Categorie archief: hersenwetenschap

Lamme en de blinden

Een wedstrijd met een hoge inzet

De discussie over het bestaan van de vrije wil is er een met een lange traditie. (Voor een schets van enkele aspecten van deze discussie, zie deze lezing). Steeds staan er twee kampen tegenover elkaar die vechten om een hoge inzet: het geldende wereld- en mensbeeld. Wij vragen, is de mens als individu machtig of nietig? Zijn wij door de Natuur geprogrammeerde automaten? Zijn wij door God bepaalde schepsels? Zijn wij Sociaal gedetermineerde schapen? Is het individu ondergeschikt aan de wetten van de Kosmos, aan de voorzienigheid van de Heer, aan de sociaaleconomische druk van het Collectief – of zijn wij heersers in ons eigen hoofd?

De discussie over vrije wil, de ontkenning of bevestiging van het bestaan daarvan is van belang voor het project dat ieder individu van de ontwikkeling van zichzelf maakt; meer of minder ambitieus, soms gestimuleerd of gedwongen door de omgeving.

Brein versus Psyche? …Ja hoor!

Twee wetenschappelijke stromingen staan tegenover elkaar, de klassieke psychologie en de neuropsychologie. Freud begon als hersenonderzoeker, maar omdat dit terrein zo moeilijk en ingewikkeld was, verwachtte hij hierin geen daverende successen die hem roem zouden verschaffen. Hij gooide het over een andere boeg en vond de psychoanalyse uit. De psychoanalyse heeft honderd jaar lang gefloreerd, maar is nu aan het verwelken. Misschien is het tijd om te conserveren, dan houden we nog een mooi droogboeket over. Nu het moeilijker is om voor deze behandeling vergoeding te krijgen, en onderzoek uitwijst dat de menselijke relatie tussen therapeut en patiënt de enige voorspeller voor de slaagkans van behandeling is, is het verstandig hierin de meerwaarde te zien en verworvenheden te consolideren. Want de psychotherapeut kan nog steeds emotionele, mentale en gedragsproblemen verhelpen. Blijkbaar gebeurt er iets in het brein onder invloed van de contacten met de therapeut.

Het is absurd om de termen ‘brein’ en ‘psyche’ als twee verschillende zaken tegenover elkaar te plaatsen, het ene zou materieel en het andere geestelijk zijn. Het zijn twee kanten van dezelfde medaille. Wetenschappelijke bevindingen en ontdekkingen kunnen niet zonder concepten, metaforen, beelden en verwijzingen. Niet alleen moeten subjectieve ervaringen door een wetenschappelijke methode worden geobjectiveerd, ook moeten exacte waarnemingen door conceptuele modellen worden gevangen en in een context worden geplaatst. De neuropsychologie en klassieke psychologie hebben elkaar nodig – en laten we niet vergeten dat filosofie en literatuur een belangrijk deel van de conceptuele basis vormen.

Maar neurowetenschappers en psychologen slaan elkaar liever de figuurlijke hersens in. “De vrije wil is een construct, dus bestaat ze niet!” “Misschien is het een construct, maar daarom niet minder wezenlijk of waar!” “Nietes!” “Welles!” Het is eigenlijk geen wetenschappelijke strijd, maar een strijd om een plek op het toneel. De neuro’s vinden dat de psycho’s lang genoeg op het podium hebben gestaan. Zij mochten jarenlang vertellen hoe ons hoofd in elkaar zat, maar nu zijn ze uitgeluld en zijn anderen aan de beurt. De Neuro’s hebben naar eigen zeggen veel betere kennis, veel wetenschappelijker. De tijd van de literair-intuïtieve pseudowetenschap is voorbij! (Vinden zij).

