eenvoud en inventiviteit, voor pure muziek en originaliteit. Het leek wel of we hier getuige waren van de enige manier waarop je muziek kan en moet maken… Wel jammer dat er vaak veel galm zat op Harveys goddelijke stem, dat heeft deze helemaal niet nodig. Hoewel er verder in de muziek meer dan genoeg dynamiek zat en ik vooral genoot van de meer rustige stukken, vond ik alles eigenlijk een tikje te hard. Ik verheug me dan ook des te meer op het solo optreden van PJ Harvey op Camp Bestival in Dorset, haar geboortestreek. En toch: de bijdrage van John Parish viel niet te onderschatten. In de toegift speelde de band nog een nummer dat hij alleen had gemaakt, waarbij hij ook zelf zong en dit was absoluut een waardig onderdeel van een meesterlijk optreden. Bravo! Bis!
Geplaatst in Kunst, Muziek, Recensie, Sociale Verhoudingen, Theater
Getagget Anthony & the Johnsons, DM Stith, P.J. Harvey
Individu Aap
In de openbare ruimte in Utrecht is een bijzonder project gestart. De individualiteit van het dier wordt gevierd door middel van een reeks portretten van apen.
Een filmpje van het AD over dit project vind je hier. In dit filmpje is een kleine rol voor mijzelf weggelegd.
http://www.ad.nl/video/3066779/Invasie_van_de_apen.html
Geplaatst in Uncategorized
Bloody Mondays & Strawberry Pies
De documentaire over verveling en (gebrek aan) levensvulling van Coco Schrijber werd afgelopen zondag in het LHC vertoond, en uitgeleid door een kort praatje met de regisseur en de verteller, John Malkovich. De documentaire maakte indruk, Mr. Malkovich deed dat niet. Wat was de toegevoegde waarde van een paar lijzige antwoorden op enkele halfzachte vragen? En wie was in godsnaam de vragensteller? …een of ander ziekelijk filmwetenschap-studentje?
Malkovich heeft zijn sporen als acteur verdiend en zichzelf bewezen. Hij is moeilijk te vergelijken met andere beroemde acteurs, omdat hij een heel eigen een zeer gelaagde stijl heeft. Daarvoor verdient hij ons respect. Voor de gelaagde stijl van zijn verschijning, van zijn kleding, verdient hij echter spot. Ik begrijp niet dat deze man zichzelf zo omlaag haalt. Een lullig capuchonvest onder een aftands colbertje en kleurloze broek met stupide omgeslagen pijpen moeten misschien duidelijk maken dat Malkovich een zeer innerlijk en inhoudelijk leven leidt… Maar welke inhoudelijke of innerlijke drijfveer hem ertoe bracht zich zo aan een obscuur kunstminnend publiekje in Utrecht te presenteren, blijft een raadsel.
Hoe dan ook: Coco Schrijber heeft de interesse van Malkovich blijkbaar weten te wekken en dat kun je eigenlijk alleen maar terecht noemen, want haar film mag er wezen. Het divers georiënteerde camerawerk intrigeert met visuele beelden die esthetisch verantwoord en voldoende verrassend zijn. De karakters en vergelijkingen ertussen zijn heel mooi gevonden. Het meisje dat werkt voor de gebaksproductie van de Hema staat in sterk contrast met de jonge moordenares die op een saaie maandag voor opschudding wilde zorgen. Deze twee vrouwen leveren de vorming van de wrang-vrolijke titel: Bloody Mondays & Strawberry Pies. Verder is er nog een vrouwelijke spionne uit WOII, op hoogbejaarde leeftijd door Schrijber opgezocht, die veel te weinig in beeld komt. Haar verhaal wordt heel even aangeraakt: zij was een mooie en verleidelijke vrouw, die in de oorlog een opwindende tijd heeft meegemaakt. Nu is zij zo oud dat ze het contact met de realiteit kwijt is geraakt, maar in welke realiteit leefde zij in haar gloriejaren eigenlijk? Jammer dat we niet meer van haar zien. Ook de eerder genoemde lusteloze moordenares krijgt weinig tijd. Zij beheerst begin en eind van de docu, maar schittert in het overgrote middendeel door afwezigheid. Veel meer aandacht gaat uit naar de kritiek op de levensvulling van asociale shoarmavretende volksjongens en de werkpaarden inclusief oogkleppen van Wallstreet. Deze totaal vervreemde stockbrokers zijn intrigerend, vooral in het contrast met de woestijngast, met zijn falend geheugen voor dag en datum. Schrijber is in dit soort contrasten op haar sterkst; de betekenis van het woord ‘stress’ voorziet zij ermee van de meest uiteenlopende dimensies.
