Categorie archief: Filosofie

Lamme en de blinden

Een wedstrijd met een hoge inzet

De discussie over het bestaan van de vrije wil is er een met een lange traditie. (Voor een schets van enkele aspecten van deze discussie, zie deze lezing). Steeds staan er twee kampen tegenover elkaar die vechten om een hoge inzet: het geldende wereld- en mensbeeld. Wij vragen, is de mens als individu machtig of nietig? Zijn wij door de Natuur geprogrammeerde automaten? Zijn wij door God bepaalde schepsels? Zijn wij Sociaal gedetermineerde schapen? Is het individu ondergeschikt aan de wetten van de Kosmos, aan de voorzienigheid van de Heer, aan de sociaaleconomische druk van het Collectief – of zijn wij heersers in ons eigen hoofd?

De discussie over vrije wil, de ontkenning of bevestiging van het bestaan daarvan is van belang voor het project dat ieder individu van de ontwikkeling van zichzelf maakt; meer of minder ambitieus, soms gestimuleerd of gedwongen door de omgeving.

Brein versus Psyche? …Ja hoor!

Twee wetenschappelijke stromingen staan tegenover elkaar, de klassieke psychologie en de neuropsychologie. Freud begon als hersenonderzoeker, maar omdat dit terrein zo moeilijk en ingewikkeld was, verwachtte hij hierin geen daverende successen die hem roem zouden verschaffen. Hij gooide het over een andere boeg en vond de psychoanalyse uit. De psychoanalyse heeft honderd jaar lang gefloreerd, maar is nu aan het verwelken. Misschien is het tijd om te conserveren, dan houden we nog een mooi droogboeket over. Nu het moeilijker is om voor deze behandeling vergoeding te krijgen, en onderzoek uitwijst dat de menselijke relatie tussen therapeut en patiënt de enige voorspeller voor de slaagkans van behandeling is, is het verstandig hierin de meerwaarde te zien en verworvenheden te consolideren. Want de psychotherapeut kan nog steeds emotionele, mentale en gedragsproblemen verhelpen. Blijkbaar gebeurt er iets in het brein onder invloed van de contacten met de therapeut.

Het is absurd om de termen ‘brein’ en ‘psyche’ als twee verschillende zaken tegenover elkaar te plaatsen, het ene zou materieel en het andere geestelijk zijn. Het zijn twee kanten van dezelfde medaille. Wetenschappelijke bevindingen en ontdekkingen kunnen niet zonder concepten, metaforen, beelden en verwijzingen. Niet alleen moeten subjectieve ervaringen door een wetenschappelijke methode worden geobjectiveerd, ook moeten exacte waarnemingen door conceptuele modellen worden gevangen en in een context worden geplaatst. De neuropsychologie en klassieke psychologie hebben elkaar nodig – en laten we niet vergeten dat filosofie en literatuur een belangrijk deel van de conceptuele basis vormen.

Maar neurowetenschappers en psychologen slaan elkaar liever de figuurlijke hersens in. “De vrije wil is een construct, dus bestaat ze niet!” “Misschien is het een construct, maar daarom niet minder wezenlijk of waar!” “Nietes!” “Welles!” Het is eigenlijk geen wetenschappelijke strijd, maar een strijd om een plek op het toneel. De neuro’s vinden dat de psycho’s lang genoeg op het podium hebben gestaan. Zij mochten jarenlang vertellen hoe ons hoofd in elkaar zat, maar nu zijn ze uitgeluld en zijn anderen aan de beurt. De Neuro’s hebben naar eigen zeggen veel betere kennis, veel wetenschappelijker. De tijd van de literair-intuïtieve pseudowetenschap is voorbij! (Vinden zij).

Populair hersenvoer

Nu de neuro’s eindelijk de aandacht hebben, die ze al jaren denken te verdienen, verschijnt er een massa aan populair hersenvoer. Victor Lamme heeft een schaamteloos spectaculair boek geschreven: “De vrije wil bestaat niet”. Op de voorkant prijkt een olijke optocht pinguïns en van de eerste pagina’s druipt het onder bizarre omstandigheden vergoten mensenbloed.  Het grootste deel behandelt allerlei wetenschappelijke experimentjes die uitwijzen dat onze verklaringen voor gedragskeuzen veelal op fantasie berusten. De teneur is dat het handelen van mensen en de keuzes die zij maken niet vrij maar gedetermineerd zijn. Lamme heeft gevonden dat er in ons brein allerlei (onbewuste) processen gaande zijn, die met elkaar botsen en elkaar bekrachtigen, waar onze gedragingen en keuzes een slechts een gevolg van zijn. Er is geen overkoepelende instantie die een afgewogen beslissing maakt. In ons hoofd geldt niet de regel: de meeste stemmen gelden, maar zij die het hardst roepen, worden gehoord. Net als in de populaire wetenschap eigenlijk.

In een ander boek “Het slimme onbewuste” van Ap Dijksterhuis worden veel van dezelfde experimentjes genoemd en wordt daaruit ook de conclusie getrokken: er is nauwelijks verbintenis tussen bewustzijn en cognitieve controle. Een belangrijke conclusie, die voor velen een eyeopener zal zijn. Daar zou je het bij kunnen laten. Je hoeft niet vol te houden dat –  omdat een statistische meerderheid beperkt bewustzijn en gebrekkig zicht op de eigen motieven en bronnen van gedragskeuzen laat zien – moet worden geconcludeerd dat de vrije wil geheel niet bestaat. Lamme zelf draagt zijn boek op aan Joke, zijn enige vrije wil. Verder laat hij geen uitzondering toe in het mens- en wereldbeeld, dat hij met ons deelt. Dat de experimentjes die hij bespreekt gaan over het uitkiezen van sokken en posters en niet over het kiezen van partners en banen, vind ik nog tot daaraan toe. Ik denk echt dat grote groepen mensen (misschien wel een krappe meerderheid) hun levensgezel, beroep, of volksvertegenwoordigers kiezen zoals zij een poster uitzoeken of een paar sokken kopen. Toch zijn er ook mensen, die op latere leeftijd besluiten medicijnen te gaan studeren en psychiater worden (McGilchrist, zie slot) of die niet voor de eerste de beste partner settelen, maar net zolang zoeken totdat hun meisje het glazen muiltje past (Lamme).

Dijksterhuis ontplooit een positieve onderneming, hij neemt het op voor ons onderbewuste – op de voorkant van zijn boek verbeeldt men het heel mooi met een half onder water genomen foto van een ijsberg. De mens heeft geen onderwatercamera om af te dalen in zijn psyche en ons bewustzijn is slechts het topje van de ijsberg van mentale processen. Dijksterhuis ontkracht de illusie van een ratio als lichtende leider van ons denken en doen. Veel processen zijn intuïtief, en dat is maar goed ook: de beste beslissingen neem je zonder er bewust over na te denken. Lamme concludeert dat we maar beter helemaal niet na kunnen denken. Van zijn betoog gaat een verlammende werking uit. Hij stelt (ook in een groepsgesprek georganiseerd door de Groene Amsterdammer): “alles wat wij doen, wordt door ons brein gedetermineerd”. Zijn ontwikkelingspsychologie stelt het nu als (t=0). Het verleden is een onveranderlijk gegeven. Wat wij doen of beslissen komt voort uit de balans die op dat moment in ons brein bestaat, waar wij verder geen invloed op hebben, een product van aanleg en historie, van nature en nurture. Iedere nieuwe ervaring die door ons handelen en onze gedragingen ontstaat, oefent weliswaar weer invloed uit op ons brein – natuurlijk is het neurologisch evenwicht wel veranderlijk – maar daarmee ontstaat alleen een nieuwe (t=0), een nieuwe interne status quo die ons in de ban heeft…

Dick Swaab zegt: “Wij zijn ons brein”. Hoe verhouden Swaab en Lamme zich tot elkaar? Beide zijn hersenonderzoekers en beide benadrukken onze genetische bepaaldheid. Swaab heeft tegen de stroom in veel betekend voor de erkenning van homoseksualiteit. Toen hij ontdekte dat een homobrein anders is dan een heterobrein en dit wereldkundig maakte, werd hij versleten voor fascist. Hij hield echter vol en nu de wereld klaar is voor dit soort inzichten, zijn velen hem dankbaar. Homo’s voelen zich begrepen en gezien, door zijn ontdekking. Maar dit terzijde. Swaab en andere neurowetenschappers met hem zeggen: het brein heeft een genetische blauwdruk met ingebouwde talenten, mogelijkheden, zwakten en risico’s. De genetische blauwdruk is het door de natuur geprogrammeerde stuk van het brein, met daarin allerlei schakels en variabelen die onder invloed van de omgeving tot wasdom of uitdrukking kunnen komen, of niet – in zieke en gezonde zin. De invloed van de omgeving is in de eerste plaats de macht van de cultuur of het collectief, we zijn immers groepsdieren. Ook de geografische, klimatologische en architectonische (stedelijk of dorps, industrieel of agrarisch) omgevingsfactoren hebben hun uitwerking op de ontwikkeling van ons brein. De discussie nature/nurture lijkt hiermee beslecht. Nature is de winnaar: wat niet in genetische aanleg aanwezig is, zal niet tot uitdrukking komen. Nurture krijgt de prijs voor de meest overtuigende bijrol, van alle externe factoren is de sociale de belangrijkste. Wel moet nurture dan in ruime zin worden opgevat, niet slechts als opvoeding, maar als het geheel van sociale invloed. Als je de twee stellingen naast elkaar zet en taalkundig beschouwt, valt op dat waar Swaab (met gevoel voor lyriek) de mens, zijn geest en zijn brein volledig laat samenvallen: Wij zijn ons brein. Lamme lijkt de mens en zijn brein naast elkaar te zetten. Volgens Lamme is er geen dirigentje dat de controle voert. Hij heeft het over ons gedrag (“alles wat wij doen”) in de lijdende vorm: het wordt gedetermineerd. Maar wie of wat is dan in hemelsnaam bij hem het “wij”? Wat overblijft is een lege huls, ternauwernood valide als rechtspersoon.

“En nu we het er toch over hebben…”

Maar Lamme heeft ook zo zijn idealen. Als wij de illusie van de vrije wil afgeschud hebben, redeneert Lamme, dan kunnen we eindelijk pragmatisch onze samenleving gaan inrichten. De  populaire paralyse, die zijn boek is, voert hij naar een nogal nihilistisch slotbetoog, waarin wordt betreurd dat een onevenredig groot deel van de juridische aandacht en medische zorg, tijd en geld, gestoken worden in een hopeloze groep misdadigers: de ter beschikking gestelden. Volgens Lamme worden wij allemaal bepaald, is goed en slecht gedrag gedetermineerd. Wij zijn allemaal ontoerekeningsvatbaar, dus ook alle misdadigers. Het onderscheid tussen misdaad in een opwelling en met voorbedachten rade dient te vervallen, want momenten van reflectie zijn waardeloos. Het beste is het om onze middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten. Kijk naar het brein, analyseer de zwakten en risico’s. Ontwikkel en pas methoden toe om de zwakke plekken te stutten en de risico’s te minimaliseren. Doe dit bij iedereen, niet alleen bij de meest hopeloze gevallen – ga zelfs waar mogelijk preventief aan de slag. Ons rechtssysteem houdt erg veel rekening met zielige geschiedenissen en zwakke en gebrekkige geesten. Vrouwe Justitia zou blind moeten zijn, maar is dit niet. Er wordt door haar oneigenlijk gediscrimineerd. Impulsieve mensen worden coulanter behandeld dan bedachtzame mensen, domme mensen krijgen meer respijt dan intelligente mensen. Mensen met stoornissen of overhoop liggende levens, zij kunnen er volgens haar niets aan doen. Maar volgens Lamme kan niemand er iets aan doen. Dat is zijn ideaal. Lamme ziet dat de blinddoek van Justitia is afgezakt en knoopt hem opnieuw vast.

