Maandelijks archief: januari 2008

De sociaaldemocratische zelfbevrediging

“Minder ontwikkelde landen” zijn achterlijk, de sociale voorzieningen zijn daar niet geregeld zoals zou moeten; zoals bij ons. De mensen zijn daar niet geëmancipeerd. Het zijn slaven van hun godsdienst en van hun eigen sociale controle. Een mens mag geen slaaf zijn, moet beschermd worden en kind kunnen zijn. Het werken moet spelen zijn, geen hard of eentonig werk, maar leuk werk waarin men zich kan ontplooien. In de vrije tijd doen we nog meer leuke dingen. Het Westerse leven in een democratische verzorgingsstaat is een leven van leuke dingen doen. Onze maatschappij is geen samenleving maar een langs-elkaar-heen-leving. Onze maatschappij is narcistisch en is gepreoccupeerd met zelfbevrediging. Masturbatie is echter niet vruchtbaar en levert geen nageslacht op.

De mens is na een kindertijd van 25 jaar zo gewend geraakt aan een leven waarin de rijkdommen voor persoonlijk plezier kunnen worden aangewend en er slechts verantwoordelijkheid voor de eigen persoon is, dat kinderen krijgen niet vanzelfsprekend meer is. Kinderen krijgen betekent anderen vóór jezelf laten gaan. Verantwoordelijkheid, dienstbaarheid en financiële offers zijn nodig. Als mensen toch voor nageslacht zorgen, dan willen zij niet dat dat van hun eigen speeltijd afgaat: het opvoeden van de kinderen, dat moet de samenleving doen. Er is daarvoor de zwaar gesubsidieerde crèche, primair en secundair onderwijs. Met torenhoge belasting kopen we onze verantwoordelijkheden af.

Het individu in onze samenleving wil zo veel mogelijk rechten, zo min mogelijk plichten. De maatschappij is maakbaar en de overheid verantwoordelijk voor de burger. Na 25 jaar kindertijd worden we nooit meer helemaal volwassen. Alles wordt voor ons geregeld en als het niet perfect loopt, dan gaan we zeiken. Over files, openbaar vervoer dat niet op tijd rijdt, slecht onderwijs, vandalisme.

Als je “oud en grijs” bent, doe je geen beroep op je eigen kinderen (als je die hebt), maar op de maatschappij. Terwijl je nog gemakkelijk geld zou kunnen verdienen, je bent in de kracht van je leven. De pensioensgerechtigde leeftijd is echter bereikt, er hoeft nu niet meer zelf gespeeld te worden. Als gepensioneerde ben je voor de rest van je leven supporter geworden. Een hoop universele wijsheid en beroepsgerichte know-how neem je mee buiten de lijnen van het speelveld. Je gaat de professionele spelers nu ‘aanmoedigen’. De kennis en know-how worden niet constructief maar kritisch ingezet.

Wij vinden dat we geëmancipeerd zijn in onze moderne westerse samenleving, maar een verzorgingsstaat is een afhankelijk collectief. We hebben de mogelijkheid gecreëerd tot onafhankelijkheid, maar maken daar geen gebruik van. Emancipatie is niet; zoveel mogelijk doen waar je zin in hebt; lang kind blijven, snel weer je hand ophouden; de professionele periode een spel met duidelijke regels en doelen (winst). Emancipatie is jezelf losmaken van de geijkte paden, out of the box denken, onafhankelijk zijn. Geestelijk onafhankelijk, maar ook financieel onafhankelijk.

Ian McEwan, puber voor het leven (I)

Over ‘Amsterdam’

Mensen zeggen vaak tegen elkaar: “Als ik verbitterd raak en alleen nog maar zit te zeiken, dan moet je me afmaken!”. Daarmee bedoelen ze dat ze het zo jammer vinden dat sommige oude mensen zo negatief zijn. Er zijn ook mannen die bijvoorbeeld zeggen: “Als ik hem niet meer omhoog kan krijgen, dan hoeft het voor mij niet meer!”. Daarmee geven ze aan dat ze een gezond libido hebben en seks erg belangrijk vinden. Ze bedoelen niet dat ze zichzelf in zo’n geval werkelijk om zullen brengen. Men moet deze uitspraken dan ook niet letterlijk nemen.