De enige die niet direct in contrast met anderen geplaatst wordt, is de Poolse kunstenaar die ‘de tijd schildert’. Dit doet hij door al 42 jaar met zijn penseel te tellen. Hij schildert een oplopende getallenreeks. Dit karakter is interessant, maar we kijken niet naar een documentaire over hem, al dient hij misschien als personificatie van de geësthetiseerde verveling als levensvulling, die Schrijber propageert. Het zou mooier geweest zijn als dit sleutelfiguur minder duidelijk naar voren was geschoven. Het zou mooier geweest zijn als de individuele kijker (nog) meer ruimte had gekregen om een eigen koppeling tussen de beelden, eigen associaties en conclusies te maken.
Mijn conclusie: BM&SP is een film met het hoogste bestaansrecht, goed gemaakt en intrigerend verteld, met als enig mankement de scheve balans tussen de geportretteerde karakters. Sommigen hadden er zelfs helemaal uit gekund, waardoor voor anderen meer ruimte was geweest.
Interview met Coco Schrijber over haar film
Geplaatst in Recensie
De Gouden Regel
De kerstgedachte: heb jij jouw goede daad al gedaan? Zijn we allemaal uit vrije wil en met overvloedend hart op de altruïstische toer..? Het is misschien voor sommigen wat veel gevraagd. Laten we minder ambitieus zijn en in ieder geval proberen onze naasten geen kwaad te doen. (Er wordt al zoveel ruzie gemaakt rond de kerst). “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet”. Wat betekent dat voor jou? En vooral: wie is dan die ander?
Cultuurkritiek op kerstavond: een klein beetje pastorale zorg.
Nietzsche stelt dat het uitgangspunt van de gouden regel is, dat iedere slechte actie vergelding afroept. Hij vindt het niet fatsoenlijk om bang te zijn dat je van een slechte daad uiteindelijk zelf de dupe wordt. “wie een kuil graaft voor een ander…”. Nietzsche vindt het juist fatsoenlijk om onverschillig te zijn voor de gevolgen die je acties voor jezelf kunnen hebben.
De Gouden Regel is volgens Nietzsche erg geschikt om mensen van elkaar te onderscheiden. Zij die haar aanhangen zijn kuddedieren (christenen). Zij vinden namelijk dat iedereen gelijk is. Want pas dan zou de regel van toepassing zijn. Volgens Nietzsche is de gouden regel het tegenovergestelde van “Qoud licet Iovi, non licet bovi” – Wat Jupiter geoorloofd is, mag een rund nog niet. Voor de christelijke god zijn alle mensen gelijk, daarom moet je anderen goed behandelen en jezelf niets veroorloven wat anderen ook niet mogen. Nietzsche vindt dat er mensen zijn die meer in hun mars hebben, meer teweeg kunnen brengen; tot grotere daden in staat. Deze helden en halfgoden mogen door het gepeupel niet voor de voeten gelopen worden. Tegenstanders moeten doelbewust worden vertrapt, ook als regels daarbij met voeten worden getreden. We mogen niet klagen als een onschuldig ‘schaap’ daarbij onder de voet wordt gelopen (dan had het maar geen schaap moeten zijn). Het is een verfrissende kijk en er valt veel voor te zeggen.

Ik geloof echter niet dat De Gouden Regel zo normatief en nivellerend werkt als Nietzsche voorwendt. Ik denk dat iedereen De Regel subjectief toe kan passen. Dan gaat hij over consequent en niet hypocriet zijn. Een mens mag niet met twee maten meten, dient er geen dubbele moraal op na te houden en moet niet van twee walletjes willen eten. Dat is wat we ermee willen zeggen. Daarvoor hoef je jezelf niet gelijk te schakelen aan anderen. Ik verwacht van andere jongens niet dat ze mijn vriendin met rust laten: “may the best man win”. Nietzsche ziet ongetwijfeld in het gebod dat ‘gij de vrouw van uw buurman niet zult versieren ende verleiden’ een verwerpelijke bescherming van de zwakkere partij door een collectieve moraal. Ik ben het daarmee eens. Mijn toepassing van de gouden regel strekt dan ook niet zover dat ik anderen geen eerlijke competitie gun. Met open vizier een vrouw versieren, die al een partner heeft: dat kun je proberen. Het is aan haar om een keuze te maken. Voor mij houdt de gouden regel geen bescherming van zwakkeren in, maar vraagt het een individu om consequent en niet hypocriet te zijn. Iemand die het vreselijk vindt als anderen met de eigen partner flirten, moet ook zelf het flirten opgeven. Een automobilist die zich ergert aan fietsers die door rood rijden en aan bumperklevers, moet zich zelf ook aan de verkeersregels houden. Omgekeerd: ik houd mij niet aan die regels en kan het leuk vinden om te flirten, dan kan ik de mensen die zich mijn gelijken betuigen door ditzelfde gedrag te vertonen er niet om veroordelen. Maar een bewust en denkend mens gaat verder dan dat. Ik zou bijvoorbeeld zelf nooit varkens in kleine hokjes stoppen en hormonen toedienen en ze op gemene wijze castreren en slachten. Dan moet ik er ook niet aan meewerken dat dit gebeurt, door de producten die hiervan afkomstig zijn te consumeren. “Wat gij zelf niet bereid bent te doen, verlang dat ook van and’ren niet” impliceert dus de gouden regel.
