Momenteel kun je in het museum Boijmans van Beuningen in een extravagant aangeklede opstelling de surrealistische meesterwerken van Dalí, Miro, Max Ernst, De Chirico en Magritte bewonderen. De tentoonstelling Vreemde dingen: surrealisme en design biedt tot 13 januari aan een breed publiek een pretpark van populaire schilderijen, wandtapijten, meubels, beeldhouwkunst, kleding en sierraden. Het is een leuke tentoonstelling, waarbij het museum op creatieve wijze voornamelijk de eigen collectie presenteert. Dat het die creativiteit zover doorvoert dat ook werken van Man Ray en Duchamp onder de vlag van surrealisme gevierd worden, zij vergeven. De vondst om een staartje aan de tentoonstelling te hangen in de vorm van ‘hedendaags surrealisme’ trekt deze lijn door en biedt de ervaren museumbezoeker nog wat nieuws te zien.
De geliefden van Magritte (niet in Nederland)
Wanneer je vervolgens ook nog de vaste collectie van het museum bekijkt, of een deel hiervan, moet je concluderen dat Rotterdam een rijk aanbod van kunst van vele stromingen en tijden heeft. Een goede collectie, boeiender misschien dan het Stedelijk en Rijks- in Amsterdam samen. Laten we eens de geschiedenis induiken om te leren hoe de collecties van het Rijks- Amsterdam en Boijmans Rotterdam tot stand gekomen zijn.
Rembrandt’s Joodse Bruid voor f 200,-
Adriaan van der Hoop (1778-1854), lid van de gemeenteraad, Provinciale Staten en Eerste Kamer, betrokken bij het opstellen van de grondwet in 1914, was tevens kunstverzamelaar. Zo kocht hij in 1833 voor een bedrag van f 6825,- het schilderij De Joodse Bruid van Rembrandt. Zijn verzameling van 224 schilderijen liet hij voor een bedrag van f 50.000 aan de stad Amsterdam. Dat is iets meer dan 200 gulden per schilderij. Men vond dit veel geld, kon zich niet voorstellen dat het toeristen (in die tijd ‘vreemdelingen’) zou aantrekken en bepaalde dat de burgerij f 40.000 moest meebetalen. Gelukkig waren er mensen die het belang van het behoud van dit erfgoed inzagen en kon men de verzameling voor Nederland behouden. De werken vormen nu de basis van de collectie van het Rijksmuseum.
Alleen gratis kunst
Jan Gijsbert Verstolk van Soelen (1777-1845) was prefect van Friesland onder Napoleon, waar hij onder andere verantwoordelijk gesteld werd voor het uitzenden van bekwame medici ten gunste van de troepen van Napoleon. Toen Nederland weer soeverein was, kwam hij eerst in een betrekking als Afgezant aan het Hof van Rusland en vervolgens als Minister van Buitenlandse Zaken. Na zijn ‘pensioen’ in 1941 richtte hij zich volledig op het verzamelen van kunst en handtekeningen van beroemdheden. In 1845 werd zijn verzameling voor een som van f 100.000 aan de gemeente Rotterdam beschikbaar gesteld. Er waren 25 schilderijen en 815 etsen van Rembrandt bij. Terwijl de collectie toen al minimaal vijf keer zoveel waard was, kon men er niet toe besluiten de overeenkomst aan te gaan. De burgemeester verklaarde “dat onder de tegenwoordige omstandigheden de stedelijke Raad geen vrijheid meent te hebben om tot aanzienlijke buitengewone uitgaven, welke alleen tot genoegen strekken, over te gaan”[1].
Twee jaar later kreeg Rotterdam een nieuwe kans. Boymans wilde zijn verzameling gratis ter beschikking stellen, op voorwaarde dat men een openbaar onderkomen inrichtte en voor f 25.000 aan moderne kunst zou kopen. Deze laatste voorwaarde werd op eis van het stadsbestuur geschrapt. Een belangrijk deel van de verzameling ging in rook op toen men door zuinigheid, nalatigheid en gebrekkig ingrijpen het grootste deel van de collectie van het toenmalige museum Boymans in 1864 door brand liet treffen. In 1869 kon men gelukkig het legaat Vis Blokhuysen toevoegen en kwam de collectie opnieuw “op Europeesch peil”[2].
Daniël George van Beuningen (1877-1955) was havenmagnaat en kolenhandelaar. Hij verzamelde kunst. Van Beuningen haalde bijvoorbeeld in 1940 de eerste Van Eyk naar Nederland. Na zijn dood in 1958 lieten zijn nazaten de verzameling aan de gemeente Rotterdam, wanneer zij de succesierechten voor hun rekening nam. Onder andere het schilderij De toren van Babel van Pieter Bruegel de Oude viel het museum, dat nu de naam Boijmans van Beuningen kreeg, ten deel.