Ik vind het prima dat iemand vraagtekens zet bij de praktijken van collega’s. meer voorzichtigheid is geboden als men zich gaat bemoeien met een ander werkveld. Lamme bemoeit zich te pas en te onpas met de forensische psychiatrie en -psychologie. Ieder optreden van Lamme verzandt in geraaskal over de TBS. Zo begint hij een column bij de griep van een prinses, om via het veroordelen van de werkwijze van bejaardenverzorgers, te eindigen met een sneer naar het forensisch veld: “Bij het Pieter Baan centrum denken ze te weten wat iemand gaat doen op basis van diens mooie praatjes, of observaties van gedrag. Tegen dat soort psychologen zou ik willen zeggen, breid uw diagnostisch arsenaal eens uit. Meet eens wat hersenactiviteit. Of beter nog, twijfel ook eens aan uzelf!”. Degene die eens aan zichzelf en zijn bevoegdheden en kwalificaties mag gaan twijfelen, lijkt mij in de eerste plaats Lamme zelf. Lamme ziet hersenonderzoek als een doel op zich. Het enige wat je in zijn optiek verder nog nodig hebt is statistiek. In het gesprek bij de GA: “Op basis van scans is seksuele voorkeur met 95 procent nauwkeurig vast te stellen. Waarschijnlijk ook of je seksueel aangetrokken bent [sic] door kinderen, en wellicht zelfs of je daar wat mee gaat doen. Maar moeten dan alle priesters en zwemleraren onder de scanner? Dan moet degene die dat beslist wel voldoende verstand hebben van statistiek. Je kunt wel bijvoorbeeld een betere afweging maken of je iemand al dan niet op proefverlof stuurt.” Zijn beweringen berusten op waarschijnlijkheden en mogelijkheden. We mogen aannemen dat Lamme inderdaad het liefst iedereen onder de scanner legt. En een betere afweging? Beter dan wat? Zijn gesprekspartner, hoogleraar strafrecht Ybo Buruma “is het er in theorie volledig mee eens. ‘Inderdaad worden in de tbs vaak risico’s op gutfeeling ingeschat.’” Buruma is zelf geen rechter. Leest hij de adviezen van de getuigen deskundige? Hebben de heren al van gestructureerde risicotaxatie-instrumenten gehoord en van intersubjectieve beoordeling? Gutfeeling, my ass! Er wordt zonder omhaal blijk gegeven van minachting voor het werk van anderen.

Buruma vervolgt dat hij beducht is voor het volledig openzetten van de deur van hersenonderzoek voor de rechtspraak en met name van preventief ingrijpen op basis van “gelegitimeerde risicotaxaties”.  Hij is dus wel van het begrip op de hoogte, misschien niet van de precieze inhoud en wetenschappelijke status. Weet Buruma eigenlijk überhaupt wel wat voor maatregel het opleggen van verpleging van overheidswege is? TBS is preventief ingrijpen. TBS wordt opgelegd wanneer ernstige delicten niet of slechts ten dele kunnen worden toegerekend. Gedwongen behandeling in een gesloten omgeving moet de risico’s voor te toekomst op herhaling beheersen. Dat is pure preventie en geen straf.

De weledelzeergeleerde heren bedoelen het allemaal best, ze hebben ideeën en idealen, maar het is allemaal zo beperkt houdbaar. Ik zie de tegenstelling tussen hen als vertegenwoordigers ongeveer zo:

Ik denk dat iemand als Buruma uitgaat van de gelijkheid van mensen en van het ideaal van de vrije wil of het recht op zelfbeschikking. Een normaal mens is vrij om goed of kwaad te doen. Iemand die kwaad doet, doet dit uit een afweging van voor- en nadelen, van risico’s en gewin. Straf is onderdeel van het spel. Iemand die niet door empathie geleid wordt, moet met nadelige gevolgen van daden worden geconfronteerd. Het construct van de vrije wil is praktisch aanvaardbaar omdat het een beloning voor het goede en constructieve vormt. Mensen kunnen zich laten voorstaan op hun goede en respectabele gedrag als een verdienste. Dit motiveert om eisen aan jezelf te stellen. Slechts bizarre en gestoorde mensen kunnen worden ontzien. Hun misdaden worden hen niet toegerekend, zij vormen de uitzondering die de regel bevestigt. (Zij wekken medelijden en zorgbehoefte). Wanneer er teveel aan preventie wordt gedaan, komt de vrije wil in het gedrang. Onnodige inperking daarvan is immoreel.

Personen als Lamme gaan uit van het ideaal van de (onvoorwaardelijke) gelijkwaardigheid van de mens. Zij die zich verheffen, doen dit niet uit vrije wil en kunnen zich er niet op laten voorstaan. Zij zijn gunstig gedetermineerd. Iedereen die de fout ingaat, is ongunstig gedetermineerd. Straf en beloning zijn dus immoreel. Het maakt niet uit of iemand volledig de weg kwijt is en tot bizarre onbegrijpelijke daden overgaat; of iemand door woede, haat en vernietigingsdrang tot moord komt; of vanuit ijskoude berekening. Het verschil tussen moord en doodslag is ideologisch bepaald. Kwade opzet, motieven gericht op meetbaar gewin wekken meer afschuw en moreel afwijzen dan een crime passionel. Dit onderscheid is emotioneel en niet wetenschappelijk. Het enige dat zou moeten tellen, is preventie. Alles wat (wetenschappelijk gemotiveerd) kan worden gedaan om mensen op het goede pad te houden, is geoorloofd. Zowel op het gebied van behandeling als van beveiliging. Wanneer straf op efficiënte wijze zorgt dat de misdadiger tot inkeer komt, is dit middel als preventiemaatregel gerechtvaardigd. Kan het goedkoper en sneller, dan moet het anders. Het is zonde om zeer veel te investeren in de meest hopeloze gevallen (TBS).

Ik hoop dat we de twee visies hierboven kunnen verenigen, beide zijn op zichzelf te eenzijdig en rigide. Beide visies hebben zo hun goede punten.

De ontmaskering

Hersenlui zeggen: we kunnen in het brein ver voordat iemand iets doet (en zich bewust wordt van een keuze) al zien wat hij gaat doen. Mensen worden volledig bepaald door de balans in hun hoofd en verzinnen pas achteraf een verklaring of reden… Als je een organisme door de lucht gooit en het halverwege de beschreven baan een bewustzijn geeft, dan zal het aangeven dat het de koers bewust gekozen heeft en er eventueel ook nog een motief bij geven. Zo is het met de mens gesteld. We worden gemakkelijk verleid en misleid, zonder dat we het doorhebben. We handelen intuïtief en praten achteraf recht wat krom is of andersom.

Lamme wil de mensheid een spiegel voorhouden, ficties ontmaskeren, ons de ogen openen… dat kan echter ook anders. Frans de Waal deelt met ons zijn biologisch perspectief. Hij doet dit uit respect voor de dierenwereld en uit zelfrespect, respect voor de eigen soort. De Waal zegt: wij houden onszelf voor de gek. Wij noemen een mooie moraal, grootmoedig gedrag en empathie menselijk. Destructie, moord, geweld en verkrachting noemen wij beestachtig. Dat is niet eerlijk. De Waal laat zien dat onze edele neigingen evengoed bij dieren veelvuldig worden teruggezien, terwijl het soms moeilijker is om onze aberraties op de natuur te herleiden. Nu Lamme. Ook hij vindt dat we ons tekort doen en voor de gek houden. Bewuste processen worden overgewaardeerd. We kloppen onszelf op de borst en spreken van verdienste, waar dit slechts gevolgen zijn van onze aanleg en historie. Ook Lamme laat zien dat er collectieve illusies door te prikken zijn. Maar waar we bij Frans de Waal iets terugkrijgen voor het opgeven van onze grootheidsideeën – een lidmaatschap van de club der primaten – biedt Lamme ons niets.

Slot: Opnieuw de vrije wil

Er zou geen wil zijn, want we zien geen aanwijsbare overkoepelende entiteit in het brein. De geest is een product van de fantasie en dan zou de gevestigde orde van klassieke psychologen plaats moeten maken voor de nieuwe generatie neuropsychologen. Materie komt in de plaats van lucht.

Zenuw is sinew is vezel. Neuron betekende in het Oudgrieks (spier)vezel. Hersens zitten in je harsens en deze beide woorden stammen van voorvaderlijke verwijzingen naar de schedel. Voor de grote Freud en nog lang daarna was deze schedel een black box. Natuurlijk zijn onderzoekers als Swaab en Lamme – die hun wetenschappelijke zaklamp in die doos steken – materialisten pur sang, dat is op zich niet zo erg. Maar als Lamme zijn bundel verplaatst, verdwijnt het zicht hier en valt er een invalshoek daar. Hij ziet een hoop, leert en begrijpt een boel, maar er ontstaat geen totaalbeeld, allen de ontkenning daarvan. Delen zijn te bevatten, maar het geheel kan niet worden overzien. Een geheel zou moeten worden geconceptualiseerd, daarvoor moet je psychologiseren en zelfs filosoferen – en dat is niets voor een materialist.

En toch hebben we een verhaal nodig. ‘Theory of mind’ is een mooi voorbeeld van een filosofisch/psychologisch construct, dat tegelijk gebaseerd is op wetenschappelijke experimenten en intuïtie. Het idee ervan is dat de mens zich onderscheidt van andere diersoorten doordat hij een verregaand vermogen heeft zich in een ander in te leven. Mensen kunnen een voorstelling maken van een bewustzijn buiten zichzelf. Lees en interpreteer deze passage maar eens: “Ik weet dat hij gelooft dat zij mij voor de gek houdt en dat ik erin trap. Hij weet namelijk niet dat ik met haar onder een hoedje speel. Het is hij die voor de gek gehouden wordt!” . U snapt dit ongetwijfeld. Kinderen ontwikkelen dit vermogen rond een jaar of 4. Autisten hebben er extreme moeite mee en ook een mensaap staat evolutionair op de drempel het vermogen te verwerven een voorstelling van de geest van de ander te maken. De mens zal zelf ook op een evolutionaire drempel staan. Misschien hebben sommigen van ons al een basaal en primitief kiempje van vrije wil, terwijl anderen zover nog niet zijn. Het is voor een genuanceerde discussie niet goed om de mensheid als homogene groep voor te stellen. Statistiek zegt iets over de norm, de modus, over het gemiddelde. Het zegt niks over de uitschieters, die ons tot voorbeeld kunnen strekken. In plaats van een discussie over het bestaan van de vrije wil zou er een discussie over de aard van de vrije wil gevoerd moeten worden. Ik noem hieronder enkele auteurs die zich voor deze discussie hebben ingezet.