Frans de Waal laat heel mooi zien dat altruïsme een op zichzelf staande eigenschap is. Angst voor vergelding is daarbij niet direct aanwezig. Apen en mensen leven in groepen. Asociaal gedrag is slecht voor het groepsbelang. Als een lid voedsel heeft gescoord, dan heeft het de eerste rechten: recht op het lekkerste stukje, maar ook recht om het te verdelen. Houdt een individu alles voor zichzelf dan zal de groep dit gedrag misschien vergelden, maar misschien ook niet. Pakt een sterker individu een ander voedsel af, dan zal de groep dit misschien vergelden, maar misschien ook niet. Eigenschappen als vrijgevigheid en bescheidenheid zullen de positie van het individu binnen de groep in ieder geval versterken. Eigenschappen als gierigheid en hebberigheid zullen de positie binnen de groep veelal verzwakken. Deze eigenschappen zijn zelfs voor het sterkste individu binnen een groep schadelijk, omdat het de macht ondermijnt. Het is dan ook onzin om te zeggen dat asociaal en immoreel gedrag natuurlijk is en dat we leren om te delen en niet te stelen. De evolutie heeft de bescheidenheid net zo goed begunstigd als de hebberigheid. Aangeboren verschillen zorgen zowel bij apen, als bij mensen voor differentiatie in rollen binnen het groepsleven. Ook bij ons zijn er sterken en zwakken; maar ook meer en minder empathische individuen. Nog steeds profiteren sommigen van anderen. “Some are more equal than others”, maar alles binnen de juiste proporties en de gemeenschap bepaalt wat een individu zich – naar gelang zijn status – kan permitteren. Nietzsche slaat de spijker op zijn kop als hij stelt dat mensen niet gelijk zijn. Hij doet de vrijgevigheid en bescheidenheid echter te kort als christelijke constructies. Ook die eigenschappen zijn evolutionair bepaald. Het is dus zo dat mogelijke vergelding een rol gespeeld heeft bij de evolutie van de neiging tot altruïsme. Het gaat echter in de praktijk binnen de groep meer om precaire machtsverhouding en loyaliteiten dan om angst voor directe vergelding. Rekening houden met anderen binnen de groep kan zich manifesteren ongeacht status. Deze neiging is intussen een op zichzelf bestaande kracht die de kwaliteit van leven en partnerkeuze beïnvloedt. Iemand kan kortom ook wel eens ‘gewoon aardig’ zijn (mits er geen sprake is van openlijke of latente rivaliteit).
De Gouden Regel eerbiedigt nog steeds de grenzen van de groep. In de natuurlijke strijd om het bestaan worden tegenstanders zoveel mogelijk uit de weg geruimd. Mensen vertonen begrijpelijkerwijs meestal slechts moreel gedrag naar groepsgenoten, maar aangeboren altruïsme kan zich ook uiten in empathie naar de ander. Zo was er eens een aap begaan met het lot van een vogel. De aap begreep dat de vogel wilde vliegen en hielp het arme beestje te herstellen, toen bleek dat het de vleugels tijdelijk niet kon gebruiken*.
Het belangrijkste van zijn kritiek op De Gouden Regel, is dat Nietzsche onderscheid maakt (niet tussen standen, rassen of volkeren) maar wel tussen kuddedieren en übermenschen. De übermensch moet strijden tegen valse profeten, apostels en ander gespuis. Strijdende partijen behoren niet tot dezelfde groep en dus is er ook geen sprake van een dubbele moraal, wanneer tegenstanders elkaar de koppen inslaan. Alleen wanneer groepsgenoten onderling elkaar erbij naaien is er sprake van verwerpelijk gedrag. Daarover zijn Nietzsche, de apen en ik het met elkaar eens. Met dank aan Frans de Waal.
