Maandelijks archief: oktober 2008

De pornografie van het geweld

Sinds enige tijd is er weer een nieuwe roman van de hand van de enige levende grootmeester van onze vaderlandse literatuur: Grunbergs negende, Onze oom. De latere neiging tot het schrijven over excessief geweld en abnormale seksualiteit heeft in dit boek een natuurlijke grond gekregen. In het oeuvre van Grunberg is een cesuur aan te brengen. Er is de vroege geweldloze periode en de huidige bloederige periode. Ook expliciete seks hoort daar blijkbaar bij. Het lijkt erop dat zijn pseudonym de schrijver de mogelijkheid bood om de stap naar het sensationele te maken.

Zijn eerste drie romans en het boekenweekgeschenk heb ik in volgorde van verschijnen gelezen. Seks speelt hierin een belangrijke rol, maar wordt niet pornografisch beschreven. Het gaat meer om de verlangens dan om de daad. Blauwe Maandagen gaat over hoerenbezoek en de relatie tot de moeder. De jongens in het briljante boekenweekgeschenk De Heilige Antonio zijn voortdurend bezig met hun seksualiteit, ontlenen zelfs hun identiteit aan de manier waarop ze geschapen zijn. Nooit wordt het echter plat of vulgair. Van Fantoompijn was ik danig onder de indruk. Was Figuranten al hogelijk absurd, Fantoompijn vormt de overtreffende trap van absurdisme. En toch is het geheel invoelbaar wat zich in de roman afspeelt. Dan verschijnt het eerste boek onder pseudonym ‘Marek van der Jagt’. Waarom deze roman niet onder de eigen naam is gepubliceerd, is inhoudelijk niet duidelijk. De geschiedenis van mijn kaalheid is een typische vroege Grunberg. Niet de gebeurtenissen op zich staan centraal, maar de manier waarop de hoofdpersoon deze beleeft. Er blijkt nergens iets van idealen en het geheel is verstoken van iedere moraal.

De Asielzoeker beoordeel ik nog steeds als Grunbergs beste boek ooit. Het is het meest ingetogen en verstilde boek. Er gebeurt vrijwel niets. Bij het lezen had ik aanvankelijk het gevoel dat Grunberg nu blind op zijn inmiddels sterk ontwikkelde persoonlijke stijl was gevaren. Het leek alsof hij de tekst bijna klakkeloos, zonder teruglezen op papier had gekwakt. Het volgende citaat uit Onze oom, bracht mij echter op andere gedachten. De voor Grunberg typische vrije associaties zouden wel eens heel doordacht kunnen zijn: “Alles wat er spontaan uitziet, dient eerst te worden georganiseerd, maar het moet er wel spontaan uit blijven zien. Zo is het in de literatuur, zo is het in de revolutie.” (p.549).

Gstaad 95-98 is het tweede boek onder pseudonym. Ditmaal is het raak. Ontlasting wordt herhaaldelijk afgelikt. Verkrachting wordt op lustvolle manier beschreven. De fascinatie met de pornografie van geweld en andere subversieve activiteiten is geboren. Het boek vervreemde mij. Het likken van de ontlasting vond ik nog wel verfrissend; het moorden een knieval voor de zucht naar sensatie. Grunberg laat het de Dirigent uit Onze oom aldus verwoorden: “De enige vorm van zingeving die is overgebleven voor de postindustriële middenklasse is te vinden in de pornografie van het geweld. In de angst en in de ontembare fascinatie ervoor vindt deze middenklasse betekenis. De afbeelding en esthetisering van geweld heeft voor deze middenklasse de plaats van het gebed ingenomen. Nu alle goden onttroond zijn en alle autoriteiten ontmaskerd, is er nog maar één werkelijke autoriteit overgebleven, staat er nog maar één god overeind, een democratische god, beschikbaar voor hen die bereid zijn niet terug te deinzen voor de consequenties: het naakte geweld. De bourgeoisie consumeert deze pornografie van het geweld als gekoelde rosé.” (p.554-555). Het lijkt erop dat Grunberg als Marek van der Jagt, die schrijft over een moordlustige sommelier, de mensen inderdaad rosé is begonnen te schenken. Misschien nog geen gemakkelijke zoete rosé en ook nog geen gekoelde, maar toch rosé.