Nietzsche kwam met de Wille zur Macht als bron van leven, als de levenskracht zelf. De slavenmoraal van de christencultuur haalde het krachtige individu omlaag en eiste dat het zich conformeert aan het collectief. Dat stond de individuele vrijheid in de weg. En het was aan het individu zelf om zich daarvan los te maken. Erich Fromm stelde dat wij uit angst voor eenzaamheid onszelf in de tang namen en onze individuele vrijheid vrijwillig opgaven en dat wij de confrontatie met onszelf – met onze eigen (on)vermogens tot scheppen en liefhebben – moesten aangaan.

Iemand die het als neurowetenschapper aandurft de fundamenten voor een hernieuwd mensbeeld te leggen, is Iain McGilchrist. Als literator en psychiater, vanuit een jarenlange klinische ervaring en cultureel geschoolde achtergrond, schreef hij “The Master and his emissary”. Bij het doorbladeren en lezen van Dijksterhuis’ boek moest ik vaak denken aan dit superieure werk. In plaats van de (klassiek psychologische) tegenstelling bewust – onbewust werkt hij de metafoor van de twee verschillende werelden van de linker – rechter hemisfeer uit. McGilchrist nu theoretiseert dat onze persoonlijke vrijheid verloren gaat (of dreigt te gaan) in een innerlijke strijd tussen de hemisferen, waarbij de in aanleg ondergeschikte linkerhersenhelft steeds vaker als overwinnaar uit de bus komt. Het is de linkerhelft – die wil grijpen en weten, die alleen ziet wat het al kent, alles letterlijk neemt en een absolute kijk heeft op de wereld, waarin het eigenbelang voor alles gaat – die als precisie-instrument niet meer in dienst wil staan van de rechterhelft. De rechterhelft – die gelooft, het geheel omvat, oog heeft voor nieuwe zaken, verschillende belangen afweegt, gevoel heeft voor verhoudingen en relaties, verbanden legt – wordt overmeesterd door zijn zendeling, waar een voortdurende vriendschappelijke strijd en samenwerking voor beide helften het beste was geweest (aangezien ze onder één schedeldak tot elkaar veroordeeld zijn). Links en rechts kunnen elkaar aanvullen en beconcurreren en samen boven zichzelf uitstijgen, als som meer dan de delen. Echter, door culturele evolutie mag de linkerhelft steeds verder opklimmen tot dominantie en dreigt een verlamming van de vermogens van rechts. Dit zien we terug in de belachelijke welles/nietes-discussie over het al dan niet bestaan van de vrije wil – waarbij soms de achterliggende motieven die lijken te spelen, zich richten op de macht van het spreken en gehoord worden en niet om het leveren van een constructieve bijdrage aan het discours. McGilchrist zelf zegt zich te realiseren dat zijn verhaal over de lateralisatie, over de verschillende stijlen van de linker en rechter hemisfeer de werkelijkheid simplificeert en generaliseert, zijn boek is misschien niet veel meer dan een uitgebreide metafoor. Maar aangezien het juist een van de unieke vermogens is van de rechterhelft om in beelden en analogieën te denken, zou het McGilchrist met trots vervullen als zijn werk als metafoor voortleeft

De Gouden Regel

De kerstgedachte: heb jij jouw goede daad al gedaan? Zijn we allemaal uit vrije wil en met overvloedend hart op de altruïstische toer..? Het is misschien voor sommigen wat veel gevraagd. Laten we minder ambitieus zijn en in ieder geval proberen onze naasten geen kwaad te doen. (Er wordt al zoveel ruzie gemaakt rond de kerst). “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet”. Wat betekent dat voor jou? En vooral: wie is dan die ander?

Cultuurkritiek op kerstavond: een klein beetje pastorale zorg.

Nietzsche stelt dat het uitgangspunt van de gouden regel is, dat iedere slechte actie vergelding afroept. Hij vindt het niet fatsoenlijk om bang te zijn dat je van een slechte daad uiteindelijk zelf de dupe wordt. “wie een kuil graaft voor een ander…”. Nietzsche vindt het juist fatsoenlijk om onverschillig te zijn voor de gevolgen die je acties voor jezelf kunnen hebben.

De Gouden Regel is volgens Nietzsche erg geschikt om mensen van elkaar te onderscheiden. Zij die haar aanhangen zijn kuddedieren (christenen). Zij vinden namelijk dat iedereen gelijk is. Want pas dan zou de regel van toepassing zijn. Volgens Nietzsche is de gouden regel het tegenovergestelde van “Qoud licet Iovi, non licet bovi”Wat Jupiter geoorloofd is, mag een rund nog niet. Voor de christelijke god zijn alle mensen gelijk, daarom moet je anderen goed behandelen en jezelf niets veroorloven wat anderen ook niet mogen. Nietzsche vindt dat er mensen zijn die meer in hun mars hebben, meer teweeg kunnen brengen; tot grotere daden in staat. Deze helden en halfgoden mogen door het gepeupel niet voor de voeten gelopen worden. Tegenstanders moeten doelbewust worden vertrapt, ook als regels daarbij met voeten worden getreden. We mogen niet klagen als een onschuldig ‘schaap’ daarbij onder de voet wordt gelopen (dan had het maar geen schaap moeten zijn). Het is een verfrissende kijk en er valt veel voor te zeggen.

koe-eet-vlees

Ik geloof echter niet dat De Gouden Regel zo normatief en nivellerend werkt als Nietzsche voorwendt. Ik denk dat iedereen De Regel subjectief toe kan passen. Dan gaat hij over consequent en niet hypocriet zijn. Een mens mag niet met twee maten meten, dient er geen dubbele moraal op na te houden en moet niet van twee walletjes willen eten. Dat is wat we ermee willen zeggen. Daarvoor hoef je jezelf niet gelijk te schakelen aan anderen. Ik verwacht van andere jongens niet dat ze mijn vriendin met rust laten: “may the best man win”. Nietzsche ziet ongetwijfeld in het gebod dat ‘gij de vrouw van uw buurman niet zult versieren ende verleiden’ een verwerpelijke bescherming van de zwakkere partij door een collectieve moraal. Ik ben het daarmee eens. Mijn toepassing van de gouden regel strekt dan ook niet zover dat ik anderen geen eerlijke competitie gun. Met open vizier een vrouw versieren, die al een partner heeft: dat kun je proberen. Het is aan haar om een keuze te maken. Voor mij houdt de gouden regel geen bescherming van zwakkeren in, maar vraagt het een individu om consequent en niet hypocriet te zijn. Iemand die het vreselijk vindt als anderen met de eigen partner flirten, moet ook zelf het flirten opgeven. Een automobilist die zich ergert aan fietsers die door rood rijden en aan bumperklevers, moet zich zelf ook aan de verkeersregels houden. Omgekeerd: ik houd mij niet aan die regels en kan het leuk vinden om te flirten, dan kan ik de mensen die zich mijn gelijken betuigen door ditzelfde gedrag te vertonen er niet om veroordelen. Maar een bewust en denkend mens gaat verder dan dat. Ik zou bijvoorbeeld zelf nooit varkens in kleine hokjes stoppen en hormonen toedienen en ze op gemene wijze castreren en slachten. Dan moet ik er ook niet aan meewerken dat dit gebeurt, door de producten die hiervan afkomstig zijn te consumeren. “Wat gij zelf niet bereid bent te doen, verlang dat ook van and’ren niet” impliceert dus de gouden regel.

Frans de Waal laat heel mooi zien dat altruïsme een op zichzelf staande eigenschap is. Angst voor vergelding is daarbij niet direct aanwezig. Apen en mensen leven in groepen. Asociaal gedrag is slecht voor het groepsbelang. Als een lid voedsel heeft gescoord, dan heeft het de eerste rechten: recht op het lekkerste stukje, maar ook recht om het te verdelen. Houdt een individu alles voor zichzelf dan zal de groep dit gedrag misschien vergelden, maar misschien ook niet. Pakt een sterker individu een ander voedsel af, dan zal de groep dit misschien vergelden, maar misschien ook niet. Eigenschappen als vrijgevigheid en bescheidenheid zullen de positie van het individu binnen de groep in ieder geval versterken. Eigenschappen als gierigheid en hebberigheid zullen de positie binnen de groep veelal verzwakken. Deze eigenschappen zijn zelfs voor het sterkste individu binnen een groep schadelijk, omdat het de macht ondermijnt. Het is dan ook onzin om te zeggen dat asociaal en immoreel gedrag natuurlijk is en dat we leren om te delen en niet te stelen. De evolutie heeft de bescheidenheid net zo goed begunstigd als de hebberigheid. Aangeboren verschillen zorgen zowel bij apen, als bij mensen voor differentiatie in rollen binnen het groepsleven. Ook bij ons zijn er sterken en zwakken; maar ook meer en minder empathische individuen. Nog steeds profiteren sommigen van anderen. “Some are more equal than others”, maar alles binnen de juiste proporties en de gemeenschap bepaalt wat een individu zich – naar gelang zijn status – kan permitteren. Nietzsche slaat de spijker op zijn kop als hij stelt dat mensen niet gelijk zijn. Hij doet de vrijgevigheid en bescheidenheid echter te kort als christelijke constructies. Ook die eigenschappen zijn evolutionair bepaald. Het is dus zo dat mogelijke vergelding een rol gespeeld heeft bij de evolutie van de neiging tot altruïsme. Het gaat echter in de praktijk binnen de groep meer om precaire machtsverhouding en loyaliteiten dan om angst voor directe vergelding. Rekening houden met anderen binnen de groep kan zich manifesteren ongeacht status. Deze neiging is intussen een op zichzelf bestaande kracht die de kwaliteit van leven en partnerkeuze beïnvloedt. Iemand kan kortom ook wel eens ‘gewoon aardig’ zijn (mits er geen sprake is van openlijke of latente rivaliteit).

De Gouden Regel eerbiedigt nog steeds de grenzen van de groep. In de natuurlijke strijd om het bestaan worden tegenstanders zoveel mogelijk uit de weg geruimd. Mensen vertonen begrijpelijkerwijs meestal slechts moreel gedrag naar groepsgenoten, maar aangeboren altruïsme kan zich ook uiten in empathie naar de ander. Zo was er eens een aap begaan met het lot van een vogel. De aap begreep dat de vogel wilde vliegen en hielp het arme beestje te herstellen, toen bleek dat het de vleugels tijdelijk niet kon gebruiken*.

Het belangrijkste van zijn kritiek op De Gouden Regel, is dat Nietzsche onderscheid maakt (niet tussen standen, rassen of volkeren) maar wel tussen kuddedieren en übermenschen. De übermensch moet strijden tegen valse profeten, apostels en ander gespuis. Strijdende partijen behoren niet tot dezelfde groep en dus is er ook geen sprake van een dubbele moraal, wanneer tegenstanders elkaar de koppen inslaan. Alleen wanneer groepsgenoten onderling elkaar erbij naaien is er sprake van verwerpelijk gedrag. Daarover zijn Nietzsche, de apen en ik het met elkaar eens. Met dank aan Frans de Waal.

Een zalig kerstfeest… Probeer de grenzen van jouw groep niet te nauw te nemen, wees eens empathisch naar een vreemdeling en weet wat je eet! (maar dit geldt eigenlijk ook voor de rest van het jaar…)

*Frans de Waal ‘De Aap in Ons’

nihilisme

Wat is nihilisme? Volgens mij heeft het begrip betrekking op de moraal. De moralist dringt anderen een moraal op. Vaak is de moralist zich niet bewust van de betwistbaarheid van zijn idealen. De nihilist betwist alle idealen en kent daardoor ook geen moraal. Van belang is de verhouding van het individu tot de gemeenschap. De moralist omarmt de gemeenschap, de nihilist zet zich er tegen af. Dit is echter geen politiek, zoals bij het anarchisme.