Een zalig kerstfeest… Probeer de grenzen van jouw groep niet te nauw te nemen, wees eens empathisch naar een vreemdeling en weet wat je eet! (maar dit geldt eigenlijk ook voor de rest van het jaar…)
*Frans de Waal ‘De Aap in Ons’
Geplaatst in Filosofie, Politiek, Psychologie, Religie, Sociale Verhoudingen, Voeding
Fonction fatale – over vormgeving, inhoud en marketing
Wil je als ontwerper iets maken waarmee je kopers kunt verleiden of wil je iets ontwikkelen dat het leven aangenamer maakt? Zoek je aansluiting bij de smaak van een publiek of geef je richting aan de collectieve esthetiek? Wil je jezelf als maker profileren of ga je schuil achter het produkt? Soms kopen mensen iets omdat ze het nodig hebben en soms kopen ze iets omdat ze het mooi vinden. Maar wanneer vindt iemand iets mooi? ‘Mooi’ is een waarde oordeel, een oordeel over de waarde. Dit oordeel wordt zowel bij kunst als bij Design gestuurd door de reputatie die de naam van de maker heeft. Een Van Gogh is altijd kostbaar, maar sommige van zijn schilderijen zijn eigenlijk niet eens zo goed. Ook niet alle P i c a s s o ’ s zijn even geweldig.
Of je nu kunstenaar of ontwerper bent, het vestigen van je naam kan de sleutel tot succes zijn. Het publiek is altijd op zoek naar de persoon achter het werk. Het veroveren van de harten der critici kan een vruchtbare strategie zijn. De smaak van de critici en kenners is doorslaggevend: de smaak van een breder publiek volgt vaak die van de ingewijden. Als je eenmaal naam hebt gemaakt, dan ben je een stijlguru geworden. De stijlguru heeft de magische kracht om de smaak van het publiek te sturen. Ook lelijke dingen met het juiste merknaampje verkopen en bepalen de smaak en esthetische beleving van een gemeenschap.
Louis Vuittton is zo’n gevestigde naam. Dit merk maakt doorgaans gebruik van visuele smaakversterkers om de zouteloze produkten een doffe glans te verlenen, met af en toe ècht wanstaltig en afstotelijk resultaat. Allerlei Bling-Bling moet de aandacht van een nutteloos geheel afleiden. Toch wordt er ook in de ergste gevallen grof geld voor de tassen neergeteld, omdat veel mensen zich nu eenmaal gewoon laten vertellen wat ze mooi (moeten) vinden. En zo worden mensen afhankelijk van kunstmatige smaakversterkers, om nog iets te proeven. Niet alleen Bling-Bling, maar ook de merknaam zelf functioneert als een soort smaakversterker (E-621). Als je het er maar flink aan toevoegt en dik bovenop legt, wordt het produkt vanzelf aantrekkelijk voor een bepaald publiek.
VIKTOR & ROLF, de enfents terribles van de modewereld, blijven met hun kunstzinnige maar bij vlagen sadistische creaties (arme modellen) nog altijd in de gratie. Wat zij doen voor de haute couture kent een intrinsieke waarde, maar het feit dat een collectie voor H&M binnen een dag is uitverkocht, laat zien dat ook hun merknaam van doorslaggevend belang kan zijn.
Wat is dus eigenlijk smaak? Ik geloof dat smaak in het beste geval oppervlakkig is en behoorlijk beïnvloedbaar. Bovendien heeft smaak alles met gewenning te maken. Als je lekker (duur) wilt gaan eten, dan moet je in een opgedirkte en meestal niet al te gezellig ingerichte en verlichte ruimte plaatsnemen. Je krijgt porties die de gezonde eter niet kunnen bevredigen. Misschien dat het primaat bij de kwaliteit van het eten ligt, misschien dat het de bedoeling is de benodigde calorieën met wijn aan te vullen, maar ik geniet pas echt van een smakenpallet als ik het op mij in kan laten werken, als ik er een tijdje van door kan eten. Haute cuisine laat wat dat betreft eigenlijk altijd te wensen over.