In Amsterdam van Ian McEwan nemen twee volwassen mannen zulke uitspraken wèl letterlijk en serieus. De twee vrienden spreken af het niet zo ver te laten komen, dat zij als verschrompelde, seksueel incapabele, verbitterde oudjes door het leven moeten. Ze zullen de verantwoordelijkheid voor elkaars levens op zich nemen. Ze spreken serieus af elkaar, zo nodig, uit het lijden te verlossen. Dat dit ‘lijden’ in de ogen van de ander, of een jongere versie van het zelfde personage is, wordt niet bedacht. De personages gaan voorbij aan de diepere betekenins van de kwestie…

De schrijver benadert de problematiek als onderdeel van een plot en niet als een onderdeel van een mogelijke werkelijkheid of als een filosofische kwestie.

Wanneer hij meer had gedaan met de onderliggende thema’s ‘angst voor de toekomst’ tegenover ‘genieten van het heden’, had de overeenkomst tussen zijn personages enigzins aannemelijk of interessant kunnen worden. De serieuze afspraak getuigt nu vooral van een puberale geest, maar toch op zijn minst ook van een diepgaande vriendschap, zou je zeggen. De verantwoordelijkheid voor elkaars levens, het is niet niks!

In het vervolg krijgen de twee mannen echter ruzie en ze moeten elkaar niet meer. Ja zelfs, de vriendschap slaat om in haat. En dan is dat contract uit het verleden er nog. De gemaakte afspraak wordt door beide aangegrepen als excuus de ander om het leven te brengen. Ze zien de ander wegkwijnen, zo vinden zij zelf, en zullen hun ‘vriend’ uit zijn lijden verlossen. Het is natuurlijk al ongeloofwaardig dat een volwassen man zijn oude vriend zó gaat haten, zo’n diepe haat ontwikkelt, dat hij hem van het leven zou willen beroven. Maar dat deze ontwikkeling zich wederzijds zou voltrekken…?

McEwan beschrijft dit lullige plotje met een vaardige pen. De dialogen zijn humoristisch en intelligent. Je krijgt in het begin het idee dat je een behoorlijk boek zit te lezen…

Wanneer je als lezer echter aan gaat voelen dat het aanvankelijke verbond tussen de hoofdpersonages in het verloop van het verhaal een ‘draai’ gaat krijgen, begint het ongeloof. Dit ongeloof zal weldra omslaan in ongenoegen, als de personages hun ziel en zaligheid gaan leggen in het obsessief haten van de ander. Is dat interessant om over te lezen? Het gaat hier om een componist en een schrijver, twee volwassen kunstenaars, die zullen toch wel wat beters te doen hebben en misschien ook wel beter weten? Maar nee, hoor. Ze neigen er niet alleen toe de ander uit zijn lijden te verlossen, ze gaan het ook echt d o e n ! En nu komt de titel (lekker hip en kort, die vooral in Amerika een hele wereld van taboe’s oproept) om de hoek kijken: de vrienden willen elkaar naar Amsterdam lokken. Ze spreken daar af en doen allebei alsof ze elkaar vergeven en de vriendschap weer op willen pakken. Echter, ze verdoven elkaar stiekem en hebben van tevoren allebei een arts ingehuurd om de ander op zijn kamer te laten euthanaseren als hij daar verdoofd ligt. En dat lukt. Aan het einde zijn ze allebei dood.

Het is duidelijk dat McEwan af en toe een ‘leuk idee’ heeft en dit idee dan pompeus, pretentieus, maar volkomen doorzichtig uitwerkt. Zelfkritiek is daarbij afwezig, of iemand anders die hem een beetje bijstuurt. Je merkt zó goed dat hier iemand een verhaaltje zit te vertellen. Een flauw verhaaltje bovendien: twee vrienden spreken af elkaar uit hun lijden te verlossen, als dat nodig is. Ze krijgen ruzie en misbruiken allebei die afspraak om de ander om zeep te helpen. De deus ex machina die aan het einde opgevoerd wordt is de Hollandse arts, die als een soort huurmoordenaar op afspraak niet-bloedverwanten een spuitje geeft. Wat voor beeld wordt hier van ons land geschetst door welk een puberale geest?

Wordt vervolgd: Ian McEwan, puber voor het leven (II)