Cultuurkritiek

Entries from april 2008

Is filosofie kunst?

7 april 2008 · 1 reactie

In een van mijn eerste artikelen deed ik een poging om kunst en filosofie maatschappelijk te definiëren. Het zijn grote woorden en twee van de meest verheven bezigheden van de mens. Moet ik hieraan toevoegen dat dit mijn mening is? Het spreekt voor zich dat die stelling van subjectieve aard is. Subjectiviteit is echter niet vrijblijvend, maar een intuïtieve manier om tot waarheid te komen. In dit artikel zal ik de verschillen tussen kunst en filosofie bespreken en juist het begrip ‘subjectiviteit’ staat daarbij centraal. Een reis langs de verschillen tussen verstand en gevoel, tussen Apollo en Dionysos, tussen linker en rechter hersenhelft zal leiden tot een bespreking van de verschillen tussen filosofie en kunst op intrasubjectief niveau, dat wil zeggen “voor jou en mij”. Veel plezier!

In de geschiedenis van Plato tot de Romantiek, was het rationele denken het exclusieve onderwerp van de filosofie. Dit veranderde onder invloed van denkers als Nietzsche. Nietzsche was een zeer tegendraadse man. Als onafhankelijk denker en romanticus heeft hij een onuitputtelijke bron voor reflectie aan de traditie van de filosofie (en de filologie) toegevoegd. Ik beschouw hem als vader van de subjectiviteit. Aan het begin van zijn carrière ontwikkelde hij de theorie van het dionysische in de cultuur van de oude Grieken. Dionysos was de god van o.a. de wijn. Ironisch genoeg kon de lichamelijk zwakke Nietzsche helemaal niet tegen alcohol, terwijl hij zich steeds meer met Dionysos zou gaan vereenzelvigen. Om tot grotere hoogte te stijgen en in vervoering te raken, om in een roes te komen, vergelijkbaar met die van een droom, zoals een echte bohemien, heeft de kunstenaar Nietzsche echter helemaal geen alcohol of andere drugs nodig gehad!

In Nietzsches universum is Dionysos de aanvoerder van de natuurwezens, waarvoor het half-bok/half-mensje de Satyr symbool staat. De Satyr staat voor de mensen die niet denken, maar voelen en zich laten leiden door hun instincten en intuïties. Dionysos is de god van de extase, van de fluit en het theater.

Wie niet onder invloed van deze exotische en mysterieuze god staat, streeft naar het ideaal van de ratio. De kampioen van de rationelen is de god Apollo. Apollo heeft echt alles in huis. Hij is mooi en jong, hij kan geweldig gitaar spelen en beeldhouwen. Hij is een schitterende ster in de letterlijke betekenis, die van het hemellichaam, zoals de zon. Apollo is de beste boogschutter en dichter. Hij is arts en waarzegger.

Socrates was de messias van de religie van Apollo, Plato de apostel. Samen brachten zij een cultuurverandering teweeg.

Tijdens die rationele cultuurverandering bracht de toneelschrijver Euripides de god Apollo het theater binnen en Dionysos werd verdreven. Zijn pathos vinden we sindsdien, zij het maar heel af en toe, alleen nog in de muziek en in de poëzie. Zijn geest leeft nog voort in de stereotypische kunstenaar, die schept in een roes. Volgens Nietzsche zijn het de waarden van Socrates en zijn aanhangers geweest, die het dionysische pathos in de Griekse tragedie om zeep geholpen hebben.

Sinds het verval van de tragedie is het waarlijk tragische voor ons steeds onbereikbaarder geworden. En naar later nog zal blijken, is daarmee een cruciale grond voor ervaring verdwenen. Shakespeare kon nog een laatste schaduw van het pathos van de oude Grieken werpen op het publiek, daarna is brak het tijdperk der verlichting aan. Het vertrouwen in de ratio werd tot ongekende hoogten opgevoerd. Nog later, tijdens de industrialisatie kwam het met o.a. de verspreiding van elektrisch licht tot de apotheose hiervan.