Smaak is gewenning: Een prachtig bord eten wordt lekkerder naarmate je vordert met het verorberen ervan. En aan de sterkste smaken moet je sowieso wennen: oude wijn, franse stink-kazen, olijven, vette vis, kaviaar, wild, truffels, spruitjes en aspergepunten. Iemand met een volwassen en ontwikkelde smaak heeft de tijd gekregen aan deze lompe lekkernijen te wennen en er van te gaan houden. “…Lomp? Verfijnd toch juist?”. Tja, het zijn gedistingeerde produkten met heftige smaken: misschien wel chique, maar het blijft gastronomisch grof geschut.
Wat dieper gaat dan smaak en misschien wel aangeboren is, zou ik ‘persoonlijke voorkeur’ willen noemen.
Veel mensen hebben een voorkeur voor vet, zoet of zout eten. Anderen neigen misschien meer naar mager en vezelrijk voedsel. Ook op het gebied van de vormgeving zijn er dieper liggende persoonlijke voorkeuren. Mijn moeder houdt van licht, strak en vrij kleurloos interieur. Ik houd meer van nostalgisch, retro en kleurrijk… Zij was jong in de jaren ’70. De stijl van die tijd beschouwt zij nu als gedateerd en burgerlijk. Zij wil liever een moderne inrichting. Ik vind de zeventiger jaren geweldig, voor mij ademt het een ouderwetse gezelligheid en ongecompliceerde vrijzinnigheid. Ik vind de alomtegenwoordige strakke Gamma-esthetiek van witte muren en een laminaatje pas echt burgerlijk. Het IKEA-modernisme; het beheerste Des Bouvrie-monochronisme, dat vind ik fantasieloos: Sommige mensen houden van ouderwets en anderen houden van modern. Sommigen houden van organisch en anderen houden van strak.
Ben je een Jugendstil liefhebber? Houd je van BAUHAUS, of blijf je er liever tussenin en ga je voor Art Deco? Prefereer je natuurlijke materialen of doe je je voordeel met de gemakken van kunststoffen?
Smaak is steeds in ontwikkeling en invloeden van buitenaf zijn daarbij cruciaal. Smaak wordt bepaald door de status van de dingen. Iets is mooi, omdat het duur of ‘antiek’ of zeldzaam is. Dezelfde rommel kost in een kringloopwinkel stukken minder dan bij een antiekzaak of retro-toko. Het feit dat de produkten in die context liggen van de gespecialiseerde winkel, omgeven door andere spullen en voorzien van een –[prijskaartje], geeft ze vaak hun waarde. Sommige dingen zijn echt kostbaar en hebben een intrinsieke waarde, maar er zit ook een hoop zooi tussen, kijk maar eens goed!
De taak van de vormgever is om een esthetisch gevoel aan te boren, op te warmen of tot stand te brengen. Mooie materialen en knappe technieken leveren intrinsieke en concrete waarde. Slimme ideeën en logische originaliteit kunnen waarde schèppen.
Niet voor niets is er bij Design altijd een grote aandacht voor de k l a s s i e k e r. Deze gespannen aandacht grenst aan de verafgoding van ‘het produkt der creatieve schepping’: het colaflesje, de paperclip, de bicpen of de Moka Express van Bialetti [uit Morf 9]; maar ook de stoelen van Thonet en Breuer; de ‘Eend’ en de ‘Snoek’ van C i t r o ë n, de V.W. ‘Kever’ en waarschijnlijk in de toekomst de Ford Ka en de Nokia 3310… vul de lijst maar aan. We spreken allemaal met groot respect over deze geniale ontwerpen. In al deze klassieke gevallen van creatie gaat een liefde voor technische ontwikkeling, gevoel voor de wensen van gebruikers en voor schoonheid samen.
Zijn de paperclip en de bicpen eigenlijk meer dan ‘gewoon handig’? Zijn deze kantoorartikelen mooi? We wennen aan de produkten waar we afhankelijk van worden. Als ze maar lang genoeg in de picture blijven, gaan we er vanzelf van houden.
-“Van de bekende Nokia 3310 zijn meer dan 100 miljoen exemplaren verkocht. Over 50 jaar kent iedereen het ontwerp nog, maar is een werkend expemplaar (in nieuwstaat) een zeldzaamheid die geld op zal brengen: zo gaat dat met die dingen”, zei hij populair.
Vormgevers die voorzien in een behoefte op een manier die voorheen nog niet bestond, dragen bij aan de gemakken en genietingen van de mensheid. Als het ontwerp degelijk en duurzaam is, zal het de tand des tijds doorstaan. We willen waar voor ons geld. Als het produkt zijn waarde heeft bewezen, hebben wij intussen onze smaak erop aangepast. Het waardevolle produkt dat ons leven zoveel aangenamer en makkelijker maakt, verkeert in de gratie en kan zich koesteren in onze liefde.