Populair hersenvoer

Nu de neuro’s eindelijk de aandacht hebben, die ze al jaren denken te verdienen, verschijnt er een massa aan populair hersenvoer. Victor Lamme heeft een schaamteloos spectaculair boek geschreven: “De vrije wil bestaat niet”. Op de voorkant prijkt een olijke optocht pinguïns en van de eerste pagina’s druipt het onder bizarre omstandigheden vergoten mensenbloed.  Het grootste deel behandelt allerlei wetenschappelijke experimentjes die uitwijzen dat onze verklaringen voor gedragskeuzen veelal op fantasie berusten. De teneur is dat het handelen van mensen en de keuzes die zij maken niet vrij maar gedetermineerd zijn. Lamme heeft gevonden dat er in ons brein allerlei (onbewuste) processen gaande zijn, die met elkaar botsen en elkaar bekrachtigen, waar onze gedragingen en keuzes een slechts een gevolg van zijn. Er is geen overkoepelende instantie die een afgewogen beslissing maakt. In ons hoofd geldt niet de regel: de meeste stemmen gelden, maar zij die het hardst roepen, worden gehoord. Net als in de populaire wetenschap eigenlijk.

In een ander boek “Het slimme onbewuste” van Ap Dijksterhuis worden veel van dezelfde experimentjes genoemd en wordt daaruit ook de conclusie getrokken: er is nauwelijks verbintenis tussen bewustzijn en cognitieve controle. Een belangrijke conclusie, die voor velen een eyeopener zal zijn. Daar zou je het bij kunnen laten. Je hoeft niet vol te houden dat –  omdat een statistische meerderheid beperkt bewustzijn en gebrekkig zicht op de eigen motieven en bronnen van gedragskeuzen laat zien – moet worden geconcludeerd dat de vrije wil geheel niet bestaat. Lamme zelf draagt zijn boek op aan Joke, zijn enige vrije wil. Verder laat hij geen uitzondering toe in het mens- en wereldbeeld, dat hij met ons deelt. Dat de experimentjes die hij bespreekt gaan over het uitkiezen van sokken en posters en niet over het kiezen van partners en banen, vind ik nog tot daaraan toe. Ik denk echt dat grote groepen mensen (misschien wel een krappe meerderheid) hun levensgezel, beroep, of volksvertegenwoordigers kiezen zoals zij een poster uitzoeken of een paar sokken kopen. Toch zijn er ook mensen, die op latere leeftijd besluiten medicijnen te gaan studeren en psychiater worden (McGilchrist, zie slot) of die niet voor de eerste de beste partner settelen, maar net zolang zoeken totdat hun meisje het glazen muiltje past (Lamme).

Dijksterhuis ontplooit een positieve onderneming, hij neemt het op voor ons onderbewuste – op de voorkant van zijn boek verbeeldt men het heel mooi met een half onder water genomen foto van een ijsberg. De mens heeft geen onderwatercamera om af te dalen in zijn psyche en ons bewustzijn is slechts het topje van de ijsberg van mentale processen. Dijksterhuis ontkracht de illusie van een ratio als lichtende leider van ons denken en doen. Veel processen zijn intuïtief, en dat is maar goed ook: de beste beslissingen neem je zonder er bewust over na te denken. Lamme concludeert dat we maar beter helemaal niet na kunnen denken. Van zijn betoog gaat een verlammende werking uit. Hij stelt (ook in een groepsgesprek georganiseerd door de Groene Amsterdammer): “alles wat wij doen, wordt door ons brein gedetermineerd”. Zijn ontwikkelingspsychologie stelt het nu als (t=0). Het verleden is een onveranderlijk gegeven. Wat wij doen of beslissen komt voort uit de balans die op dat moment in ons brein bestaat, waar wij verder geen invloed op hebben, een product van aanleg en historie, van nature en nurture. Iedere nieuwe ervaring die door ons handelen en onze gedragingen ontstaat, oefent weliswaar weer invloed uit op ons brein – natuurlijk is het neurologisch evenwicht wel veranderlijk – maar daarmee ontstaat alleen een nieuwe (t=0), een nieuwe interne status quo die ons in de ban heeft…