Een anarchist verwerpt de machtsverhouding tussen een dominante bezittende klasse en een ondergeschikte groep die weinig tot niks bezit. Het anarchisme is een stroming die wortelt in het Marxisme. De autoreiten worden gezien als een verlengde van de macht van het kapitaal, dat zichzelf ermee beschermt. Door de autoriteiten te ontkennen wil de anarchist gelijkwaardigheid tot stand brengen. De anarchist gelooft in het goede in de mens en stelt dat regels er niet zijn om de slechte mens op het juiste pad te houden, maar om de bezittende klasse te beschermen tegen een eerlijke herverdeling. Socialisten hebben verwante idealen, ook zij richten zich op herverdeling, maar proberen niet de maatschappelijke orde omver te werpen. Hun doel is om binnen het systeem de armen en ondergeschikten te beschermen tegen de rijken en dominanten. Hun doel is om iedereen mee te laten profiteren van de (gezamenlijke) rijkdom. Liberalen willen ruimte creëren voor ondernemende mensen, die zichzelf (persoonlijk) willen verrijken. Het doet er voor een liberaal niet zoveel toe of mensen rijk worden op eigen kracht of over de rug van anderen. De woorden rijk, sterk, ondernemend en goed betekenen in een liberaal woordenboek allemaal hetzelfde.

Anarchisten, Socialisten en andere Marxisten; Kapitalisten en Liberalen gaan uit van het materiële bezit. Het idee van de schaarste is daarbij het leidend beginsel. De nihilist hecht geen waarde aan materie, zoals de hond Seneca in onderstaande cartoon:

1-hondemand

De hond heeft geen behoefte aan spullen. Ervaart hij materie als ledig voor de invulling van zijn bestaan? …een portemonnee raapt hij echter wel op:

2-geldisgeld

Is geld dan niet hetzelfde als materie? Welk geluk levert het verwerven van geld op? Is dit een werkelijk geluk of de ervaring van potentie tot geluk? Het geld houdt een belofte in. Met geld kan men zichzelf in een positie brengen die een geluksgevoel mogelijk maakt. Wanneer men rijk worden als levensdoel stelt, komt men niet toe aan de ontwikkeling die nodig is om het geschapen potentieel te verwezenlijken. Om geld om te zetten in geluk is een activiteit nodig, moet men een keuze maken, maar vooral kunnen ‘genieten van het moment’. Zo zal iemand die beperkte middelen heeft zich steeds afvragen of het geld wel goed besteed is. Had het geld – op andere wijze uitgegeven – mogelijk meer geluk opgeleverd? In zoverre maakt het dus niet uit of je rijk bent of een beperkte hoeveelheid geld hebt. Steeds staat de gerichtheid op de toekomst (potentieel geluk) of het verleden (alternatieve uitgaven) het geluk in de weg.

Voor mij is geluk een onthecht moment. Verleden en toekomst zijn vergeten. Het nu wordt heel even beleefd als een eeuwigheid. Achteraf realiseer je je pas dat je gelukkig was… Voor veel mensen is geluk echter een veilige en gezonde situatie, waarin de toekomst met vertrouwen tegemoet getreden kan worden. Het ontbreekt deze ‘gelukkige’ aan niets. Er zijn geen zorgen. Het verwerven van geld voelt prettig met het oog op een mogelijke toekomst. De voorwaarden voor een zorgeloos bestaan en het scheppen van de mogelijkheden worden zo verward met het eigenlijke geluk. Alsof we in onze vrije tijd (na het opbergen van de boodschappen) op de bank gaan zitten, ons in de handen wrijven en zeggen: “laat dat geluk nu maar komen!”. Vervolgens hebben we geen idee waarop we wachten en zetten we de TV aan om de verveling te verdrijven.

3-noumoe

Heinz begint het te duizelen, maar Seneca is alweer afgehaakt. Verkeert de hond in een staat van lethargie? Is het beest depressief? Het lijkt erop dat de hond niet alleen onthecht is, dat hij zelfs “nee” zegt tegen het leven. Behalve aan de uitdrukking “alles is zinloos”, zien we vooral aan zijn gezicht dat hij het moment niet werkelijk ervaart. Hoewel hij geen slaaf is van zijn behoefte, lijkt hij ook niet actief vorm of invulling te kunnen geven aan zijn leven.

4-frits

Frits is een moralist en waarschijnlijk een liberaal. Hij respecteert de autoriteiten en vindt dat bezit bij de rechtmatige eigenaar moet blijven. Heinz laat zich niet overtuigen door deze ingebakken moraal en gaat zijn eigen weg. De belofte van het geld heeft hem kortstondig bevangen.

5-hoewel

Vaak denken we dat we geld nodig hebben om in onze behoeften te kunnen voorzien. Ik geloof echter dat het geld onze behoeften creëert. Onze financiële situatie vormt het kader van onze fantasie, maar reclame kan ons prikkelen meer te willen dan we ons kunnen veroorloven. Het resultaat is dat we ons zullen inspannen meer inkomen te verwerven. Onze behoefte kan opgerekt worden en voordat we het weten zijn we een slaaf van onze eigen hebzucht geworden. Om verzadigd te blijven moeten we hard werken.

7-bedelaar

De ‘bedelaar’ is geen materiële bedelaar, maar een spirituele armoedzaaier. Als liberaal heeft hij niet geleerd om zijn leven een zinvolle invulling te geven, hij heeft steeds verstandig gehandeld, met oog op de toekomst. De hond laat zich niet misleiden door beloftes voor de toekomst, maar ook hij is niet in staat om het huidige moment werkelijk te ervaren. De hond sluit zich af van zijn omgeving. Als nihilist is hij erin geslaagd de gemene idealen van zich af te schudden, maar stelt daarvoor geen persoonlijke idealen in de plaats. Frits zit vast in de normen van de gemeenschap. Hij leeft een secundair leven, doordat hij zichzelf steeds beoordeelt vanuit een vermeend gemeenschappelijk perspectief. Hij wil graag goed zijn en dus normaal. Heinz doet waar hij zin in heeft. Het geld speelt daarbij geen wezenlijke rol. Zijn behoeftes zijn bescheiden en daarmee creëert hij een grote persoonlijke vrijheid. Hij is geen socialist of anarchist; Heinz is geen politiek wezen. Als individu is Heinz ook geen moralist of nihilist, maar een vrije geest.

Aforismen # 1

Door jezelf af en toe tegen te spreken kun je meer waarheid bieden dan door één lijn te trekken.

Een verhaal is zo goed als zijn eind.

Er is geen regel die ons vertelt wanneer we een regel moeten toepassen. (Peter Winch, 1958)

Schaamte is de schaduw van de liefde. (P.J. Harvey, 2004)

Alle xenofobie is zelfhaat.

Een specialist kan geloven dat hij is ontsnapt aan de middelmatigheid.

De Tempel en de Kloof

Een pleidooi voor popularisering van kunstkritiek

“Oh, wij worden bekeken!”, concludeert een bezoeker op het terrein van museum De Pont tijdens een tentoonstelling van het werk van Job Koelewijn. De mensen die de oude textielfabriek naderen, zien een grote container met een rechthoekig zwart gat. Ze lopen erheen en kijken nieuwsgierig naar binnen. Er klinkt filmmuziek… en als hun ogen gewend raken aan het donker, zien zij mensen op bioscoopstoelen zitten. De rollen blijken omgedraaid: er valt niks te zien, men wórdt gezien. De mobiele bioscoop van Koelewijn (‘Cinema on wheels’) gaat terug tot de herkomst van het woord: een samenstelling van de Griekse woorden bios [leven] en skopein [kijken]. Wanneer je de beklede container betreedt, moet je eerst langs een lichtsluis, dan kun je plaats nemen in een bioscoopstoel in een ruimte van het formaat van een zaaltje in een klein filmhuis. In plaats van naar een projectie, kijk je door een gat naar het echte leven. Koelewijn toont hiermee letterlijk de functie van kunst: het bieden van een ander perspectief op de werkelijkheid.

De tentoonstelling in De Pont van het werk van Koelewijn kende vele hoogtepunten, waaronder lange muren van kaften van al dan niet geïllustreerde boeken, afgedekt door plexiglas waarlangs water naar beneden loopt; een klokkenwinkeltje dat heen en weer slingert; stapels ingesproken bandjes waarop de kunstenaar zijn favoriete boeken voorleest en enkele fotografische zelfportretten. Het zijn werken met een meer of minder universele aantrekkingskracht. Een criticus in de catalogus rekent juist één van deze foto’s, waarop de kunstenaar een torenhoge stapel glazen en dienbladen balanceert in een decor van newyorkse wolkenkrabbers, tot zijn beste werk. Maar wie begrijpt deze anekdote over de moeilijkheden van het kunstenaarschap, deze ver gezochte metafoor voor een weinig universeel probleem?

Bij sommige kunstvormen kan er een gapende kloof geconstateerd worden tussen de professionele mening van critici en de voorkeur van een publiek. Iedereen houdt van vernieuwend of verrassend werk, maar de vernieuwing waar veel kunstkenners op kicken is erg afhankelijk van de context. Zij steunt op hergebruik en opnieuw interpreteren van vormen en stijlen uit het verleden of op de dialoog met andere kunstenaars. Deze kunst gaat over kunst. Dit is begrijpelijk omdat de kunstkenner tot aan zijn nek in de kunstwereld zit, waardoor de kunst zelf zijn referentiekader is geworden. Hij heeft een voorkeur voor kunstenaars die ook ondergedompeld zijn in de wereld van het schone en verhevene. En dus zien we een toneelstuk in een toneelstuk, een film in een film, een schilderij in een schilderij. Hebben kunstenaars zich opgesloten in kunsttempels met prachtig glas in lood, zonder zicht op de buitenwereld? Blijft het theater mede daarom klassieke stukken opvoeren en herinterpreteren? Verwijzen kunstenaars daarom vaak overduidelijk naar hun voorbeelden? …In ‘Kill Bill’ speelt Quentin Tarantino hier op geraffineerde wijze mee: zijn hommage aan de pulp is een zuivere exercitie van de vorm. Een kunstcriticus kan ervoor kiezen het publiek in te wijden in dit soort bespiegelingen die de kunstervaring van een extra dimensie voorzien. De rijkheid van populaire kunst uitleggen is natuurlijk geweldig: het ontsluiten van minder toegankelijke kunst, door erover te schrijven vind ik nog mooier. Het is juist de kunst die vernieuwt en die tegelijk rijk is aan dimensies, waardoor een divers publiek wordt aangesproken. Autonome kunst die in een vrije relatie staat tot de kunsthistorische context devalueert de expertise van de criticus niet. Zijn professioneel oordeel schakelt tussen objectief en supersubjectief. Zo’n criticus zoekt naar een combinatie van het transcendentale met het aardse en van het verhevene met het universele, zoals in de sculpturen van een subliem kunstenaar als Anish Kapoor is te vinden (vertegenwoordigd in de vaste collectie van De Pont en Kröller-Müller).