Als je naam wilt maken als designer zul je eerder tegen de stroom in moeten gaan, om op te vallen en iets nieuws te bieden, dan dingen proberen te maken die meteen in de smaak vallen. Je moet de smaak van het publiek aanvallen, veranderen, van jou afhankelijk maken.
Smaak is iets dat gemakkelijk gecorrumpeerd kan worden door een oppervlakkige verleidingstruc. Dit is echter niet de praktijk die voor mij die van het industriële ontwerp typeert. De echte designklassieker bewijst zijn waarde door een duidelijke en logische relatie tussen vorm en functie en door een bepaalde duurzaamheid. Waardevolle produkten zijn in de eerste plaats nuttig en worden later pas mooi gevonden. Iets dat je meteen mooi vindt, dat zou je moeten wantrouwen. Misschien geldt dat niet alleen voor dingen waar je een relatie mee aangaat, maar ook voor mensen. Een lekker ding is aantrekkelijk van vorm, maar hoe zit het met de inhoud? Wanneer je je laat verleiden door het uiterlijk, kun je bedrogen uitkomen. Een goed ontwerp is echter altijd trouw. Ceci n’est pas une pipe. De afbeelding van een pijp is niet de pijp zelf. Marketing is geen vormgeving.
Geplaatst in Kunst, Marketing, Voeding, Vormgeving
Getagget Bauhaus, Louis Vuitton, Nokia, Picasso, Thonet, Van Gogh, Viktor & Rolf
nihilisme
Wat is nihilisme? Volgens mij heeft het begrip betrekking op de moraal. De moralist dringt anderen een moraal op. Vaak is de moralist zich niet bewust van de betwistbaarheid van zijn idealen. De nihilist betwist alle idealen en kent daardoor ook geen moraal. Van belang is de verhouding van het individu tot de gemeenschap. De moralist omarmt de gemeenschap, de nihilist zet zich er tegen af. Dit is echter geen politiek, zoals bij het anarchisme.
Een anarchist verwerpt de machtsverhouding tussen een dominante bezittende klasse en een ondergeschikte groep die weinig tot niks bezit. Het anarchisme is een stroming die wortelt in het Marxisme. De autoreiten worden gezien als een verlengde van de macht van het kapitaal, dat zichzelf ermee beschermt. Door de autoriteiten te ontkennen wil de anarchist gelijkwaardigheid tot stand brengen. De anarchist gelooft in het goede in de mens en stelt dat regels er niet zijn om de slechte mens op het juiste pad te houden, maar om de bezittende klasse te beschermen tegen een eerlijke herverdeling. Socialisten hebben verwante idealen, ook zij richten zich op herverdeling, maar proberen niet de maatschappelijke orde omver te werpen. Hun doel is om binnen het systeem de armen en ondergeschikten te beschermen tegen de rijken en dominanten. Hun doel is om iedereen mee te laten profiteren van de (gezamenlijke) rijkdom. Liberalen willen ruimte creëren voor ondernemende mensen, die zichzelf (persoonlijk) willen verrijken. Het doet er voor een liberaal niet zoveel toe of mensen rijk worden op eigen kracht of over de rug van anderen. De woorden rijk, sterk, ondernemend en goed betekenen in een liberaal woordenboek allemaal hetzelfde.
Anarchisten, Socialisten en andere Marxisten; Kapitalisten en Liberalen gaan uit van het materiële bezit. Het idee van de schaarste is daarbij het leidend beginsel. De nihilist hecht geen waarde aan materie, zoals de hond Seneca in onderstaande cartoon:

De hond heeft geen behoefte aan spullen. Ervaart hij materie als ledig voor de invulling van zijn bestaan? …een portemonnee raapt hij echter wel op:

Is geld dan niet hetzelfde als materie? Welk geluk levert het verwerven van geld op? Is dit een werkelijk geluk of de ervaring van potentie tot geluk? Het geld houdt een belofte in. Met geld kan men zichzelf in een positie brengen die een geluksgevoel mogelijk maakt. Wanneer men rijk worden als levensdoel stelt, komt men niet toe aan de ontwikkeling die nodig is om het geschapen potentieel te verwezenlijken. Om geld om te zetten in geluk is een activiteit nodig, moet men een keuze maken, maar vooral kunnen ‘genieten van het moment’. Zo zal iemand die beperkte middelen heeft zich steeds afvragen of het geld wel goed besteed is. Had het geld – op andere wijze uitgegeven – mogelijk meer geluk opgeleverd? In zoverre maakt het dus niet uit of je rijk bent of een beperkte hoeveelheid geld hebt. Steeds staat de gerichtheid op de toekomst (potentieel geluk) of het verleden (alternatieve uitgaven) het geluk in de weg.