Dick Swaab zegt: “Wij zijn ons brein”. Hoe verhouden Swaab en Lamme zich tot elkaar? Beide zijn hersenonderzoekers en beide benadrukken onze genetische bepaaldheid. Swaab heeft tegen de stroom in veel betekend voor de erkenning van homoseksualiteit. Toen hij ontdekte dat een homobrein anders is dan een heterobrein en dit wereldkundig maakte, werd hij versleten voor fascist. Hij hield echter vol en nu de wereld klaar is voor dit soort inzichten, zijn velen hem dankbaar. Homo’s voelen zich begrepen en gezien, door zijn ontdekking. Maar dit terzijde. Swaab en andere neurowetenschappers met hem zeggen: het brein heeft een genetische blauwdruk met ingebouwde talenten, mogelijkheden, zwakten en risico’s. De genetische blauwdruk is het door de natuur geprogrammeerde stuk van het brein, met daarin allerlei schakels en variabelen die onder invloed van de omgeving tot wasdom of uitdrukking kunnen komen, of niet – in zieke en gezonde zin. De invloed van de omgeving is in de eerste plaats de macht van de cultuur of het collectief, we zijn immers groepsdieren. Ook de geografische, klimatologische en architectonische (stedelijk of dorps, industrieel of agrarisch) omgevingsfactoren hebben hun uitwerking op de ontwikkeling van ons brein. De discussie nature/nurture lijkt hiermee beslecht. Nature is de winnaar: wat niet in genetische aanleg aanwezig is, zal niet tot uitdrukking komen. Nurture krijgt de prijs voor de meest overtuigende bijrol, van alle externe factoren is de sociale de belangrijkste. Wel moet nurture dan in ruime zin worden opgevat, niet slechts als opvoeding, maar als het geheel van sociale invloed. Als je de twee stellingen naast elkaar zet en taalkundig beschouwt, valt op dat waar Swaab (met gevoel voor lyriek) de mens, zijn geest en zijn brein volledig laat samenvallen: Wij zijn ons brein. Lamme lijkt de mens en zijn brein naast elkaar te zetten. Volgens Lamme is er geen dirigentje dat de controle voert. Hij heeft het over ons gedrag (“alles wat wij doen”) in de lijdende vorm: het wordt gedetermineerd. Maar wie of wat is dan in hemelsnaam bij hem het “wij”? Wat overblijft is een lege huls, ternauwernood valide als rechtspersoon.

“En nu we het er toch over hebben…”

Maar Lamme heeft ook zo zijn idealen. Als wij de illusie van de vrije wil afgeschud hebben, redeneert Lamme, dan kunnen we eindelijk pragmatisch onze samenleving gaan inrichten. De  populaire paralyse, die zijn boek is, voert hij naar een nogal nihilistisch slotbetoog, waarin wordt betreurd dat een onevenredig groot deel van de juridische aandacht en medische zorg, tijd en geld, gestoken worden in een hopeloze groep misdadigers: de ter beschikking gestelden. Volgens Lamme worden wij allemaal bepaald, is goed en slecht gedrag gedetermineerd. Wij zijn allemaal ontoerekeningsvatbaar, dus ook alle misdadigers. Het onderscheid tussen misdaad in een opwelling en met voorbedachten rade dient te vervallen, want momenten van reflectie zijn waardeloos. Het beste is het om onze middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten. Kijk naar het brein, analyseer de zwakten en risico’s. Ontwikkel en pas methoden toe om de zwakke plekken te stutten en de risico’s te minimaliseren. Doe dit bij iedereen, niet alleen bij de meest hopeloze gevallen – ga zelfs waar mogelijk preventief aan de slag. Ons rechtssysteem houdt erg veel rekening met zielige geschiedenissen en zwakke en gebrekkige geesten. Vrouwe Justitia zou blind moeten zijn, maar is dit niet. Er wordt door haar oneigenlijk gediscrimineerd. Impulsieve mensen worden coulanter behandeld dan bedachtzame mensen, domme mensen krijgen meer respijt dan intelligente mensen. Mensen met stoornissen of overhoop liggende levens, zij kunnen er volgens haar niets aan doen. Maar volgens Lamme kan niemand er iets aan doen. Dat is zijn ideaal. Lamme ziet dat de blinddoek van Justitia is afgezakt en knoopt hem opnieuw vast.