Professionals uit de kunstwereld hebben een belangrijke educatieve en politieke taak. Zij bepalen welke kunst de kans krijgt het atelier te verlaten. Zij bepalen het kunstzinnig discours dat mede invulling geeft aan onze kijk op de wereld.Het gevaar, wanneer zij zuiver hun eigen ontwikkelde smaak volgen, is dat kunstenaars na een korte opleving afgedankt worden. Nadruk in het kunstbeleid op vernieuwing vanuit het elitaire l’art pour l’art-perspectief zorgt voor een verkorte receptieve cyclus. Het zal de kunstenaar spijten dat hij, na een korte opleving van aandacht, met zijn werk een wegwerpartikel van een elite blijkt. Het is ook jammer voor het grote publiek, omdat een potentieel aan bijzondere ervaringen aan de collectieve neus voorbij gaat en de massa hierdoor blijft hangen in het warme bubbelbad van de kitsch. Bij andere belangrijke kunstvormen is er van een onoverbrugbare kloof tussen de kenners en het grote publiek geen sprake. Filmcritici en liefhebbers van cinema zijn het vaak met elkaar eens. Ook bij (pop)muziek is er een gezonde wisselwerking tussen fanatiekelingen en genieters. Als zij het met elkaar eens worden over de kwaliteit van een nieuw geluid, volgt vaak – in een later stadium – ook het grote publiek.

Een voorkeur voor nieuwe dingen heerst niet alleen in de beeldende kunst, het is een typische karakteristiek van de mens als consument. Hoewel de ervaring van kunst veel dieper gaat dan het vergaren van bezit, is er een belangrijke overeenkomst: de mogelijkheid om je ermee te onderscheiden. Net als bij mode is verandering en vernieuwing essentieel. De sociale interactie tussen groepen, die ten grondslag ligt aan de receptieve cyclus van een kunstwerk, is vergelijkbaar met de wederzijdse beïnvloeding die de levenscyclus van een consumptiegoed bepaalt. Het product kent een aantal opeenvolgende levensfasen, die corresponderen met verschillende typen consumenten. Allereerst zijn er de innovators. Dit klinkt als iets heel productiefs, maar het komt erop neer dat je de eerste bent die iets koopt. Je bent als innovator een soort vrijwillig proefkonijn dat de voor- en nadelen van het nieuwe product test. Je wordt daartoe gedreven door nieuwsgierigheid. Dan heb je de early adopter. Hij wordt gedreven door verlangen. De early adopter wil steeds de eerste zijn die het product van de toekomst omarmt en heeft daar flink wat geld voor over. Na deze twee selectiefasen is duidelijk geworden of een bepaald product veelbelovend is. Nu volgen meer productiebedrijven en meer consumenten. Zij vormen de early mass. Dankzij deze fase is ieder risico geweken: er kan nu veilig worden geproduceerd. Goedkope namaak komt op de markt en ook de armste mensen kunnen zich het (voor hen) nieuwe product nu veroorloven: het is daarmee tijd voor de late mass om tot consumptie over te gaan. En dan is er nog het zielige staartje der laggers voordat het product een stille dood sterft.

In de wereld van de popmuziek kunnen we dezelfde cyclus constateren: een groep van nieuwsgierige muziekliefhebbers luistert alles wat nieuw is. Wat zij echt mooi vinden, bezoeken zij ook live. De muzikanten verwerven door optredens een grotere naamsbekendheid. Een tweede groep mensen volgt vanuit een verlangen naar spanning. Steeds meer aandacht zorgt voor een groeiende beroemdheid. De massa hoort nu de liedjes ook op de radio en de cd’s zijn steeds gemakkelijker en in grotere oplagen te verkrijgen. De band breekt nu door, de early mass stroomt toe als publiek. Nog even en iedereen kent de muziek. De tijd die intussen al verstreek is voor de muzikanten een periode van optreden, maar ook van opnemen. Vaak is er allang een tweede of zelfs derde album uit, voordat de massa hun muziek heeft opgemerkt. Als de band trouw blijft aan de succesformule, moet die in eerste instantie wel heel vernieuwend zijn geweest om daarmee lang in leven te blijven. Was de stijl slechts gematigd vernieuwend, of moest de band het voornamelijk van de energie hebben, dan is de kans groot dat de vroegste fans al zijn gaan lopen. Zo’n band stevent, blind door het succes bij de massa, af op een publiek van laggers en op een gewisse dood. Slechts nostalgie blijft over.

De hedendaagse beeldend kunstenaar zal, net als de muzikant, zijn werk constant moeten doorontwikkelen. Slechts een veelzijdig oeuvre vermag het de aandacht blijvend te wekken. Een verschil met de muziek is echter dat in de huidige situatie het toestromen van nieuw publiek niet onbelemmerd doorgang kan vinden. De kunst is vaak sterk contextafhankelijk, wordt exclusief ontsloten en spreekt slechts tot de ontwikkelde smaak. Dat er bij beeldende kunst van popularisering nauwelijks sprake is, duidt op een onoverbrugbare kloof tussen professionals en geïnteresseerden. Hier zijn verschillende mogelijke oorzaken voor aan te wijzen. Het probleem van l’art pour l’art heb ik hierboven al aangestipt, later ga ik hier verder op in en bespreek ik een alternatief. Nu wil ik eerst de vermeende desinteresse van het publiek in goede beeldende kunst behandelen. De massa consumeert muziek van harte, maar komt niet in de buurt van een museum. Een te smalle opvatting van beeldende kunst als museale kunst gaat hierin schuil. Bezoekersaantallen van musea kun je meten met kwantitatief onderzoek, maar voor het vaststellen van het effect van kunst in de openbare ruimte is kwalitatief onderzoek nodig. Hoe meet je bovendien de onbewuste effecten van kunstwerken op het dorpsplein of langs de snelweg? …Een bijzonder onderzoek dat in Antwerpen recent is uitgevoerd, brengt de kloof tussen kenners en het volk op pregnante wijze in beeld. Een kritische beschouwing van de methode is echter geboden. Cultuurkanaal Klara van de Vlaamse TV vroeg ’s lands (financieel) meest succesvolle kunstenaar Luc Tuymans midden in de stad op de muur één van zijn schilderijen te maken. Een flink aantal meters bedekte hij met zijn grauwe afbeelding van een stel copulerende aapjes in menselijk aandoende houding. Enkele duizenden bezoekers passeerden en nog geen 4% stopte om er even naar te kijken. Het onderzoek toont hiermee aan dat het overgrote deel van de burgers dagelijks voortjakkert zonder stil te staan bij het huidige moment. De overdaad aan visuele impulsen in het straatbeeld vormt overigens een goede en meer algemeen geldende verklaring voor de dufheid van de de passanten. Men ziet vandaag de dag zoveel reclame, er is zoveel ruis, dat een kunstwerk niet meer opvalt. Het onderzoek getuigt van een smalle en elitaire opvatting van de aard van beeldende kunst. Men presenteerde een schilderij van een ‘erkend kunstenaar’, maar dit zegt de meeste mensen niets. Erg duidelijk was de afbeelding niet en zeer gering waren de kleurcontrasten. Hoe zou het dan de aandacht moeten trekken te midden van veel geraffineerder vormgegeven en gepositioneerde reclameboodschappen? In plaats van het traditionele schilderij had men ook kunnen kiezen voor videokunst, animatie, of vormgeving van de leefomgeving zelf; het plaatsen van een beeld met meerdere dimensies of een architectonische ingreep. De belangrijkste conclusie echter, die men kan trekken uit het feit dat de normale Antwerpenaar aan kunst voorbij loopt, is dat in het beleid voor onderwijs en cultuur meer in het algemeen aandacht aan onthaasten, levenskunst en ‘de kracht van het nu’ besteed mag worden. Op de huidige wijze streven we toch onze doelen voorbij?

Het op straat aanbieden van hoog aangeschreven kunst blijkt geen oplossing voor de exclusiviteit van de beeldende kunst. Dit zegt evenveel over de reikwijdte van de indruk die deze kunst maakt, als over de interesse van het publiek. Zaak is om beide partijen te stimuleren elkaar de hand te reiken. Het type kunstwerken dat professionals selecteren voor aankoop of subsidie zou toegankelijker kunnen zijn. Kunst die rijk is aan dimensies, kunst met een universeel karakter, kan zowel de ontwikkelde smaak als de beginneling behagen. Doordat meerdere interpretaties op verschillende niveaus mogelijk zijn, kan een breed publiek uitgedaagd worden om buiten zichzelf te treden. Kunstkenners moeten daarvoor bereid zijn de kunst niet als distinctiemiddel te gebruiken. Ze moeten hiertoe hun preoccupatie met het gesprek tussen vakbroeders overboord zetten en hun educatieve taak ter harte nemen. In plaats van het verwerven van professionele status door het strikken van een kunstenaar die voor ingewijden hot is, richten zij zich beter op het behartigen van de belangen van zowel de kunstenaar als van het publiek.

Een kunstwerk als de mobiele bioscoop van Koelewijn is interessant voor kunstkenners, maar zal ook de massa aanspreken. Als gepopulariseerde variant op het gat dat de kunstenaar in de muur liet maken van de galerie van Fons Welters (‘The world is my oyster’) om in plaats van een representatie de werkelijkheid zelf te tonen, leent het zich voor ontsluiting aan een massaal publiek. De context die opnieuw geëvalueerd wordt is nu niet langer de galerie, relevant voor een klein deel van de bevolking, maar de bioscoop, relevant voor iedereen. Waarom worden er niet overal in Nederland exemplaren van neergezet? Voor mijn part gebruiken hangjongeren zo’n container om jointjes in te roken als het regent. Het zal hun horizon verbreden en ze een nieuw perspectief bieden. Naast keuze voor een meer universeel type kunst, is voor de toegankelijkheid ook de manier waarop de kunst wordt aangeboden van belang. Een obstakel ten aanzien van de popularisering van beeldende kunst is evenwel de authenticiteit van het werk. Een opera kan worden opgenomen en in het park op grote schermen getoond. Het kopiëren van schilderijen van Rembrandt of Van Gogh heeft weinig zin, hoewel het mensen ertoe kan brengen het werk eens in het echt te willen aanschouwen. Ik heb het dan ook niet over kunst uit het verleden, maar over actuele kunst. Het is aan de kunstenaars van nu om bestaansrecht te verwerven door hun perspectief dusdanig te conceptualiseren dat ontsluiting voor een breed publiek aantrekkelijk en zinvol wordt. Afbeeldingen op mokken zijn niet het hoogst haalbare resultaat. Het gat dat Koelewijn in de galerie sloeg had veelzeggend genoeg de grootte van een voetbaldoel… Symbolisch opgevat moet de actie bovendien twee kanten op kunnen werken. Door ramen te slaan in kunsttempels krijgen professionals weer zicht op de realiteit, tegelijkertijd kan de buitenwereld een blik naar binnen werpen.

Wie is hip?

We weten intussen dat Smurfen en negerslaven hip zijn. Zij wijken af van de norm en doen dat op zo’n zelfverzekerde wijze dat anderen het nakijken hebben. De Negerslaven zijn zelfs zo hip dat zij het woord hebben uitgevonden. Dat is mooi, maar gewone stervelingen kunnen zich met de beste fantasie niet tot een van deze groepen rekenen. Wie kan er dan nog aanspraak maken op het predicaat der hipheid en hoe gaat dat in zijn werk? Wie bepaalt er eigenlijk wie hip is en wie niet? doen hippe mensen dat zelf of doen de anderen dat?