Voor mij is geluk een onthecht moment. Verleden en toekomst zijn vergeten. Het nu wordt heel even beleefd als een eeuwigheid. Achteraf realiseer je je pas dat je gelukkig was… Voor veel mensen is geluk echter een veilige en gezonde situatie, waarin de toekomst met vertrouwen tegemoet getreden kan worden. Het ontbreekt deze ‘gelukkige’ aan niets. Er zijn geen zorgen. Het verwerven van geld voelt prettig met het oog op een mogelijke toekomst. De voorwaarden voor een zorgeloos bestaan en het scheppen van de mogelijkheden worden zo verward met het eigenlijke geluk. Alsof we in onze vrije tijd (na het opbergen van de boodschappen) op de bank gaan zitten, ons in de handen wrijven en zeggen: “laat dat geluk nu maar komen!”. Vervolgens hebben we geen idee waarop we wachten en zetten we de TV aan om de verveling te verdrijven.

Heinz begint het te duizelen, maar Seneca is alweer afgehaakt. Verkeert de hond in een staat van lethargie? Is het beest depressief? Het lijkt erop dat de hond niet alleen onthecht is, dat hij zelfs “nee” zegt tegen het leven. Behalve aan de uitdrukking “alles is zinloos”, zien we vooral aan zijn gezicht dat hij het moment niet werkelijk ervaart. Hoewel hij geen slaaf is van zijn behoefte, lijkt hij ook niet actief vorm of invulling te kunnen geven aan zijn leven.

Frits is een moralist en waarschijnlijk een liberaal. Hij respecteert de autoriteiten en vindt dat bezit bij de rechtmatige eigenaar moet blijven. Heinz laat zich niet overtuigen door deze ingebakken moraal en gaat zijn eigen weg. De belofte van het geld heeft hem kortstondig bevangen.

Vaak denken we dat we geld nodig hebben om in onze behoeften te kunnen voorzien. Ik geloof echter dat het geld onze behoeften creëert. Onze financiële situatie vormt het kader van onze fantasie, maar reclame kan ons prikkelen meer te willen dan we ons kunnen veroorloven. Het resultaat is dat we ons zullen inspannen meer inkomen te verwerven. Onze behoefte kan opgerekt worden en voordat we het weten zijn we een slaaf van onze eigen hebzucht geworden. Om verzadigd te blijven moeten we hard werken.

De ‘bedelaar’ is geen materiële bedelaar, maar een spirituele armoedzaaier. Als liberaal heeft hij niet geleerd om zijn leven een zinvolle invulling te geven, hij heeft steeds verstandig gehandeld, met oog op de toekomst. De hond laat zich niet misleiden door beloftes voor de toekomst, maar ook hij is niet in staat om het huidige moment werkelijk te ervaren. De hond sluit zich af van zijn omgeving. Als nihilist is hij erin geslaagd de gemene idealen van zich af te schudden, maar stelt daarvoor geen persoonlijke idealen in de plaats. Frits zit vast in de normen van de gemeenschap. Hij leeft een secundair leven, doordat hij zichzelf steeds beoordeelt vanuit een vermeend gemeenschappelijk perspectief. Hij wil graag goed zijn en dus normaal. Heinz doet waar hij zin in heeft. Het geld speelt daarbij geen wezenlijke rol. Zijn behoeftes zijn bescheiden en daarmee creëert hij een grote persoonlijke vrijheid. Hij is geen socialist of anarchist; Heinz is geen politiek wezen. Als individu is Heinz ook geen moralist of nihilist, maar een vrije geest.
Geplaatst in Emancipatie, Filosofie, Marketing, Politiek, Psychologie, Sociale Verhoudingen
De porseleinkast
Wat weet je van je voorouders? Waren zij zoals jij? Hadden ze dezelfde problemen, verlangens en geneugten? Wat betekent de tijd waarin je leeft voor je? Wij denken dat onze tijd wezenlijk verschilt van voorgaande periodes. Onze tijdsopvatting is lineair. De Tweede Wereldoorlog (bijvoorbeeld) maakt deel uit van onze geschiedenis… Denk je dat er onvermijdelijk een Derde komt, of hebben wij geleerd van de fouten uit het verleden? Zijn we in onze geestelijke ontwikkeling verder dan onze voorouders? Zijn wij meer bewust en wijzer?