Ik vind het prima dat iemand vraagtekens zet bij de praktijken van collega’s. meer voorzichtigheid is geboden als men zich gaat bemoeien met een ander werkveld. Lamme bemoeit zich te pas en te onpas met de forensische psychiatrie en -psychologie. Ieder optreden van Lamme verzandt in geraaskal over de TBS. Zo begint hij een column bij de griep van een prinses, om via het veroordelen van de werkwijze van bejaardenverzorgers, te eindigen met een sneer naar het forensisch veld: “Bij het Pieter Baan centrum denken ze te weten wat iemand gaat doen op basis van diens mooie praatjes, of observaties van gedrag. Tegen dat soort psychologen zou ik willen zeggen, breid uw diagnostisch arsenaal eens uit. Meet eens wat hersenactiviteit. Of beter nog, twijfel ook eens aan uzelf!”. Degene die eens aan zichzelf en zijn bevoegdheden en kwalificaties mag gaan twijfelen, lijkt mij in de eerste plaats Lamme zelf. Lamme ziet hersenonderzoek als een doel op zich. Het enige wat je in zijn optiek verder nog nodig hebt is statistiek. In het gesprek bij de GA: “Op basis van scans is seksuele voorkeur met 95 procent nauwkeurig vast te stellen. Waarschijnlijk ook of je seksueel aangetrokken bent [sic] door kinderen, en wellicht zelfs of je daar wat mee gaat doen. Maar moeten dan alle priesters en zwemleraren onder de scanner? Dan moet degene die dat beslist wel voldoende verstand hebben van statistiek. Je kunt wel bijvoorbeeld een betere afweging maken of je iemand al dan niet op proefverlof stuurt.” Zijn beweringen berusten op waarschijnlijkheden en mogelijkheden. We mogen aannemen dat Lamme inderdaad het liefst iedereen onder de scanner legt. En een betere afweging? Beter dan wat? Zijn gesprekspartner, hoogleraar strafrecht Ybo Buruma “is het er in theorie volledig mee eens. ‘Inderdaad worden in de tbs vaak risico’s op gutfeeling ingeschat.’” Buruma is zelf geen rechter. Leest hij de adviezen van de getuigen deskundige? Hebben de heren al van gestructureerde risicotaxatie-instrumenten gehoord en van intersubjectieve beoordeling? Gutfeeling, my ass! Er wordt zonder omhaal blijk gegeven van minachting voor het werk van anderen.

Buruma vervolgt dat hij beducht is voor het volledig openzetten van de deur van hersenonderzoek voor de rechtspraak en met name van preventief ingrijpen op basis van “gelegitimeerde risicotaxaties”.  Hij is dus wel van het begrip op de hoogte, misschien niet van de precieze inhoud en wetenschappelijke status. Weet Buruma eigenlijk überhaupt wel wat voor maatregel het opleggen van verpleging van overheidswege is? TBS is preventief ingrijpen. TBS wordt opgelegd wanneer ernstige delicten niet of slechts ten dele kunnen worden toegerekend. Gedwongen behandeling in een gesloten omgeving moet de risico’s voor te toekomst op herhaling beheersen. Dat is pure preventie en geen straf.

De weledelzeergeleerde heren bedoelen het allemaal best, ze hebben ideeën en idealen, maar het is allemaal zo beperkt houdbaar. Ik zie de tegenstelling tussen hen als vertegenwoordigers ongeveer zo:

Ik denk dat iemand als Buruma uitgaat van de gelijkheid van mensen en van het ideaal van de vrije wil of het recht op zelfbeschikking. Een normaal mens is vrij om goed of kwaad te doen. Iemand die kwaad doet, doet dit uit een afweging van voor- en nadelen, van risico’s en gewin. Straf is onderdeel van het spel. Iemand die niet door empathie geleid wordt, moet met nadelige gevolgen van daden worden geconfronteerd. Het construct van de vrije wil is praktisch aanvaardbaar omdat het een beloning voor het goede en constructieve vormt. Mensen kunnen zich laten voorstaan op hun goede en respectabele gedrag als een verdienste. Dit motiveert om eisen aan jezelf te stellen. Slechts bizarre en gestoorde mensen kunnen worden ontzien. Hun misdaden worden hen niet toegerekend, zij vormen de uitzondering die de regel bevestigt. (Zij wekken medelijden en zorgbehoefte). Wanneer er teveel aan preventie wordt gedaan, komt de vrije wil in het gedrang. Onnodige inperking daarvan is immoreel.