Hipheid, pubers & populariteit

Laten we even aannemen dat hipheid een graadmeter voor populariteit is. Er zijn vele gronden voor populariteit. Een restaurant kan populair zijn om zijn goede bediening, om het goede eten, de makkelijke bereikbaarheid of goede ligging. Het restaurant dat echter populair is om de stijl, is het hippe restaurant. De aankleding: de muziek, het type eten en al het uiterlijke zorgt hier voor de populariteit.

Populariteit is een sociaal waardeoordeel en een begrip waarvan we de principes het beste in een speciale context kunnen bestuderen: namelijk die van de middelbare school. De wereld van pubers is veel transparanter en eenduidiger gericht op sociale verhoudingen dan die van volwassenen. Wanneer we naar de mechanismen van populariteit en hipheid op school kijken, wordt een en ander dan ook duidelijk.

Een puber met een grote bek is sneller populair, maar loyaliteit naar anderen is daarbij van belang. Een puber met gevoel voor humor toont karakter. Een puber met een interessante garderobe durft op te vallen. Het zijn allemaal middelen om het ego te presenteren en zelfverzekerd over te komen. In relatie treden met de omgeving en de goedkeuring zoeken van anderen is de volgende stap. De zucht naar erkenning geeft de anderen de gelegenheid het gepresenteerde ego te bevestigen, zonder zichzelf miskend te voelen. Nabootsing van het ‘sterke ego’ volgt en zo verleent men elkaar identiteit. Veel pubers gebruiken een of meer van de strategieën (grote bek, aparte stijl, gevoel voor humor) om zelfverzekerd over te komen en populariteit te verwerven. Hun zelfgevoel baseren ze daarmee op de bevestiging die anderen hen geven. Het gaat bij de strijd om populariteit dus in wezen om vormgeven aan de identiteit. Sommige mensen geven leiding en anderen laten zich leiden. Ze hebben elkaar nodig en samen staan ze sterk.

Afwijken van de massa en hier een zelfverzekerde houding bij aannemen is dus niet voldoende om de bevestiging te krijgen dat men hip is. Afwijken van de norm wordt over het algemeen niet als positief gezien en zelfverzekerdheid wordt snel als arrogant ervaren. Toch lijkt het erop dat de sociale werking van hipheid en die van populariteit grote overeenkomsten vertonen. Bevestiging van het ego is het doel en nabootsing is een goede graadmeter daarvan.

Hipheid in parallelle universa

Hipheid is een cyclus. Het begrip past niet in een lineaire tijdsopvatting. Voor de waardering van echt hippe hipheid moet men mentaal een tijdreiziger zijn. Heden, verleden en toekomst moeten tegelijk ervaren worden. Hip is als stijl van de toekomst een hernieuwing van het verleden. Hoewel een hippe vogel zijn identiteit ontleent aan het feit dat hij afwijkt van de massa, is deze identiteit pas compleet op het moment dat de massa hem nabootst. Een toenadering tussen de trendsetter en zijn gevolg leidt onherroepelijk tot verwijdering. Als de massa de nieuwe stijl heeft aangenomen, is deze mainstream geworden: niet meer “hip”, maar hooguit “vlot”. Het hippe bevindt zich op het raakvlak van de voorloper en de navolgers. Alleen datgene is hip waarvan men weet dat het nu nog slechts door een enkeling uitgedragen wordt, maar straks door vlotte mensen omarmd zal worden. Een vermoeden van een parallel universum, waarin toonaangevend is wat bij ons afwijkt, is de essentie van hipheid.

De paradox van hip

De mens die hip wil zijn heeft, zoals we hebben kunnen constateren, een paradoxale neiging: aan de ene kant wil hij voelen dat hij onafhankelijk zijn stijl bepaalt. Aan de andere kant heeft hij bevestiging door navolging nodig. Als hij niet telkens kan zeggen: “zo liep ik er drie jaar geleden bij” of “daar kwam ik altijd toen ze net open waren”, mist hij de gezochte coolheid. Dit is de coolheid van de snelle geest; van de goed geïnformeerde, die alles als eerste weet. Zodra anderen iets omarmen, trekt de hippe zijn handen ervan af. Afwijken is een doel op zich. De eigenheid is hiermee volledig afhankelijk van de ander. Dit afwijken is geen zoeken naar invulling van, maar vormgeven aan de identiteit. Slechts de zaken die mainstream zullen worden, dragen bij aan de hipheid. Hipheid wordt dus eigenlijk altijd achteraf ervaren: “Toen was ik zo cool en toen zus en toen was ik cool omdat ik dat al wist/deed/had”.

“Ik kijk al acht jaar naar Jiskefet”.

Zelfverzekerdheid moet je als hippe figuur dus faken. Echte zelfverzekerdheid roept voornamelijk afgunst op en dan blijft het gewenste gevolg uit. Afwijken doe je als hippe om nagedaan te worden, niet om jezelf te kunnen zijn.

Puberbrein

Een leraar in het voorgezet onderwijs weet als geen ander dat pubers lastige wezens zijn. Maar pubers zijn daarnaast misschien ook wel de meest interessante groep om mee te werken. Ze zijn als het ware nog niet helemaal ‘af’. Pubers bezitten in tegenstelling tot de meeste kleine kinderen wel de intellectuele vermogens te abstraheren en te concretiseren. Deze hersenfuncties zijn nodig voor de complexe bezigheid van het analyseren. Pubers zijn dan ook klaar voor een voorbereiding op een wetenschappelijke opleiding. De vraag is in hoeverre deze voorbereiding gericht moet zijn op het leggen van een algemene basis. Zou het individu niet meer gebaat kunnen zijn bij een vroegere specialisatie?

We weten dat kinderen in de prepuberteit het vermogen ontwikkelen abstract te denken. Dit vermogen is een cruciaal onderdeel van het complexe geheel van hersenfuncties dat humor mogelijk maakt. Dit verklaart het duidelijke verschil in humor tussen kleine kinderen en pubers. Dit verschil is veel groter en meer fundamenteel dan (het meer culturele) verschil tussen de humor van pubers en volwassenen, dat meer een kwestie van smaak lijkt. Het sterk ontwikkelde vermogen tot onder andere abstraheren, komt voort uit een fysieke ontwikkeling in de hersenen. De hersenen van een mens blijven doorgroeien tot ongeveer het twintigste levensjaar. Deze groei accelereert na de pre- en postnatale periode opnieuw in de adolescentie.

In de laatste fase van de zwangerschap groeien de hersenen van de ongeboren vrucht enorm. Na de bevalling, in de eerste anderhalf jaar, gaat deze groei stevig en gestaag door. Het kind ontwikkelt hiermee een enorme potentiële denkkracht, die door het nabootsen van anderen en het oefenen van allerlei taken tot ontwikkeling komt. Dit komt neer op gebruiken en versterken van verbindingen tussen hersencellen. Een baby wordt geboren met een enorme hoeveelheid neuronen, dit zijn de celkernen. Deze celkernen kun je je voorstellen als informatie-eenheden. Aan deze celkernen zitten axonen. Dit zijn ‘tentakels’ die ervoor dienen om op chemische wijze informatie uit te wisselen tussen celkernen. Traditioneel noemen we de neuronen grijze stof en de axonen witte stof.

Voeger, tot voorkort eigenlijk, dachten we dat het brein van een zesjarige al bijna een volwassen potentie heeft en er daarna wat betreft neuronale groei niet zoveel meer gebeurt.

De omvang van een brein van een kind dat naar groep 3 mag en gaat leren lezen en schrijven is al 95% van dat van een volwassene.

Recent is er echter ontdekt dat er in de prepubertijd, in de bovenbouw van de lagere school in de gehele grote hersenen, die verantwoordelijk zijn voor al onze hogere functies, een enorme (tweede) groeispurt plaats heeft. Deze groeispurt maakt een ingrijpende reorganisatie mogelijk.

Wanneer een kind in de prepubertijd komt, begint er een cerebrale groeispurt van neuronen, vooral in de prefrontale cortex. Vervolgens worden verbindingen afgebroken, die niet worden gebruikt. Hiermee verliest het opgroeiende kind de potentie om bepaalde vermogens te ontwikkelen. Die afbraak verloopt volgens het principe ‘Use it or lose it’.

De verbindingen tussen hersencellen, die niet gebruikt worden, omdat er van oefening geen sprake is, worden opgegeven.

Zo komt ruimte en energie vrij voor de mechanismen die veel in gebruik zijn. Je kunt het zien als spoorlijntjes die worden opgeheven en andere verbindingen die met extra sporen worden versterkt. De verbindingen die in het puberbrein veel gebruikt worden, krijgen versterking. Dit gebeurt op chemische wijze; er wordt een geleidende stof aangebracht op de axonen, zodat de informatiestroom sneller en soepeler verloopt.

Voor pubers zelf zijn de sociale vaardigheden en vermogens en het ontwikkelen van een gevoel voor humor erg belangrijk. Hiermee stellen ze hun positie in de groep veilig. de maatschappij vindt het verder van belang dat ze zich algemeen voorbereiden op een vervolgopleiding. Analytische vermogens moeten worden getraind, maar ook heel veel kennis dient te worden opgeslagen. Tegenwoordig is er echter een externe en onuitputtelijke collectieve opslag van kennis: Het Internet. De jeugd van tegenwoordig surft vrij vaardig. Zijn zij zich daarbij ook bewust van de wisseldende kwaliteit van de beschikbare kennis? Zoeken ze om te leren of vooral om te herkennen?

Is het aanleren van kritische vermogens (door het geven van het goede voorbeeld en persoonlijke begeleiding) en het prikkelen van de leergierigheid niet minstens zo productief als het aanbieden van kennis in hapklare brokken?

In ieder geval past het stimuleren van de vermogens tot kritische analyse en het leren maken van analogieën heel goed bij de ontwikkeling in een puberbrein. We zullen hieronder eens wat nader ingaan op de werking van de hersenen bij het volbrengen van verschillende taken en het tot stand brengen van complexe vermogens.

Wiskunde

Een voorbeeld van een complexe taak die twee hersengebieden aanspreekt is wiskunde. Hiermee vinden we een bewijs voor het idee dat voor wiskunde zowel kennis (van gemaakte afspraken), als inzicht (in natuurlijke verhoudingen) nodig zijn. Voor succesvolle wiskunde is een goede verbinding van de ‘linker frontale kwab’ van de hersenen met de ‘parietale kwabben’ nodig. Deze kwabben liggen aan de zijkanten van het brein en geven aandacht aan problemen die (vanuit visuele informatie) op het gebied van ruimtelijke en getalsmatige verhoudingen spelen. Zo zijn we in staat om inschattingen te maken. Hier speelt het ‘intuïtieve’ deel van de wiskunde zich af. Voor het uitvoeren van exacte berekeningen wordt geput uit de kennis die op talige wijze in het geheugen vastgelegd is… Of we nu schrijven “drie keer drie is negen” of korter “3×3=9”, het gaat in beide gevallen om een zinnetje of regeltje dat vastligt en in taal uitgedrukt wordt. Het betreft kennis, geen inzicht. Het activeren en combineren van informatie uit het talige geheugen onder leiding van intuïties over verhoudingen maakt succesvolle wiskundige berekeningen mogelijk.

Bedrog?