Zoals Gstaad het ontstaan van een lustmoordenaar beschrijft, zo toont de novelle Het aapje dat geluk pakt het verworden van een diplomaat tot zelfmoordterrorist. Het is een lekker boekje, maar wederom vond ik de apotheose onnodig en armoedig. De Joodse Messias is een vreemd tussendoortje. De roman valt niet in de prijzen, wat zeer exceptioneel is voor Grunberg. Het boek kent memorabele scènes, zoals de hilarische perikelen rond de besnijdenis van de protagonist. Een bevredigend geheel wil het niet worden. Een nare smaak blijft hangen door de akelige utilitaire verkrachtingen in het park en verhaalwendingen die over de grenzen van het toelaatbare gaan. Was De Asielzoeker een subtiel meesterwerk, De Joodse Messias is een schreeuwerig boek zonder eenheid.

Tijd voor Tirza. Grunberg is terug. Het boek is een gigantisch commercieel succes en sleept opnieuw prijzen binnen. Ditmaal krijgt Grunberg het voor elkaar een rosé te serveren zonder fouten, mooi dieproze van kleur en heerlijk gekoeld. De hoofdpersoon mag dan een obscuur zoet wijntje drinken dat de schrijver telkens weer liefkozend en voluit “Italiaanse Gewürtztraminer” noemt, de roman is een vaardig gemaakte allemansvriend. En weer is daar die pornografische seks en die apotheose van geweld. En het flirten met terrorisme. Echt sterk is echter de manier waarop de hoofdpersoon tot leven wordt geroepen. Ook het personage van de moeder en de relatie tussen de gezinsleden is geniaal uitgewerkt. Dat Grunberg een vakman is, bewijst hij voor eens en altijd. Grunberg ontmaskert de menselijke geest als een voor mantra’s gevoelige brok zelfbedrog.

Deze vondst vervult een centrale rol in Onze oom. Om enige grip op de chaos te krijgen hypnotiseren de personages zichzelf en elkaar. Creatie en destructie liggen in de wereld van Onze oom heel dicht bij elkaar. De procreatie verloopt niet probleemloos. Onvruchtbaarheid, verscheurde gezinnen, oorlog en liefdeloze seks staan in een sterk verband dat zijn eigen logica kent. Misschien kom de roman pas na 250 bladzijden echt op gang, het is hoe dan ook de aanloop die het de bijzondere diepgang geeft. Ditmaal zijn het juist de verscheurde lichamen die een belofte inlossen en het verhaal een hogere graad van verwerkelijking verlenen. Ditmaal is het oorlog, krijgt het geweld een natuurlijke plek. Seks en geweld fungeren niet als smaakversterkers, maar zijn belangrijke ingrediënten van dit verhaal over het onvermogen tot creatie.

Onze oom – een recensie

Wat ik bijzonder vind aan het boek is de dehnung in het eerste deel. De lezer kijkt in het hoofd van de majoor en volgt al zijn gedachten, veel tijd verstrijkt er niet. Ook het verloop van de de gebeurtenissen rond het meisje Lina is boeiend, maar je vraagt je soms af wie er nu aan het woord is, terwijl er bij de majoor steeds duidelijk sprake was van erlebte rede: een externe vertellende instantie spreekt namens de majoor. Bij Lina is dat ook geprobeerd, maar zij blijft een mysterie, er bestaat lichte twijfel of het vertelde werkelijk in haar hoofd af kan spelen. Haar karakter is daardoor iets minder geloofwaardig.