Personen als Lamme gaan uit van het ideaal van de (onvoorwaardelijke) gelijkwaardigheid van de mens. Zij die zich verheffen, doen dit niet uit vrije wil en kunnen zich er niet op laten voorstaan. Zij zijn gunstig gedetermineerd. Iedereen die de fout ingaat, is ongunstig gedetermineerd. Straf en beloning zijn dus immoreel. Het maakt niet uit of iemand volledig de weg kwijt is en tot bizarre onbegrijpelijke daden overgaat; of iemand door woede, haat en vernietigingsdrang tot moord komt; of vanuit ijskoude berekening. Het verschil tussen moord en doodslag is ideologisch bepaald. Kwade opzet, motieven gericht op meetbaar gewin wekken meer afschuw en moreel afwijzen dan een crime passionel. Dit onderscheid is emotioneel en niet wetenschappelijk. Het enige dat zou moeten tellen, is preventie. Alles wat (wetenschappelijk gemotiveerd) kan worden gedaan om mensen op het goede pad te houden, is geoorloofd. Zowel op het gebied van behandeling als van beveiliging. Wanneer straf op efficiënte wijze zorgt dat de misdadiger tot inkeer komt, is dit middel als preventiemaatregel gerechtvaardigd. Kan het goedkoper en sneller, dan moet het anders. Het is zonde om zeer veel te investeren in de meest hopeloze gevallen (TBS).

Ik hoop dat we de twee visies hierboven kunnen verenigen, beide zijn op zichzelf te eenzijdig en rigide. Beide visies hebben zo hun goede punten.

De ontmaskering

Hersenlui zeggen: we kunnen in het brein ver voordat iemand iets doet (en zich bewust wordt van een keuze) al zien wat hij gaat doen. Mensen worden volledig bepaald door de balans in hun hoofd en verzinnen pas achteraf een verklaring of reden… Als je een organisme door de lucht gooit en het halverwege de beschreven baan een bewustzijn geeft, dan zal het aangeven dat het de koers bewust gekozen heeft en er eventueel ook nog een motief bij geven. Zo is het met de mens gesteld. We worden gemakkelijk verleid en misleid, zonder dat we het doorhebben. We handelen intuïtief en praten achteraf recht wat krom is of andersom.

Lamme wil de mensheid een spiegel voorhouden, ficties ontmaskeren, ons de ogen openen… dat kan echter ook anders. Frans de Waal deelt met ons zijn biologisch perspectief. Hij doet dit uit respect voor de dierenwereld en uit zelfrespect, respect voor de eigen soort. De Waal zegt: wij houden onszelf voor de gek. Wij noemen een mooie moraal, grootmoedig gedrag en empathie menselijk. Destructie, moord, geweld en verkrachting noemen wij beestachtig. Dat is niet eerlijk. De Waal laat zien dat onze edele neigingen evengoed bij dieren veelvuldig worden teruggezien, terwijl het soms moeilijker is om onze aberraties op de natuur te herleiden. Nu Lamme. Ook hij vindt dat we ons tekort doen en voor de gek houden. Bewuste processen worden overgewaardeerd. We kloppen onszelf op de borst en spreken van verdienste, waar dit slechts gevolgen zijn van onze aanleg en historie. Ook Lamme laat zien dat er collectieve illusies door te prikken zijn. Maar waar we bij Frans de Waal iets terugkrijgen voor het opgeven van onze grootheidsideeën – een lidmaatschap van de club der primaten – biedt Lamme ons niets.

Slot: Opnieuw de vrije wil

Er zou geen wil zijn, want we zien geen aanwijsbare overkoepelende entiteit in het brein. De geest is een product van de fantasie en dan zou de gevestigde orde van klassieke psychologen plaats moeten maken voor de nieuwe generatie neuropsychologen. Materie komt in de plaats van lucht.