In de rechter hersenhelft van de voorste hersenen ligt de potentie en capaciteit voor het inschatten van visueel perspectief. Deze capaciteit kan worden toegepast voor het inschatten van het (psychologisch) perspectief van een ander, dit draagt ook bij aan inlevingsvermogen of empathie. Hier ligt de mogelijkheid bedrog te detecteren. Om te kunnen vaststellen dat de ander ons bedriegt, moeten we ons een voorstelling maken van het perspectief van die ander. We stellen ons daartoe vragen als: ‘wat weet de ander?’ en ‘wat wil de ander?’. Door antwoord te geven op deze vragen reconstrueren we de processen die een rol spelen. Vervolgens combineren we deze ‘beelden’ tot een perspectief dat buiten dat van onszelf ligt. Wanneer we ons zodanig een beeld van het perspectief van de ander vormen, zijn we vervolgens in staat te bepalen hoe dit zich tot ons verhoudt en daarmee of we worden belazerd of integer benaderd worden.

Humor

Nu zullen we nader ingaan op de processen die van belang zijn voor een gezond en volwassen gevoel voor humor. Er zijn onderzoeken gedaan naar de voorkeuren op het gebied van humor van proefpersonen met een defect in de voorste hersenen en die van ‘normale’ proefpersonen. Hiervoor werd een begin van een grap aangeboden met drie mogelijke clous. De grap gaat als volgt: “Een jongen komt bij een boer voor vakantiewerk. Hij vraagt hoeveel hij kan verdienen. ‘100 euro in de eerste week’, zegt de boer, ‘maar na een week kan dat oplopen to 150 euro en misschien wel meer’. Voor het antwoord dat de jongen geeft, kan de proefpersoon kiezen uit:· ‘prima, wanneer kan ik beginnen?’· ‘dan begin ik wel over een week!’· ‘He baas, wist je dat je neus te groot is voor je hoofd?’

Het eerste antwoord is humorloos en to the point. Het tweede antwoord is volgens de logica van de humor. De meeste gezonde mensen kiezen dit antwoord. Het laatste antwoord doet absurd aan en staat in geen relatie tot het voorgaande. Het is van het soort slapstick-humor, waar jonge kinderen vaker een voorkeur voor hebben. Proefpersonen met een beschadiging in de voorste hersenen kiezen hiervoor door gerbrek aan begrip en houvast op de materie van de humor.

Om een succesvolle grap te maken of te begrijpen moet je verschillende processen in gang zetten: in het kortetermijngeheugen of ‘werkgeheugen’ moet een portie informatie vastgehouden worden en gemanipuleerd. Er moet cognitief geschakeld worden tussen verschillende perspectieven en er moet worden geabstraheerd en eventueel geconcretiseerd.

Kinderen bezitten deze vermogens nog slechts rudimentair, mensen met een beschadiging in de voorste hersenen hebben hier een defect en pubers bezitten een enorme potentie die zij tot wasdom laten komen.

Uit het bovenstaande en alles wat we geleerd hebben over de ontwikkeling van de voorste hersenen in een puberbrein, kunnen we de voorkeur voor humor bij pubers nu bevredigend verklaren. Met humor train je de belangrijkste hersenfuncties die in aanbouw zijn: functies die sociale interactie, zowel als intellectuele analyse mogelijk maken. Humor in de klas is dan ook van het grootste belang. Zowel leerlingen als docenten gebruiken de strategie van de humor niet zomaar om zichzelf geliefd te maken. Humor is niet alleen prettig door het gelukzalige gevoel dat het prikkelt, het is ook nog een goede vorm van hersentraining.

De romantische filosoof Friedrich Nietzsche analyseerde op zijn gebruikelijke nihilistische wijze het bestaan aldus: wanneer je door hebt hoe kwalijk, nutteloos en absurd het leven is, kan slechts de kunst een uitweg bieden. De zoektocht naar het verhevene zet dit onbehagen om in schoonheid, het komische sublimeert het gevoel voor de absurditeit. Kortom; de humor is een overlevingsstrategie van (betrekkelijke) zingeving in een verwarrende wereld. Zeker een adolescent is gevoelig voor het absurde van de wereld van de volwassenen en zal zich snel verward voelen. Niet voor niets maken pubers aan de lopende band grappen!

We kunnen concluderen dat de hersenen van pubers zich als het ware ‘schrap zetten’. In een groeispurt van de hersenen worden talloze extra neuronen aangemaakt. Er ontstaat een enorm potentieel in denkkracht. Op een leeftijd van ongeveer 12 jaar is die potentie optimaal, maar de controle is minimaal… De tijd om verbindingen af te breken en te versterken breekt aan. Allesbepalend zal hierin zijn hoe een puber zijn of haar hersens gebruikt. Mogelijkheden die niet benut worden, verbindingen die niet actief zijn, worden geëlimineerd of sterven af. Verbindingen die veel gebruikt worden, worden versterkt. Adolescenten maken eigen keuzes om zich te oefenen in muziek, sport, sociaal-vriendschappelijke contacten en sociaal-seksuele contacten. Humor gaat een belangrijke rol spelen. De intellectuele en kunstzinnige vermogens kunnen flink worden uitgebouwd. Pubers zijn in staat tot abstraheren en concretiseren, jonge kinderen kunnen dit veel minder…

Intussen heeft de maatschappij gemeten en geoordeeld. Het opgroeiend kind heeft de cito-toets gemaakt, een advies is uitgebracht. De maat van de hersens van de (pre)puber is genomen en een keuze voor een opleiding in het voortgezet onderwijs is gemaakt. Let wel: er is hier sprake van gradaties van theoretische capaciteiten.

Een cito-toets en ook een IQ-test meet rationele vermogens, die bij een beschadiging aan de voorste hersenen nauwelijks beïnvloed worden.

Terwijl de prepuber juist daar een enorme potentie heeft aangemaakt en het trainen van die voorste hersens fysiologisch de volgende stap is, richt het onderwijs zich op andere zaken… De manier waarop het voortgezet onderwijs nu is ingericht past beter bij de ontwikkeling van een jong kind dan bij een puber. Wanneer er minder aandacht uit zou gaan naar kennisoverdracht, (achterhaalde) theorie en het leren beheersen van formules en andere trukendozen, wanneer de individualiteit en de hogere hersenfuncties van een puber serieus genomen zouden worden, zou er een veel productievere samenwerking tussen school en leerlingen mogelijk worden. Een puber is een volwassene in wording met een samengestelde potentie om problemen van verschillende aard te analyseren en aan te pakken. Oefening leidt tot praktische ervaring. Op het niveau van de hersens betekent deze ervaring: verbindingen tussen celkernen. Hoe dikker de verbinding, hoe beter de prestaties. Een kind krijgt in de puberteit een ‘tweede kans’. De hersenen zijn klaar om zich op een volwassen en gespecialiseerd leven voor te bereiden. Het maken van keuzes en het trainen van specifieke vermogens is daarvoor nodig.

De belangrijkste zaken die een kind op de lagere school leert, zijn rekenen en taal. We hebben gezien dat het rekenen neurologisch ook als taal opgevat dient te worden. De hersenen van een kind vormen zodoende eigenlijk een taalcumputer. Na het twaalfde levensjaar is het bij nul beginnen met het aanleren van taalsystemen nagenoeg onmogelijk, het past dus perfect bij de neurale ontwikkeling dit op jonge leeftijd te doen. Vervolgens bepalen de omstandigheden welke vermogens het individu dient te ontwikkelen. Omdat wij in een nauwe samenhang met elkaar leven, zijn de sociale vermogens het belangrijkst. Intellectuele of creatieve vermogens maken het mogelijk voor een individu zich te onderscheiden. Hoewel onze maatschappij een adolescent vraagt kennis te verwerven en wederom algemene vaardigheden op te doen, is het wellicht juist tijd om te specialiseren. Je kunt met gemak volhouden dat de mens meer gebaat is bij een individuele identiteit, gebaseerd op specifieke vermogens. We willen toch trots zijn op onszelf? We willen toch geen eenheidsworst? We mogen leerlingen niet het slachtoffer laten worden van een compromis tussen vakgebieden die om invloed strijden. Daarbij stamt het disciplinaire schoolsysteem uit de negentiende eeuw: de sociale wetenschappen zouden zo langzamerhand wel eens tot het curriculum door mogen dringen. Juist het sociale staat centraal in een puberleven. Iedere docent vindt zijn of haar vak het belangrijkst, maar de leerling moet al die vakken volgen. Een puber is prima in staat om snel keuzes te maken; we doen ons hele leven niets anders dan kiezen. Ik pleit voor eigen verantwoordelijkheid en intrinsieke motivatie.

links:


Artistic style and fixed formula

Experiencing art cannot be about the artist. Experiencing the light that shines from an artistic genius is somewhat religious or merely entertaining. When an artwork is taken to serve as a means to express the personality of the maker, this threatens a subjective and intrinsic receptive experience. If a spectator reaches out through an artwork to get in touch with the creator, artworks become wonders done by a godlike being. Off course it can be interesting to get into a dialogue with another person, being an artist. To see and hear this person’s views on life or society can be illuminating and inspiring. That is: inspiring to form your own ideas, concepts and abstracts. Never should recognizing the ingenious concepts, belonging to one exclusive and artistic mind and thereby glorifying this person, be more important than interpreting his or her works and integrating the impressions in one’s own mind.

If you want to bask in someone else’s light, you will be living in the shadows of greater minds.

Experiencing art should be like dreaming. Like a person dreaming, someone experiencing an artwork should be totally immersed. Only afterwards interpretation follows. Although in some cases interpretation is essential to the artwork and can even be the main aim (of an artist or a member of the public), this secondary part of the art experience, should rather be looked upon as constructing meaning than being immersed into experience.

Some things can obstruct the immersed experience of an artwork. With plays and films, famous actors can detract from the story as a whole. Experiencing awe for an individual performance makes it impossible to ‘dream’. When a well known actor is capable of rendering the public oblivious to his or her person and only providing a personage as part of the story, there is a true artistic performance. When an actor on screen or stage is always the same, we tend to even forget the name of the personage and in stead use the actor’s name. Then only glorification of the actor (as a godlike individual) is possible.

If, when looking at pieces of fine art or listening to music, the first and foremost thing is recognizing style, one can be entertained, like when engaging in a quiz and trying to give the right answers. Recognizing personal style or – even worse – interpersonal formulae in narrative, pictorial or musical representatives, is like giving a right answer. It is not constructing an opinion. A work of entertainment most often is a representative of an universal formula. It is reconciling to the public, the experience is not disturbing. It is not dreamlike, because there can not be a subjective taking in of the parts of the whole. In fact with entertainment there only is fixed parts and no ‘whole’ at all. The pictorial, narrative or musical parts have a fixed relation. Most of the times, the aim is only to shock with spectacular imagery and/or sounds. A lot of times moral inducement is the aim of entertaining works. Morals and spectacle sell well. With these formular narratives or spectaculair impulses one cannot interpret as a subject the different possible relations between the parts. There simply might be no relation between parts (and no meaning to them), or the meanings and relations are already fixed and mono-interpretable. What follows is that the members of the public cannot construct a (subjective) whole, the parts function only as fixed formular parts. The spectator is not able to construct meaning as a result of recognizing parts that differ in value of qualitative and quantitative importance placing these different parts in meaningful relationships. As all these parts are already fixed in a formular work, a spectator cannot invest him- or herself and therefore will not be able to ‘dream’ an individual subjective version of the presented artwork, that induces an individual interpretation.