De eerste helft van het boek gaat voornamelijk over de majoor. Er wordt in de verleden tijd verteld. De episode waarin de majoor aan zijn einde komt, staat in de tegenwoordige tijd wat de lezer dichter tot het personage brengt. Een zielige fascist wekt bij Grunberg zo toch nog sympathie. Het deel dat om Lina draait is geheel in de tegenwoordige tijd geschreven, maar zij komt als personage eigenlijk minder tot leven.  En wanneer er sprongen in de vertelde tijd gemaakt worden, neemt de afstand tot het personage toe. Het is ironisch te noemen dat Lina zichzelf dan in het verhaal letterlijk als een dode gaat beschouwen omdat ze haar overlijdensbericht in een krant vindt.

Het laatste deel werpt een blik ver vooruit en toont Lina aan het eind van haar leven. Zij blijkt van scherpschutter een succesvol wapenhandelaar geworden. Het zal voor de schrijver een belangrijke onderzoeksvraag zijn geweest: “hoe wordt een vrouw wapenhandelaar?”, zoals hij eerder onderzocht hoe lustmoordenaars en zelfmoordterroristen kunnen ontstaan… Had Grunberg dan niet met de chronologie kunnen goochelen? Ik wil bij een lineair verteld verhaal helemaal niet weten hoe het met een personage ‘verder gaat’. Zoals sommige vriendschappen verwateren of een geliefde uit je leven verdwijnt na een periode van intensief contact, zo mag ook een roman worden afgebroken, midden in het leven van een personage. Dan scheiden de wegen van lezer en karakter, het maakt de fictie alleen maar meer onderdeel van de werkelijkheid.

Requiem voor een nazi

Jörg Haider stierf een passende dood.

Jörg had haast. Hij moest naar de verjaardag van zijn moeder. Die werd negentig. Jörg kon het echt niet maken om weg te blijven. Dit was niet zoiets als de vijftigste herdenking van de slachtoffers van het concentratiekamp Mauthausen. Voor zulke onzin kwam hij niet opdraven, maar de negentigste verjaardag van zijn moeder, dat was wat anders. Als zijn moeder er niet was geweest, dan was hij er ook nooit geweest om te zeggen waar het op stond.

Wel had hij nog even wat gedronken: geen kinderachtige borrel, maar echt mannelijk gedronken. Misschien was het wat mistig, maar hij had deze weg al zo vaak gereden. Als hij die laatste dubbele niet had genomen, dan was hij zeker op tijd geweest. Nu zou het erom spannen… Even inhalen, die slome zak en… Godverdomme!

De Volkswagen Phaeton van meneer Haider maakt een slinger, ramt een paal van een verkeersbord, komt met een wiel in de berm, spint, raakt een betonpijler en een brandkraan, slaat meerdere malen over de kop en belandt dwars op de rijbaan. Ook dat is typisch Jörg, om dwars op de rijbaan te gaan staan, maar vooral dat spektakel! Wat een lust voor het oog! Wat een sensatie! Het volk zou ervan smullen.

Jörg was natuurlijk een fascist op leeftijd, hij was al teruggetreden als politiek leider, maar hij hield de touwtjes nog stevig in handen en als je naar zijn moeder keek, dan had je kunnen verwachten dat hij nog wel even mee kon. Toch was de uiterste houdbaarheidsdatum van Jörg allang verstreken. Jörg was rot. Als mens was hij altijd al defect. Nu pas laat zijn lichaam de echte Jörg zien. Zoals zijn denken een verwoestende uitwerking heeft gehad, zo is nu ook zijn hoofd verwoest. Zijn hart was hard als staal. nu heeft het staal zijn borst opengereten en het van zijn hart gewonnen. Zijn linkerarm was hem nooit tot nut, wat moest Jörg ook met links? Hij was rechts: extreem rechts zelf. Nu ligt daar zijn linkerarm, er nagenoeg afgerukt…

Deze oneervolle dood past bij de oneervolle manier waarop Jörg zijn leven heeft geleid. De man was een rechtse extremist en een fascist. Jörg was een populist en zette de mensen tegen elkaar op. Hij erfde rijkdommen die zijn familie zich tijdens de Entjüdung in 1939 had toegeëigend. Volgens het jaarboek 1995 van Jörgs partij, de FPÖ, waren de nazi’s niet de oorlog begonnen. Er stond dat de joden in 1933 de Duitsers de oorlog hadden verklaard en dat Hitler uit zelfverdediging moest handelen. De Oostenrijkse justitie beoordeelde dit als nazi-propaganda.