Zenuw is sinew is vezel. Neuron betekende in het Oudgrieks (spier)vezel. Hersens zitten in je harsens en deze beide woorden stammen van voorvaderlijke verwijzingen naar de schedel. Voor de grote Freud en nog lang daarna was deze schedel een black box. Natuurlijk zijn onderzoekers als Swaab en Lamme – die hun wetenschappelijke zaklamp in die doos steken – materialisten pur sang, dat is op zich niet zo erg. Maar als Lamme zijn bundel verplaatst, verdwijnt het zicht hier en valt er een invalshoek daar. Hij ziet een hoop, leert en begrijpt een boel, maar er ontstaat geen totaalbeeld, allen de ontkenning daarvan. Delen zijn te bevatten, maar het geheel kan niet worden overzien. Een geheel zou moeten worden geconceptualiseerd, daarvoor moet je psychologiseren en zelfs filosoferen – en dat is niets voor een materialist.

En toch hebben we een verhaal nodig. ‘Theory of mind’ is een mooi voorbeeld van een filosofisch/psychologisch construct, dat tegelijk gebaseerd is op wetenschappelijke experimenten en intuïtie. Het idee ervan is dat de mens zich onderscheidt van andere diersoorten doordat hij een verregaand vermogen heeft zich in een ander in te leven. Mensen kunnen een voorstelling maken van een bewustzijn buiten zichzelf. Lees en interpreteer deze passage maar eens: “Ik weet dat hij gelooft dat zij mij voor de gek houdt en dat ik erin trap. Hij weet namelijk niet dat ik met haar onder een hoedje speel. Het is hij die voor de gek gehouden wordt!” . U snapt dit ongetwijfeld. Kinderen ontwikkelen dit vermogen rond een jaar of 4. Autisten hebben er extreme moeite mee en ook een mensaap staat evolutionair op de drempel het vermogen te verwerven een voorstelling van de geest van de ander te maken. De mens zal zelf ook op een evolutionaire drempel staan. Misschien hebben sommigen van ons al een basaal en primitief kiempje van vrije wil, terwijl anderen zover nog niet zijn. Het is voor een genuanceerde discussie niet goed om de mensheid als homogene groep voor te stellen. Statistiek zegt iets over de norm, de modus, over het gemiddelde. Het zegt niks over de uitschieters, die ons tot voorbeeld kunnen strekken. In plaats van een discussie over het bestaan van de vrije wil zou er een discussie over de aard van de vrije wil gevoerd moeten worden. Ik noem hieronder enkele auteurs die zich voor deze discussie hebben ingezet.

Nietzsche kwam met de Wille zur Macht als bron van leven, als de levenskracht zelf. De slavenmoraal van de christencultuur haalde het krachtige individu omlaag en eiste dat het zich conformeert aan het collectief. Dat stond de individuele vrijheid in de weg. En het was aan het individu zelf om zich daarvan los te maken. Erich Fromm stelde dat wij uit angst voor eenzaamheid onszelf in de tang namen en onze individuele vrijheid vrijwillig opgaven en dat wij de confrontatie met onszelf – met onze eigen (on)vermogens tot scheppen en liefhebben – moesten aangaan.