Jan en Hubert Van Eyck, De drie Maria’s bij het graf, 1425-1435, paneel, 71.5 x 90 cm, collectie Museum Boijmans Van Beuningen
Londen, Parijs… Rotterdam
Hoe had het er nu uitgezien wanneer de overheid halverwege de negentiende eeuw wel geïnteresseerd was geweest in kunst? Amsterdam had dan definitief het nakijken gehad. Rotterdam had dan een monstercollectie gehad, gebaseerd op de verzamelingen van Verstolk van Soelen, Boymans en Van Beuningen. Had kunst in de tijd na Napoleon meer prioriteit gehad, dan had men de giften van Boymans niet aan het vuur ten prooi laten vallen. Rotterdam had met Londen kunnen concurreren.
Nu heeft men in Rotterdam toch nog een leuk mopje surrealisme in huis. Bekijken wij de negentiende eeuwse praktijken ten aanzien van het verwerven en behouden van kunstbezit, dan past slechts deze term: surrealisme. Het verkwanselen van werken van Rembrandt, het naar het buitenland laten verdwijnen van vaderlandse meesterwerken, omdat men een paar honderd gulden voor een schilderij of prent te duur vond, doet aan als een husseling van de werkelijkheid. Er ontstaat een beeld van een totaal andere wereld, een parallel universum. Het is echter geen droom maar een nachtmerrie. Stel je voor dat de burgers van Amsterdam niet de vastgestelde bijdrage geleverd hadden, dan was er van een Rembrandtjaar in 2006 geen sprake geweest! Nu al heeft men in Londen en Duitsland de meest interessante werken van onze geliefde grootmeester der realistische schilderkunst. Het had niet veel gescheeld of we hadden het met een enkel werk moeten stellen.
Laten we deze geschiedenis niet vergeten en nooit meer zeuren als de overheid geld aan kunst uitgeeft. Ze heeft immers nog een hoop goed te maken! In 1998 betaalde de Nederlandse overheid 36 miljoen voor Victory Boogie Woogie van Mondriaan. In 2007 overwoog men een schilderij van Rembrandt, dat tussen de 50 en 70 miljoen waard is, voor het volk aan te schaffen. Echter men ging niet tot de aankoop over, omdat het kabinet demissionair was. Het nieuwe kabinet zou het alsnog voor de kerst onder de boom des vaderlands kunnen leggen…
Boetekleed
Moeten we echter blijven hangen in het verleden? Moeten we nu alsnog tegen elke prijs de schilderijen verwerven die we 250 jaar geleden hebben verkwanselt? Wanneer we het als een investering zien, luidt het antwoord “nee”. Men moet kopen wanneer de prijs laag is en nog gaat stijgen. Boymans vroeg de gemeente Rotterdam voor f 25.000 moderne kunst te kopen, men had daarvoor in die tijd enkele Rembrandts kunnen krijgen. De verzamelaar stelde echter dat men in hedendaagse of in ieder geval ‘moderne’ kunst moest investeren.
Van Beuningen heeft laat in zijn carrière gedacht een tweetal Vermeers te hebben verworven, dit bleken vervalsingen. Hij betaalde er in ’40 en ’41 samen twee miljoen voor. (Je moet je afvragen hoe iemand in de Oorlog miljoenen voor schilderijen kon betalen en hoeveel dat geld toen waard was. Hij vond in ieder geval de hond in de pot). Van Beuningen had er beter aan gedaan werken van Kandinsky of Picasso te kopen. Die werden toen nog niet vervalst en zouden nog sterk in waarde stijgen. Dit zijn weliswaar geen Nederlandse kunstenaars, maar we moeten ons nationalisme ook niet voeden met kunstaankopen. Het steunen van levende Nederlandse kunstenaars of het promoten van Nederlanders in het buitenland staat los van een waardevol staatsbezit. Engeland en Duitsland zijn niet vies van de Nederlandse schilderkunst. Ook wij kunnen de top uit het buitenland binnen halen. De overheid moet zich laten adviseren over wie de wereldtop van morgen wordt en van deze kunstenaars werken kopen. Ik noem een Anish Kapoor. Deze kunstenaar is niet alleen in Tate Modern vertegenwoordigd, maar ook op de veluwe in het Kröller Müller en met verschillende werken in De Pont in Tilburg. Laat deze musea voor uitbreiding van het staatsbezit zorgen.
Anish Kapoor (2004) Cloud Gate, Millennium Park Chicago, geschenk van AT&T
En dan wil ik hiermee afsluiten, maar ik kom hier nog op terug: in het verleden is er door particulieren voor gezorgd dat Nederland kunst verwierf en behield. Nu is dit een overheidstaak geworden en men wil de regeling afschaffen die kunstaankopen aftrekbaar maakt. Ik zeg: doe dit niet en besef dat particulieren een belangrijke taak vervullen.