Echte mannen sterven in het harnas, zoals de Spartanen of de door Jörg aanbeden nazi’s van de Waffen-SS. Zij gingen strijdend voor hun idealen ten onder. Jörg drinkt een borrel of tien (1,8 mmol/l), stapt in zijn proletenbak en verliest vervolgens de macht over het stuur, terwijl hij met dubbel de toegestane snelheid (142 km/u) door de mist naar de verjaardag van zijn moeder scheurt. Het is de dood die past bij de rechtse zakkenvuller met een dubbele moraal die Jörg Haider was. Rust in vrede, Jörg.

De Tempel en de Kloof

Een pleidooi voor popularisering van kunstkritiek

“Oh, wij worden bekeken!”, concludeert een bezoeker op het terrein van museum De Pont tijdens een tentoonstelling van het werk van Job Koelewijn. De mensen die de oude textielfabriek naderen, zien een grote container met een rechthoekig zwart gat. Ze lopen erheen en kijken nieuwsgierig naar binnen. Er klinkt filmmuziek… en als hun ogen gewend raken aan het donker, zien zij mensen op bioscoopstoelen zitten. De rollen blijken omgedraaid: er valt niks te zien, men wórdt gezien. De mobiele bioscoop van Koelewijn (‘Cinema on wheels’) gaat terug tot de herkomst van het woord: een samenstelling van de Griekse woorden bios [leven] en skopein [kijken]. Wanneer je de beklede container betreedt, moet je eerst langs een lichtsluis, dan kun je plaats nemen in een bioscoopstoel in een ruimte van het formaat van een zaaltje in een klein filmhuis. In plaats van naar een projectie, kijk je door een gat naar het echte leven. Koelewijn toont hiermee letterlijk de functie van kunst: het bieden van een ander perspectief op de werkelijkheid.

De tentoonstelling in De Pont van het werk van Koelewijn kende vele hoogtepunten, waaronder lange muren van kaften van al dan niet geïllustreerde boeken, afgedekt door plexiglas waarlangs water naar beneden loopt; een klokkenwinkeltje dat heen en weer slingert; stapels ingesproken bandjes waarop de kunstenaar zijn favoriete boeken voorleest en enkele fotografische zelfportretten. Het zijn werken met een meer of minder universele aantrekkingskracht. Een criticus in de catalogus rekent juist één van deze foto’s, waarop de kunstenaar een torenhoge stapel glazen en dienbladen balanceert in een decor van newyorkse wolkenkrabbers, tot zijn beste werk. Maar wie begrijpt deze anekdote over de moeilijkheden van het kunstenaarschap, deze ver gezochte metafoor voor een weinig universeel probleem?

Bij sommige kunstvormen kan er een gapende kloof geconstateerd worden tussen de professionele mening van critici en de voorkeur van een publiek. Iedereen houdt van vernieuwend of verrassend werk, maar de vernieuwing waar veel kunstkenners op kicken is erg afhankelijk van de context. Zij steunt op hergebruik en opnieuw interpreteren van vormen en stijlen uit het verleden of op de dialoog met andere kunstenaars. Deze kunst gaat over kunst. Dit is begrijpelijk omdat de kunstkenner tot aan zijn nek in de kunstwereld zit, waardoor de kunst zelf zijn referentiekader is geworden. Hij heeft een voorkeur voor kunstenaars die ook ondergedompeld zijn in de wereld van het schone en verhevene. En dus zien we een toneelstuk in een toneelstuk, een film in een film, een schilderij in een schilderij. Hebben kunstenaars zich opgesloten in kunsttempels met prachtig glas in lood, zonder zicht op de buitenwereld? Blijft het theater mede daarom klassieke stukken opvoeren en herinterpreteren? Verwijzen kunstenaars daarom vaak overduidelijk naar hun voorbeelden? …In ‘Kill Bill’ speelt Quentin Tarantino hier op geraffineerde wijze mee: zijn hommage aan de pulp is een zuivere exercitie van de vorm. Een kunstcriticus kan ervoor kiezen het publiek in te wijden in dit soort bespiegelingen die de kunstervaring van een extra dimensie voorzien. De rijkheid van populaire kunst uitleggen is natuurlijk geweldig: het ontsluiten van minder toegankelijke kunst, door erover te schrijven vind ik nog mooier. Het is juist de kunst die vernieuwt en die tegelijk rijk is aan dimensies, waardoor een divers publiek wordt aangesproken. Autonome kunst die in een vrije relatie staat tot de kunsthistorische context devalueert de expertise van de criticus niet. Zijn professioneel oordeel schakelt tussen objectief en supersubjectief. Zo’n criticus zoekt naar een combinatie van het transcendentale met het aardse en van het verhevene met het universele, zoals in de sculpturen van een subliem kunstenaar als Anish Kapoor is te vinden (vertegenwoordigd in de vaste collectie van De Pont en Kröller-Müller).