Iemand die het als neurowetenschapper aandurft de fundamenten voor een hernieuwd mensbeeld te leggen, is Iain McGilchrist. Als literator en psychiater, vanuit een jarenlange klinische ervaring en cultureel geschoolde achtergrond, schreef hij “The Master and his emissary”. Bij het doorbladeren en lezen van Dijksterhuis’ boek moest ik vaak denken aan dit superieure werk. In plaats van de (klassiek psychologische) tegenstelling bewust – onbewust werkt hij de metafoor van de twee verschillende werelden van de linker – rechter hemisfeer uit. McGilchrist nu theoretiseert dat onze persoonlijke vrijheid verloren gaat (of dreigt te gaan) in een innerlijke strijd tussen de hemisferen, waarbij de in aanleg ondergeschikte linkerhersenhelft steeds vaker als overwinnaar uit de bus komt. Het is de linkerhelft – die wil grijpen en weten, die alleen ziet wat het al kent, alles letterlijk neemt en een absolute kijk heeft op de wereld, waarin het eigenbelang voor alles gaat – die als precisie-instrument niet meer in dienst wil staan van de rechterhelft. De rechterhelft – die gelooft, het geheel omvat, oog heeft voor nieuwe zaken, verschillende belangen afweegt, gevoel heeft voor verhoudingen en relaties, verbanden legt – wordt overmeesterd door zijn zendeling, waar een voortdurende vriendschappelijke strijd en samenwerking voor beide helften het beste was geweest (aangezien ze onder één schedeldak tot elkaar veroordeeld zijn). Links en rechts kunnen elkaar aanvullen en beconcurreren en samen boven zichzelf uitstijgen, als som meer dan de delen. Echter, door culturele evolutie mag de linkerhelft steeds verder opklimmen tot dominantie en dreigt een verlamming van de vermogens van rechts. Dit zien we terug in de belachelijke welles/nietes-discussie over het al dan niet bestaan van de vrije wil – waarbij soms de achterliggende motieven die lijken te spelen, zich richten op de macht van het spreken en gehoord worden en niet om het leveren van een constructieve bijdrage aan het discours. McGilchrist zelf zegt zich te realiseren dat zijn verhaal over de lateralisatie, over de verschillende stijlen van de linker en rechter hemisfeer de werkelijkheid simplificeert en generaliseert, zijn boek is misschien niet veel meer dan een uitgebreide metafoor. Maar aangezien het juist een van de unieke vermogens is van de rechterhelft om in beelden en analogieën te denken, zou het McGilchrist met trots vervullen als zijn werk als metafoor voortleeft

Puberbrein

Een leraar in het voorgezet onderwijs weet als geen ander dat pubers lastige wezens zijn. Maar pubers zijn daarnaast misschien ook wel de meest interessante groep om mee te werken. Ze zijn als het ware nog niet helemaal ‘af’. Pubers bezitten in tegenstelling tot de meeste kleine kinderen wel de intellectuele vermogens te abstraheren en te concretiseren. Deze hersenfuncties zijn nodig voor de complexe bezigheid van het analyseren. Pubers zijn dan ook klaar voor een voorbereiding op een wetenschappelijke opleiding. De vraag is in hoeverre deze voorbereiding gericht moet zijn op het leggen van een algemene basis. Zou het individu niet meer gebaat kunnen zijn bij een vroegere specialisatie?

We weten dat kinderen in de prepuberteit het vermogen ontwikkelen abstract te denken. Dit vermogen is een cruciaal onderdeel van het complexe geheel van hersenfuncties dat humor mogelijk maakt. Dit verklaart het duidelijke verschil in humor tussen kleine kinderen en pubers. Dit verschil is veel groter en meer fundamenteel dan (het meer culturele) verschil tussen de humor van pubers en volwassenen, dat meer een kwestie van smaak lijkt. Het sterk ontwikkelde vermogen tot onder andere abstraheren, komt voort uit een fysieke ontwikkeling in de hersenen. De hersenen van een mens blijven doorgroeien tot ongeveer het twintigste levensjaar. Deze groei accelereert na de pre- en postnatale periode opnieuw in de adolescentie.

In de laatste fase van de zwangerschap groeien de hersenen van de ongeboren vrucht enorm. Na de bevalling, in de eerste anderhalf jaar, gaat deze groei stevig en gestaag door. Het kind ontwikkelt hiermee een enorme potentiële denkkracht, die door het nabootsen van anderen en het oefenen van allerlei taken tot ontwikkeling komt. Dit komt neer op gebruiken en versterken van verbindingen tussen hersencellen. Een baby wordt geboren met een enorme hoeveelheid neuronen, dit zijn de celkernen. Deze celkernen kun je je voorstellen als informatie-eenheden. Aan deze celkernen zitten axonen. Dit zijn ‘tentakels’ die ervoor dienen om op chemische wijze informatie uit te wisselen tussen celkernen. Traditioneel noemen we de neuronen grijze stof en de axonen witte stof.

Voeger, tot voorkort eigenlijk, dachten we dat het brein van een zesjarige al bijna een volwassen potentie heeft en er daarna wat betreft neuronale groei niet zoveel meer gebeurt.

De omvang van een brein van een kind dat naar groep 3 mag en gaat leren lezen en schrijven is al 95% van dat van een volwassene.

