Wat weet je van je voorouders? Waren zij zoals jij? Hadden ze dezelfde problemen, verlangens en geneugten? Wat betekent de tijd waarin je leeft voor je? Wij denken dat onze tijd wezenlijk verschilt van voorgaande periodes. Onze tijdsopvatting is lineair. De Tweede Wereldoorlog (bijvoorbeeld) maakt deel uit van onze geschiedenis… Denk je dat er onvermijdelijk een Derde komt, of hebben wij geleerd van de fouten uit het verleden? Zijn we in onze geestelijke ontwikkeling verder dan onze voorouders? Zijn wij meer bewust en wijzer?
Er zijn ook culturen die een circulair tijdsbesef hebben. Zoals het ook bij ons elke dag weer middag wordt, de zon ondergaat en opgaat, zoals ook wij ieder jaar de seizoenen zich in dezelfde volgorde zien herhalen… zo kunnen mensen geloven in een steeds wederkeren. Pas als je de jaren gaat tellen ontstaat er immers een tijdsbalk. Als je dat niet doet, dan krijg je het gevoel dat jij een soort reïncarnatie bent van je overgrootvader of -moeder. In culturen zonder jaartelling worden geboorte en overlijden gevierd met rituelen van overgang. Voorouders worden geesten en geesten worden weer nieuwe kinderen.
Wij weten dat we een unieke genetische code hebben, die is samengesteld uit die van onze ouders, die weer is samengesteld uit die van hun ouders. Hoewel je dus elementen van je voorouders met je meedraagt ben je geen kopie. Maar laten we deze wetenschappelijke kijk op de zaak eens van ons afzetten en naar de psychologie van elkaar opvolgende generaties kijken. Wat betekent het voor ons te weten dat er voor ons mensen waren en na ons mensen zullen zijn? En hoe gaan wij om met de confrontatie met deze wetenschap, die wij treffen in de nagedachtenis aan overledenen en de omgang met jongere generaties (die ons ruim zullen overleven)?

Gevestigde generaties staan in onze cultuur erg wantrouwend tegenover nieuwe generaties. Vorige generaties worden geïdealiseerd, terwijl de jeugd wordt gedemoniseerd. Een belangrijk verwijt aan het adres van de jeugd is hun gebrekkige kennis van de geschiedenis en hun schaarse gevoel voor traditie. Tegelijk is de manier waarop er omgegaan wordt met de ‘geesten’ van de vorige generaties er een van krampachtig vasthouden. De ideeën van de helden die Willem van Oranje en Frederik Hendrik waren geweest worden als breekbare porseleinen beeldjes achter slot en grendel in een vitrine bewaard. (Musea en universiteiten functioneren als porseleinkast van de geest). De jeugd mag er wel naar kijken, van een afstandje, maar er niet aankomen (we willen de boel graag de boel houden). Hitlers nagedachtenis wordt kunstmatig in leven gehouden, we doen alsof hij nog steeds actief is in onze wereld: als stand-in voor de duivel waart zijn geest over de aarde rond. Pas als we de herinnering aan helden en verschrikkers laconiek tegemoet kunnen treden, met spot en ironie of zelfs met onverschilligheid behandelen, ontstaat er ruimte in het heden voor nieuwkomers.
Het betreft hier een zeer subtiel spel, vergis je niet: ik ben een voorstander van geschiedenisonderwijs en ik ben dol op musea. Ik heb alleen moeite met de afstand die gecreëerd wordt tussen erflaters en erfgenamen. Waarom bepaalt een generatie die gearriveerd en gevestigd is hoe er met de geschiedenis omgegaan dient te worden? Door het beeld van vorige generaties niet over te geven aan het continuüm van de circulaire tijd, sluiten ze de geesten op in een ‘aardse illusie’ van lineair tijdsverloop. Historische figuren dolen als het ware rond in een tussenwereld. Als levende doden vinden zij geen rust. Als gevangen geesten zijn zij ontdaan van hun meervoudige dimensies. Door van voorouders karikaturen te maken en die bovendien in een sfeer van onaantastbaarheid te plaatsen snijden de ouderen de jeugd af van hun wortels. En dat is precies wat een historische canon doet. Waar geen ruimte is voor een dualistische visie, waar de dialoog opgeofferd wordt aan een voorgekauwde historische beleving, eindigt het geschiedenisonderwijs en begint de propaganda.
Het idee dat nieuwkomers zich moeten aanpassen is verwerpelijk, zelfs walgelijk te noemen. Of we nu uitgaan van een studentenhuis of van een natiestaat: iedereen moet zich toch constant aanpassen aan een continu veranderende omgeving. Niets is wat mij betreft heilig en niets mag eenzijdig als kwaad worden afgeschilderd. Kinderen zijn geen indringers, zij zorgen voor vernieuwing. Verandering werpt nieuw licht op oude zaken.
Inspiratie: History and play – Giorgo Agamben
1 antwoord so far ↓
joyce maas // 30 november 2008 bij 0:29 |
Ik heb niets met geschiedenis (wel met musea), je verhaal sterkt me daarin. Ik houd ook niet van inperking/beperking, kennelijk zijn dit gekoppelde genen. Geef de nieuwe mensen met hun eigen ontwikkeling de kans, zij dragen toch de geschiedenis in zich. Dus waar maken we ons druk om? Dat stomme historische besef houdt de ontwikkeling aardig tegen… Althans de mensen die het daarin voor het zeggen hebben, zo lijkt je verhaal te zeggen. Zonde is dat!
Goed punt van je!