This is why art is always original and spontaneous. Art is made by a subject for a subject, not by producers for consumers. The experience of art is individual and dreamlike, the constructing of meaning is an active and subjective process. However, in a lot of cases people talk about their interpretations of an artwork and come to a collective and intersubjective conclusion. This not only influences the meaning of art that is experienced by an individual (although little individual differences in interpretation will persist), it will also influence future experiences.

A new chapter is embarked upon with this last notion. What follows is that a spectator is no blank. One has convictions and criteria. If a work of art contradicts matters of taste, that already have been decided upon, a spectator will renounce this artwork. When an artwork has a lot to offer in ways that are not covered by someone’s subjective criteria, qualities will go unnoticed.

This is not in contradiction with the above. Rather, it refines the way we look at recepting art and introduces the dimension of taste.

About Art (first draft)

High art and low art do not exist. Although art can be exclusive and difficult to access, whereas other art will be more inclusive and easier to get access to, this is no cultural difference of ‘high’ and ‘low’. Different accessibility only is difference in amount of dimensions and universality of subjectmatter. Some art might speak to the few, while other art resonances with a massive audience. However, the members of the public will always have to invest to have an artistic experience. The spectator must actively construct his or her own experience or must at least loosen their bindings with (collective) ‘reality’ and embrace an alternative (individual) reality. In general an artistic experience will include emotional, rational and associative aspects. Art is like science a means to comprehend reality, to find truth. Science aims for objective truth, but will only accomplish intersubjectivity, like art historians and art critics. Artists and the public can accomplish higher truth: purely subjective truth. The biggest difference between art and science is that science only has basis in the intellectual understanding, whereas art makes use of all kinds of human faculties and has its basis in the intuition or instinct. Artistic experience can be a mostly rational experience or a more dreamlike and associative experience. When an art experience is a rather rational one, there at least will be an alteration in ratio or a different conclusion following the ‘facts’. Confirmation of what we already know is not art.

The broad way of looking at art that derives from cultural relativism has little to do with art philosophy. Rather it is necessary to differentiate between culture and art. I will therefore strictly divide entertainment from art. The main route I will take to do so is the one of psychology. I will debate that entertainment serves a collective purpose of entertaining in a group, whereas art serves a individual and subjective experience. One might think of the difference between religion and spirituality. Religion serves as a body of rules and customs which make up a community that differs from other communities. Entertainment and culture also function as means to differentiate between individuals as members (or nonmembers) of groups. Even when someone deliberately does not follow cultural proscriptions, this ‘act of independence’ serves to maintain a relation to the group. Spirituality only serves an intrinsic purpose. A person wishes to leave their earthly boundaries, to find inner peace and meaningful quietness. Meditation is emptiness of the mind, this is different from the meaningful quietness a spiritual person aspires to.

Fromm concludes in his work ‘Escape from freedom’ that the collective is always oppressive and the only ways to stay true to oneself are via true love (I will not go into this one…) and via spontaneous creation. With ‘spontaneous’ he means out of free will.

Now we have to define artistic creation and other creation. Artistic creation springs from what Nietzsche calls instinct, Freud’s subconscious. Also one could use the term intuition. All are opposed to ratio. Rational creation is not artistic creation. Rational art does not exist.

With what we call postmodernism art and art critique are mixed up. Warhol created not art but art critique. His imagery can be understood by members of the public merely as popular. In this way they are entertainment. The deeper meaning of his work is criticizing the art world for being too exclusive. Not by making accessible art, but by posing entertainment as art. This goes for the whole of the pop art movement.

Art and culture are different things. Culture exists of what binds a group of people. Art can be part of culture in this sense, but is only truly art when every spectator has his own subjective experience. Art that is consumed by culture in a way that it poses a dominant reading, is psychologically not true art. A collective experience can not be an artistic experience. On this fundament I will construct my theory of art. I will oppose Art to entertainment. Entertainment makes use of formulae that are dependant on culture and thus collective. People search diversion in entertainment, without letting go of collective reality, without letting go of themselves. Art is letting go of oneself and reaching for alternatives for collective reality. Art is pure subjectivity. Senses become more important that ratio.

“I may be affected by a theatrical exhibition, I may not be affected by an actual event wich appears to concern me much more” writes Henry David Thoreau (Walden, 1854). Artistic experience can be more intense than real-life experience and in this way even more real to the subject.

I posed that art has no part in (collective) culture. Therefore ‘high’ or ‘low’ art does not exist. Off course one can differentiate between different social classes, these groups will have their cultural differences, maybe even more so than financial differences. Nouveau riche people tend to have culturally more in common with working class people, they only have more money. They will wear more expensive clothes, but not classical clothing. They will pay 300,- euros for a pair of jeans, whereas upper class folks who do not have much money in their family left, will be likely to spend the same amount of cash on a suit. The same goes with cars, houses etcetera. You might rather call this differences in style or fashion, but we will see there’s a common accepted dominant style. This style is classical and we call it high culture.

So we see that, as Bourdieu teaches us, there are different ways in which one can be ‘rich’. One can have a lot of money, one can have education and Bildung (the privilege of belonging to the culturally dominant group) and one can be in the possession of al lot of respectable friendships and a network of acquaintances. So there are different types of Kapital: financial, cultural and social. These commodities used to be reserved for one group only and be combined in a single person, a member of the elite. But in our postmodern age one can be a member of a cultural elite without having any money or be a member of a financial elite without the knowledge and customs that are recognized as highly cultural.

The customs of a certain group of people, let’s call them the cultural elite, include a lot of attention (investing time, energy and money) to the arts. Members of the cultural elite value artistic experience above collective experience. Artistic experience is also valued above personal and more or less instinctive experiences, like competing or winning and getting things or money in possession.

Now that we have seen that not only money, but also culture can be seen as power, we can understand that in the postmodern mix-up a broad perspective on culture has arisen and moreover cultural relativism. When people with ‘bad taste’ have come to make a financial fortune, they will not be pleased when culturally excluded. So now rich people can lay claim to a ‘different’ taste rather than to have to suffer of having ‘bad taste’. In this light we must understand Rancière’s notion that politics and aesthetics are essentially the same. Both are ways of creating discourse. By defining the way we look at and talk about things, one exercises power.

But we must differentiate between art and culture. Aesthetics can serve to protect the power of the few, also they can generate new discourse and help emancipate people. I would like to propose to call creative outings that speak to people as members of a group not artistic but cultural. With Rancière the psychological difference between individually experienced art and culturally experienced aesthetics might not be relevant, because he is interested in discourse, which is always intersubjective, a collective interplay of individual experiences. Emancipation of groups happens trough emancipation of individuals, in which art can play a (decisive) role. In this respect artistic experience is interesting as a source of input. However, I do not primarily want to talk about the social consequences of an individual artistic experience. I want to differentiate the individual experience from the collective one.

The interplay of individual experiences which lead to collective experience is not what I mean by collectively induced experience. For Example: A soccer match is not art. The purpose of watching a match is taking part in a collective experience. Also a royal wedding or national holiday are collective experiences. But what about watching a film or reading a book? Although seated in a theatre with a group of people, watching a film can be an individual experience. The relation with the creator(s) of the film is more important then the relation with the other spectators in this aspect. Hollywood movies are aspecific and composed along the lines of formulae. Sometimes five scriptwriters cooperate and often the director has to compromise with powerful producers. these characteristics make it impossible to have a personal and subjective experience. The hollywood movie has only one dimension and all the spectators are coerced in a singular reading. Someone like Stanley Kubrick managed to keep al strings attached and make an artwork of his own. That is an exception.

When reading a spontaneous novel that hasn’t been tempered with (too much) by editors, one will probably have an individual experience. Every reader constructs his or her own story. This is made possible by every subconscious aspect the author has put into his work. The story becomes multi interpretable when it has different dimensions and makes association possible. When a book is being published to please a crowd, the reading experience will be less multi-interpretable and the reader will be coerced into a collective experience. That’s the difference between art and entertainment.

Some books or films are new and attractive in different ways and produce a wide audience. Only when different experiences are possible, can we speak of a work of art. This might be an easily accessible work of art (all the better!), suited for a wide and diverse public, but still a work of art. Other works of art only speak to an experienced public that have defined their taste. These works of art are not ‘high art’ but rather exclusive art.

Probably the difference between what is regarded as ‘good’ and ‘bad’ taste is only dominance and collective acceptance of the dominant taste. Morals also play a big part in dividing ‘good’ and ‘bad’ taste. Changes in what is collectively regarded as good taste will occur only in accordance with the very thick and syrupy streaming substance this fashion of accepted ‘good taste’ is made of.

Overbevolking op de Olympos

Hoewel veel mensen niet meer in God geloven, geloven zij wel “dat er iets is”. Hiermee bedoelen zij dan een hogere macht. Er zijn ook mensen die niet in een hogere macht geloven. Zij zijn atheïst. Maar wanneer een atheïst zichzelf en zijn soortgenoten als wezenlijk anders ziet dan ‘de dieren’ is er geen sprake van atheïsme maar veel eerder van autotheïsme.

Ik bedoel hiermee niet de christelijke geloofsstroming die de Zoon van God als een autonome godheid ziet, maar het verheffen van het zelf tot godheid. Waarom zou een mens een aparte categorie vormen ten opzichte van ‘de dieren’? Moeten we apen en regenwormen, krokodillen en plankton, olifanten en muggen op een hoop gooien en zeggen: “die horen in een dierentuin, daar horen wij niet bij”? Is de wereld niets anders dan een grote dierentuin?

Wij mensen stellen vaak de vraag: “hoe onderscheidt de mens zich van de dieren?”. We stellen minder vaak de vraag “in hoeverre verschilt de mens van andere diersoorten?”. Darwin zou deze laatste vraag stellen. De eerste vraag getuigt van een religieus wereldbeeld. Denk aan het verhaal van Adam en Eva, die de dieren hun namen geven en door God geschapen zijn om over de natuur te heersen.

durer_adam_eva_gravure_grt.jpg

Albrecht Dürer (1504) Adam en Eva

Wanneer de mens zijn eigen god is, is streven naar apotheose een logisch gevolg. Men wil zich onderscheiden van de medemens door het vergaren van aanzien en roem. Een god dient aanbeden te worden.

Kan de mensheid als geheel, als soort zou ik willen zeggen, verheven zijn boven de natuur? De apotheose van de mens bestaat bij de gratie van onderdanen. Als alle mensen goden zijn, kunnen zij niet tegelijk ook onderdanen zijn. De dieren zijn dus onze onderdanen. Dit levert twee problemen op:

1. Maar heel weinig dieren zijn in staat om de rol van onderdaan te vervullen. Alleen een hond kan zijn baasje toejuichen. Aanzien en roem ten opzichte van de dieren moet dan als iets abstracts worden voorgesteld. Hoe?

2. Het concept van mensen als goden en dieren als onderdanen doet geen recht aan de individuele kenmerken van dieren en mensen. De innerlijke beleving van een zeer zwak begaafd mens, een idioot, staat misschien wel dichter bij die van een gorilla of die van een chimpansee dan bij de geesteswereld van een wereldwijd gevierde filosoof. In ieder geval is zowel de emotionele als de intellectuele beleving van beide apen meer gelijk aan die van een (domme) mens, dan aan die van een kikker. En een kikker lijkt op zijn beurt weer meer op de mens dan op een garnaal, of niet?

 Voor meer en beter: “The Life of Animals” van J.M. Coetzee