Professionals uit de kunstwereld hebben een belangrijke educatieve en politieke taak. Zij bepalen welke kunst de kans krijgt het atelier te verlaten. Zij bepalen het kunstzinnig discours dat mede invulling geeft aan onze kijk op de wereld.Het gevaar, wanneer zij zuiver hun eigen ontwikkelde smaak volgen, is dat kunstenaars na een korte opleving afgedankt worden. Nadruk in het kunstbeleid op vernieuwing vanuit het elitaire l’art pour l’art-perspectief zorgt voor een verkorte receptieve cyclus. Het zal de kunstenaar spijten dat hij, na een korte opleving van aandacht, met zijn werk een wegwerpartikel van een elite blijkt. Het is ook jammer voor het grote publiek, omdat een potentieel aan bijzondere ervaringen aan de collectieve neus voorbij gaat en de massa hierdoor blijft hangen in het warme bubbelbad van de kitsch. Bij andere belangrijke kunstvormen is er van een onoverbrugbare kloof tussen de kenners en het grote publiek geen sprake. Filmcritici en liefhebbers van cinema zijn het vaak met elkaar eens. Ook bij (pop)muziek is er een gezonde wisselwerking tussen fanatiekelingen en genieters. Als zij het met elkaar eens worden over de kwaliteit van een nieuw geluid, volgt vaak – in een later stadium – ook het grote publiek.

Een voorkeur voor nieuwe dingen heerst niet alleen in de beeldende kunst, het is een typische karakteristiek van de mens als consument. Hoewel de ervaring van kunst veel dieper gaat dan het vergaren van bezit, is er een belangrijke overeenkomst: de mogelijkheid om je ermee te onderscheiden. Net als bij mode is verandering en vernieuwing essentieel. De sociale interactie tussen groepen, die ten grondslag ligt aan de receptieve cyclus van een kunstwerk, is vergelijkbaar met de wederzijdse beïnvloeding die de levenscyclus van een consumptiegoed bepaalt. Het product kent een aantal opeenvolgende levensfasen, die corresponderen met verschillende typen consumenten. Allereerst zijn er de innovators. Dit klinkt als iets heel productiefs, maar het komt erop neer dat je de eerste bent die iets koopt. Je bent als innovator een soort vrijwillig proefkonijn dat de voor- en nadelen van het nieuwe product test. Je wordt daartoe gedreven door nieuwsgierigheid. Dan heb je de early adopter. Hij wordt gedreven door verlangen. De early adopter wil steeds de eerste zijn die het product van de toekomst omarmt en heeft daar flink wat geld voor over. Na deze twee selectiefasen is duidelijk geworden of een bepaald product veelbelovend is. Nu volgen meer productiebedrijven en meer consumenten. Zij vormen de early mass. Dankzij deze fase is ieder risico geweken: er kan nu veilig worden geproduceerd. Goedkope namaak komt op de markt en ook de armste mensen kunnen zich het (voor hen) nieuwe product nu veroorloven: het is daarmee tijd voor de late mass om tot consumptie over te gaan. En dan is er nog het zielige staartje der laggers voordat het product een stille dood sterft.