Er zijn ook culturen die een circulair tijdsbesef hebben. Zoals het ook bij ons elke dag weer middag wordt, de zon ondergaat en opgaat, zoals ook wij ieder jaar de seizoenen zich in dezelfde volgorde zien herhalen… zo kunnen mensen geloven in een steeds wederkeren. Pas als je de jaren gaat tellen ontstaat er immers een tijdsbalk. Als je dat niet doet, dan krijg je het gevoel dat jij een soort reïncarnatie bent van je overgrootvader of -moeder. In culturen zonder jaartelling worden geboorte en overlijden gevierd met rituelen van overgang. Voorouders worden geesten en geesten worden weer nieuwe kinderen.
Wij weten dat we een unieke genetische code hebben, die is samengesteld uit die van onze ouders, die weer is samengesteld uit die van hun ouders. Hoewel je dus elementen van je voorouders met je meedraagt ben je geen kopie. Maar laten we deze wetenschappelijke kijk op de zaak eens van ons afzetten en naar de psychologie van elkaar opvolgende generaties kijken. Wat betekent het voor ons te weten dat er voor ons mensen waren en na ons mensen zullen zijn? En hoe gaan wij om met de confrontatie met deze wetenschap, die wij treffen in de nagedachtenis aan overledenen en de omgang met jongere generaties (die ons ruim zullen overleven)?

Gevestigde generaties staan in onze cultuur erg wantrouwend tegenover nieuwe generaties. Vorige generaties worden geïdealiseerd, terwijl de jeugd wordt gedemoniseerd. Een belangrijk verwijt aan het adres van de jeugd is hun gebrekkige kennis van de geschiedenis en hun schaarse gevoel voor traditie. Tegelijk is de manier waarop er omgegaan wordt met de ‘geesten’ van de vorige generaties er een van krampachtig vasthouden. De ideeën van de helden die Willem van Oranje en Frederik Hendrik waren geweest worden als breekbare porseleinen beeldjes achter slot en grendel in een vitrine bewaard. (Musea en universiteiten functioneren als porseleinkast van de geest). De jeugd mag er wel naar kijken, van een afstandje, maar er niet aankomen (we willen de boel graag de boel houden). Hitlers nagedachtenis wordt kunstmatig in leven gehouden, we doen alsof hij nog steeds actief is in onze wereld: als stand-in voor de duivel waart zijn geest over de aarde rond. Pas als we de herinnering aan helden en verschrikkers laconiek tegemoet kunnen treden, met spot en ironie of zelfs met onverschilligheid behandelen, ontstaat er ruimte in het heden voor nieuwkomers.
Het betreft hier een zeer subtiel spel, vergis je niet: ik ben een voorstander van geschiedenisonderwijs en ik ben dol op musea. Ik heb alleen moeite met de afstand die gecreëerd wordt tussen erflaters en erfgenamen. Waarom bepaalt een generatie die gearriveerd en gevestigd is hoe er met de geschiedenis omgegaan dient te worden? Door het beeld van vorige generaties niet over te geven aan het continuüm van de circulaire tijd, sluiten ze de geesten op in een ‘aardse illusie’ van lineair tijdsverloop. Historische figuren dolen als het ware rond in een tussenwereld. Als levende doden vinden zij geen rust. Als gevangen geesten zijn zij ontdaan van hun meervoudige dimensies. Door van voorouders karikaturen te maken en die bovendien in een sfeer van onaantastbaarheid te plaatsen snijden de ouderen de jeugd af van hun wortels. En dat is precies wat een historische canon doet. Waar geen ruimte is voor een dualistische visie, waar de dialoog opgeofferd wordt aan een voorgekauwde historische beleving, eindigt het geschiedenisonderwijs en begint de propaganda.
Het idee dat nieuwkomers zich moeten aanpassen is verwerpelijk, zelfs walgelijk te noemen. Of we nu uitgaan van een studentenhuis of van een natiestaat: iedereen moet zich toch constant aanpassen aan een continu veranderende omgeving. Niets is wat mij betreft heilig en niets mag eenzijdig als kwaad worden afgeschilderd. Kinderen zijn geen indringers, zij zorgen voor vernieuwing. Verandering werpt nieuw licht op oude zaken.
Inspiratie: History and play – Giorgo Agamben