Agamben betoogt (in zijn rijke essay “Infancy and History”) dat de traditie van Plato en Aristoteles en de zege van de ratio, tot hoogtepunt gekomen in het talige identiteitsbesef van het “cogito ergo sum” van Descartes, ertoe geleid heeft dat ervaring in de zin van de werkelijke communicatie tussen twee subjecten onmogelijk is geworden. Wanneer een subject zijn sensitieve ervaringen probeert te communiceren naar een ander, zal die dat middels een omzetting in taal, middels een objectivering doen. De positivistische wetenschap wantrouwt de zintuigen en vertrouwt slechts het rationele denken. Waarnemingen dienen tot het verzamelen van data. Deze data dient te worden geanalyseerd. Wanneer onder dezelfde omstandigheden telkens dezelfde (subjectieve) ervaring opgedaan wordt, kan een universele en objectieve waarheid worden geconcludeerd. Dat die subjectieve waarnemingen telkens op slechts een enkele variabele beoordeeld worden, veronachtzaamt echter de mogelijke verschillen op andere dimensies. Het subjectieve wordt door de ratio in een kader, een keurslijf gedwongen en herleid tot het objectieve. De ervaring dient als gegeven ter interpretatie en analyse. Dit cognitieve interpreteren en analyseren volgt bij een rationeel wezen direct op de sensitieve ervaring.

“However intense my experience, I am conscious of the presence and criticism of a part of me, which, as it were, is not a part of me, but spectator, sharing no experience but taking note of it; and that is no more I than it is you.” (Henry David Thoreau in Walden, omstreeks 1850).

Thoreau beschouwt zijn sensitieve en lichamelijke ervaringen dus als essentieel voor zijn wezen, zijn ratio ziet hij eerder als indringer, hooguit als geweten. Echter, Thoreau was een echte denker, een natuufilosoof. Hij zonderde zich af in een blokhut in het bos, die hij zelf gebouwd had. Hij bedreef zo min mogelijk landbouw, deed net genoeg werk om in leven te blijven en dacht na over het leven en wat hij werkelijk nodig had. Hij was op zoek naar een zuivere ervaring die niet in de weg werd gestaan door toevalligheden van het maatschappelijk leven. We kunnen zeggen dat zijn ratio wel degelijk een belangrijk onderdeel van zijn identiteit was. Maar hij liet zich niet verleiden door luxe en zijn intuïtie voerde de boventoon. Hij zocht een leven dat dichter bij de natuur stond, waarin het dionysische een plaats had. Thoreau lijkt een (echte) man geweest te zijn die de functies van zijn rechter hersenhelft hoog in het vaandel had staan… Hij streefde vanuit een voorliefde voor holistische ervaringen naar een harmonie met de natuur.

De apollinische en dionysische hersenhelften?

In onze tijd kunnen we de psychologische tegenstelling tussen het apollinische en dionysische van de mens proberen te begrijpen door de twee geestesgesteldheden in verband te brengen met de informatie die we hebben vergaard over het menselijke brein. Onze grote hersens bestaan uit twee helften. De linker hersenhelft heeft een ander karakter dan de rechter hersenhelft. Komen deze karaktertrekken overeen met de mythologie van de oude Grieken en de intuïties van de jonge Nietzsche? Kunnen we de tegenstelling tussen Dionysos en Apollo, die wij al vroeg in ons leven ervaren als een conflict tussen ‘verstand’ en ‘gevoel’, nuanceren door gebruik te maken van de hersenwetenschap? Laten we het maar meteen proberen.

De linker hersenhelft is bij veel mensen het domein van de verbale taal. Bij de meeste mensen is de verbale hersenhelft dominant. Een uiting van de dominantie van ‘links’ is de veel voorkomende rechtshandigheid. De linker hersenhelft stuurt namelijk de rechterkant van het lichaam aan.