In de wereld van de popmuziek kunnen we dezelfde cyclus constateren: een groep van nieuwsgierige muziekliefhebbers luistert alles wat nieuw is. Wat zij echt mooi vinden, bezoeken zij ook live. De muzikanten verwerven door optredens een grotere naamsbekendheid. Een tweede groep mensen volgt vanuit een verlangen naar spanning. Steeds meer aandacht zorgt voor een groeiende beroemdheid. De massa hoort nu de liedjes ook op de radio en de cd’s zijn steeds gemakkelijker en in grotere oplagen te verkrijgen. De band breekt nu door, de early mass stroomt toe als publiek. Nog even en iedereen kent de muziek. De tijd die intussen al verstreek is voor de muzikanten een periode van optreden, maar ook van opnemen. Vaak is er allang een tweede of zelfs derde album uit, voordat de massa hun muziek heeft opgemerkt. Als de band trouw blijft aan de succesformule, moet die in eerste instantie wel heel vernieuwend zijn geweest om daarmee lang in leven te blijven. Was de stijl slechts gematigd vernieuwend, of moest de band het voornamelijk van de energie hebben, dan is de kans groot dat de vroegste fans al zijn gaan lopen. Zo’n band stevent, blind door het succes bij de massa, af op een publiek van laggers en op een gewisse dood. Slechts nostalgie blijft over.

De hedendaagse beeldend kunstenaar zal, net als de muzikant, zijn werk constant moeten doorontwikkelen. Slechts een veelzijdig oeuvre vermag het de aandacht blijvend te wekken. Een verschil met de muziek is echter dat in de huidige situatie het toestromen van nieuw publiek niet onbelemmerd doorgang kan vinden. De kunst is vaak sterk contextafhankelijk, wordt exclusief ontsloten en spreekt slechts tot de ontwikkelde smaak. Dat er bij beeldende kunst van popularisering nauwelijks sprake is, duidt op een onoverbrugbare kloof tussen professionals en geïnteresseerden. Hier zijn verschillende mogelijke oorzaken voor aan te wijzen. Het probleem van l’art pour l’art heb ik hierboven al aangestipt, later ga ik hier verder op in en bespreek ik een alternatief. Nu wil ik eerst de vermeende desinteresse van het publiek in goede beeldende kunst behandelen. De massa consumeert muziek van harte, maar komt niet in de buurt van een museum. Een te smalle opvatting van beeldende kunst als museale kunst gaat hierin schuil. Bezoekersaantallen van musea kun je meten met kwantitatief onderzoek, maar voor het vaststellen van het effect van kunst in de openbare ruimte is kwalitatief onderzoek nodig. Hoe meet je bovendien de onbewuste effecten van kunstwerken op het dorpsplein of langs de snelweg? …Een bijzonder onderzoek dat in Antwerpen recent is uitgevoerd, brengt de kloof tussen kenners en het volk op pregnante wijze in beeld. Een kritische beschouwing van de methode is echter geboden. Cultuurkanaal Klara van de Vlaamse TV vroeg ’s lands (financieel) meest succesvolle kunstenaar Luc Tuymans midden in de stad op de muur één van zijn schilderijen te maken. Een flink aantal meters bedekte hij met zijn grauwe afbeelding van een stel copulerende aapjes in menselijk aandoende houding. Enkele duizenden bezoekers passeerden en nog geen 4% stopte om er even naar te kijken. Het onderzoek toont hiermee aan dat het overgrote deel van de burgers dagelijks voortjakkert zonder stil te staan bij het huidige moment. De overdaad aan visuele impulsen in het straatbeeld vormt overigens een goede en meer algemeen geldende verklaring voor de dufheid van de de passanten. Men ziet vandaag de dag zoveel reclame, er is zoveel ruis, dat een kunstwerk niet meer opvalt. Het onderzoek getuigt van een smalle en elitaire opvatting van de aard van beeldende kunst. Men presenteerde een schilderij van een ‘erkend kunstenaar’, maar dit zegt de meeste mensen niets. Erg duidelijk was de afbeelding niet en zeer gering waren de kleurcontrasten. Hoe zou het dan de aandacht moeten trekken te midden van veel geraffineerder vormgegeven en gepositioneerde reclameboodschappen? In plaats van het traditionele schilderij had men ook kunnen kiezen voor videokunst, animatie, of vormgeving van de leefomgeving zelf; het plaatsen van een beeld met meerdere dimensies of een architectonische ingreep. De belangrijkste conclusie echter, die men kan trekken uit het feit dat de normale Antwerpenaar aan kunst voorbij loopt, is dat in het beleid voor onderwijs en cultuur meer in het algemeen aandacht aan onthaasten, levenskunst en ‘de kracht van het nu’ besteed mag worden. Op de huidige wijze streven we toch onze doelen voorbij?