‘Links’ wordt geassocieerd met logisch en verbaal denken. Dit denken is opeenvolgend en rechtlijnig. De letterlijke betekenis van woorden en de grammatica van de taal worden verwerkt door de linkerzijde. Het precieze meten van maten en het tellen wordt door deze kant mogelijk gemaakt. De exacte verhoudingen tussen getallen, in de vorm van regels, liggen hier opgeslagen. Ons hoogste onderwijs is erop gericht het analytisch vermogen van de linker hersenhelft te trainen. Ook de nadruk op de geschiedenis in ons onderwijs komt voort uit de dominantie van ‘links’.

‘Rechts’ is meer gericht op de toekomst. De rechter hersenhelft werkt intuïtief en veel minder volgens vaste regels. Informatie, impulsen en indrukken worden niet opeenvolgend maar gelijktijdig verwerkt. Het denken is meer holistisch en imaginair. De verbeelding speelt een rol voor het begrijpen van de wereld om ons heen. Innovatieve mensen weten goed gebruik te maken van hun rechter hersenhelft. Ook in de bijdrage die ‘rechts’ aan de communicatie levert, zijn intuïtie en verbeelding van het grootste belang. De rechter hersenhelft richt zich op intonatie en accentuering in de spraak. De context en de pragmatiek van taal worden door ‘rechts’ vastgehouden. Bij de wiskunde gaat het aan de rechterkant van ons brein om de perceptie van vormen en beweging, en om verhoudingen tussen grootheden.

Nu we de twee verschillende ‘karakters’, die in ons brein samenwerken, wat hebben genuanceerd, kunnen we dit op Nietzsches mythologische tegenstelling projecteren. Het lijkt heel goed mogelijk om ‘links’ met Apollo te associëren en ‘rechts’ met Dionysos. Natuurlijk kan Apollo zonder de krachten van de rechter hersenhelft niet zijn status van alleskunner en supergod behalen en daarnaast lijkt het erop dat ook Dionysos “op één been niet kan lopen”. Om een echt natuurwezen te zijn heb je namelijk ook de basale, meer primitieve hersenfuncties en instincten nodig. Toch zien we een neurologische grond voor de tegenstelling tussen het exacte en rationele van Apollo en het imaginaire en intuïtieve van Dionysos. Na deze analyse en conclusie wordt het tijd om ons te wijden aan het hoofddoel van deze tekst: het bespreken van de verschillen tussen kunst en filosofie.

Kunst en filosofie als subjectieve faculteiten

Kunst bestaat in vele verschijningsvormen. Als er iets is dat subjectief is, een oorsprong heeft in het subject, dan is het kunst. Ik wil op deze plek heel weinig zeggen over smaak. Smaak en kunst hebben niks met elkaar te maken. Kunst is niet vies of lekker. Wanneer een kunstwerk je niet aanspreekt, dan is er in het beste geval sprake van miscommunicatie. Waarschijnlijker: er is helemaal geen communicatie. De kunstenaar en de beschouwer spreken elkaars taal niet.

Kunst moet om te beginnen een ervaring bieden. De aard, intensiteit en kwaliteit is daarbij van belang. Er wordt wel eens gezegd dat kunst een spiegel voorhoudt, maar dat is nu juist wat kitsch doet. Kitsch toont ons wat we al kennen en bevestigt onze kijk op de wereld. Kunst toont ons iets nieuws en helpt ons om in beweging te blijven. Door het interpreteren of doorwerken van de ervaringen die kunstwerken oproepen, ontwikkelen we ons perspectief. Hier komt de eis van de originaliteit die aan kunst gesteld wordt om de hoek kijken. Kunst moet spontaan zijn… naïviteit is dan ook geen enkel probleem. Wanneer een kunstenaar zichzelf uitgevonden heeft, een eigen vorm en een inhoud heeft, waar hij of zij achter staat en die naar buiten wil brengen, dan heeft dat bestaansrecht. Een gebrek aan kennis van ‘Grote Voorgangers’ is geen probleem, oorspronkelijkheid is voor kunst vele malen belangrijker dan traditie. Een filosoof moet de filosofische traditie echter wel kennen, spontaniteit lijkt voor hem niet essentieel en een beschuldiging van naïviteit een diepe belediging.