Het op straat aanbieden van hoog aangeschreven kunst blijkt geen oplossing voor de exclusiviteit van de beeldende kunst. Dit zegt evenveel over de reikwijdte van de indruk die deze kunst maakt, als over de interesse van het publiek. Zaak is om beide partijen te stimuleren elkaar de hand te reiken. Het type kunstwerken dat professionals selecteren voor aankoop of subsidie zou toegankelijker kunnen zijn. Kunst die rijk is aan dimensies, kunst met een universeel karakter, kan zowel de ontwikkelde smaak als de beginneling behagen. Doordat meerdere interpretaties op verschillende niveaus mogelijk zijn, kan een breed publiek uitgedaagd worden om buiten zichzelf te treden. Kunstkenners moeten daarvoor bereid zijn de kunst niet als distinctiemiddel te gebruiken. Ze moeten hiertoe hun preoccupatie met het gesprek tussen vakbroeders overboord zetten en hun educatieve taak ter harte nemen. In plaats van het verwerven van professionele status door het strikken van een kunstenaar die voor ingewijden hot is, richten zij zich beter op het behartigen van de belangen van zowel de kunstenaar als van het publiek.

Een kunstwerk als de mobiele bioscoop van Koelewijn is interessant voor kunstkenners, maar zal ook de massa aanspreken. Als gepopulariseerde variant op het gat dat de kunstenaar in de muur liet maken van de galerie van Fons Welters (‘The world is my oyster’) om in plaats van een representatie de werkelijkheid zelf te tonen, leent het zich voor ontsluiting aan een massaal publiek. De context die opnieuw geëvalueerd wordt is nu niet langer de galerie, relevant voor een klein deel van de bevolking, maar de bioscoop, relevant voor iedereen. Waarom worden er niet overal in Nederland exemplaren van neergezet? Voor mijn part gebruiken hangjongeren zo’n container om jointjes in te roken als het regent. Het zal hun horizon verbreden en ze een nieuw perspectief bieden. Naast keuze voor een meer universeel type kunst, is voor de toegankelijkheid ook de manier waarop de kunst wordt aangeboden van belang. Een obstakel ten aanzien van de popularisering van beeldende kunst is evenwel de authenticiteit van het werk. Een opera kan worden opgenomen en in het park op grote schermen getoond. Het kopiëren van schilderijen van Rembrandt of Van Gogh heeft weinig zin, hoewel het mensen ertoe kan brengen het werk eens in het echt te willen aanschouwen. Ik heb het dan ook niet over kunst uit het verleden, maar over actuele kunst. Het is aan de kunstenaars van nu om bestaansrecht te verwerven door hun perspectief dusdanig te conceptualiseren dat ontsluiting voor een breed publiek aantrekkelijk en zinvol wordt. Afbeeldingen op mokken zijn niet het hoogst haalbare resultaat. Het gat dat Koelewijn in de galerie sloeg had veelzeggend genoeg de grootte van een voetbaldoel… Symbolisch opgevat moet de actie bovendien twee kanten op kunnen werken. Door ramen te slaan in kunsttempels krijgen professionals weer zicht op de realiteit, tegelijkertijd kan de buitenwereld een blik naar binnen werpen.