Omdat je met kunst niet kunt zeggen of laten zien wat wij allemaal al lang weten en allemaal al eerder gehoord of meegemaakt hebben, moet de kunstenaar geëmancipeerd zijn tot een subject. Peter Sloterdijk laat zien dat de mens geboren wordt als misgeboorte. Een baby kan niks en is dus niks. Een baby is nog slechts object. De baby wil waarschijnlijk het liefst terug. De moeder belooft het kind een mooi leven, maar kan het dit niet geven. De mens moet zichzelf beloftes doen en een pad voor zichzelf uitstippelen. De mens moet zich staande houden door zichzelf uit te vinden. Men moet een eigen identiteit creëren. Sommige mensen komen niet verder dan een groepsidentiteit. Deze mensen leren niet op eigen benen te staan. Zij zullen altijd terug blijven verlangen naar de veiligheid van de baarmoeder en zoeken daarom de veiligheid van de homogene groep. Een subject is iemand die voor zichzelf denkt en de eigen intuïties koestert. Het subject treedt in contact met anderen en communiceert met andere subjecten, maar gaat niet op in de massa en is geen kuddedier. Een kunstenaar staat in het nu, maar ontworstelt zich hieraan en reikt naar de toekomst. De kunstenaar biedt iets nieuws, een nieuwe manier om naar de dingen te kijken voor de mensen van nu en voor de mensen van de toekomst.

Ook een filosoof moet zich emanciperen en zichzelf tot subject vormen. Echter de banden met de traditie zijn voor filosofie van groot belang. De filosoof moet reageren op voorgangers en op culturele ontwikkelingen. De filosoof verbindt het heden met het verleden. De filosoof staat in relatie tot het publiek als iemand die laat zien waar we vandaan komen, die analyseert wat de mens tot stand heeft gebracht. De filosoof denkt in taal en drukt zich uit in taal. Een echte filosoof probeert regels en systemen te maken. Deze regels en systemen dienen om de massa, de kudde, te leiden; om de andere mensen te helpen bij het vinden van antwoorden op hun vragen.

Nietzsche ontwikkelde zich tijdens zijn carrière als schrijver van filosoof tot kunstenaar. Na zijn analyse van de Oudheid en de cultuurverandering van de Grieken waarbij het dionysische plaats moest maken voor het apollinische, probeerde hij het tij te keren en bracht hij zijn voorkeur voor de intuïtie en het pathos in de praktijk. Het romantisch devies van ‘terug naar de natuur’ vond bij Nietzsche een zeer bijzondere uitwerking. Het lijkt erop dat hij zich steeds meer liet leiden door de machten van zijn rechter hersenhelft. Holistisch denken, het kiezen van de weg van de verbeelding, het loslaten van kaders en regels en gerichtheid op de toekomst; het zijn de kenmerken van een vrije en innovatieve geest: de geest van een kunstenaar.

Een filosoof moet een goed ontwikkelde linker hemisfeer hebben. Taal en systeem spelen een centrale rol. Traditie en cultuurveranderingen in het verleden vormen met de analyse van het heden de belangrijkste input. Zo is Nietzsche ook begonnen, maar hij koos de weg naar ‘rechts’. Ook Agamben lijkt te strijden tegen de dominantie van de linker hersenhelft, onder andere door te wijzen op de imaginaire weg tot de waarheid. Terwijl een kunstenaar dus het apollinische links zou kunnen laten liggen, zal een filosoof altijd moeten proberen Apollo en Dionysos (via zijn corpus callosum?) te verbinden.

Categorieën: Uncategorized
getagged: , , , , ,