Recent is er echter ontdekt dat er in de prepubertijd, in de bovenbouw van de lagere school in de gehele grote hersenen, die verantwoordelijk zijn voor al onze hogere functies, een enorme (tweede) groeispurt plaats heeft. Deze groeispurt maakt een ingrijpende reorganisatie mogelijk.

Wanneer een kind in de prepubertijd komt, begint er een cerebrale groeispurt van neuronen, vooral in de prefrontale cortex. Vervolgens worden verbindingen afgebroken, die niet worden gebruikt. Hiermee verliest het opgroeiende kind de potentie om bepaalde vermogens te ontwikkelen. Die afbraak verloopt volgens het principe ‘Use it or lose it’.

De verbindingen tussen hersencellen, die niet gebruikt worden, omdat er van oefening geen sprake is, worden opgegeven.

Zo komt ruimte en energie vrij voor de mechanismen die veel in gebruik zijn. Je kunt het zien als spoorlijntjes die worden opgeheven en andere verbindingen die met extra sporen worden versterkt. De verbindingen die in het puberbrein veel gebruikt worden, krijgen versterking. Dit gebeurt op chemische wijze; er wordt een geleidende stof aangebracht op de axonen, zodat de informatiestroom sneller en soepeler verloopt.

Voor pubers zelf zijn de sociale vaardigheden en vermogens en het ontwikkelen van een gevoel voor humor erg belangrijk. Hiermee stellen ze hun positie in de groep veilig. de maatschappij vindt het verder van belang dat ze zich algemeen voorbereiden op een vervolgopleiding. Analytische vermogens moeten worden getraind, maar ook heel veel kennis dient te worden opgeslagen. Tegenwoordig is er echter een externe en onuitputtelijke collectieve opslag van kennis: Het Internet. De jeugd van tegenwoordig surft vrij vaardig. Zijn zij zich daarbij ook bewust van de wisseldende kwaliteit van de beschikbare kennis? Zoeken ze om te leren of vooral om te herkennen?

Is het aanleren van kritische vermogens (door het geven van het goede voorbeeld en persoonlijke begeleiding) en het prikkelen van de leergierigheid niet minstens zo productief als het aanbieden van kennis in hapklare brokken?

In ieder geval past het stimuleren van de vermogens tot kritische analyse en het leren maken van analogieën heel goed bij de ontwikkeling in een puberbrein. We zullen hieronder eens wat nader ingaan op de werking van de hersenen bij het volbrengen van verschillende taken en het tot stand brengen van complexe vermogens.

Wiskunde

Een voorbeeld van een complexe taak die twee hersengebieden aanspreekt is wiskunde. Hiermee vinden we een bewijs voor het idee dat voor wiskunde zowel kennis (van gemaakte afspraken), als inzicht (in natuurlijke verhoudingen) nodig zijn. Voor succesvolle wiskunde is een goede verbinding van de ‘linker frontale kwab’ van de hersenen met de ‘parietale kwabben’ nodig. Deze kwabben liggen aan de zijkanten van het brein en geven aandacht aan problemen die (vanuit visuele informatie) op het gebied van ruimtelijke en getalsmatige verhoudingen spelen. Zo zijn we in staat om inschattingen te maken. Hier speelt het ‘intuïtieve’ deel van de wiskunde zich af. Voor het uitvoeren van exacte berekeningen wordt geput uit de kennis die op talige wijze in het geheugen vastgelegd is… Of we nu schrijven “drie keer drie is negen” of korter “3×3=9”, het gaat in beide gevallen om een zinnetje of regeltje dat vastligt en in taal uitgedrukt wordt. Het betreft kennis, geen inzicht. Het activeren en combineren van informatie uit het talige geheugen onder leiding van intuïties over verhoudingen maakt succesvolle wiskundige berekeningen mogelijk.

Bedrog?

In de rechter hersenhelft van de voorste hersenen ligt de potentie en capaciteit voor het inschatten van visueel perspectief. Deze capaciteit kan worden toegepast voor het inschatten van het (psychologisch) perspectief van een ander, dit draagt ook bij aan inlevingsvermogen of empathie. Hier ligt de mogelijkheid bedrog te detecteren. Om te kunnen vaststellen dat de ander ons bedriegt, moeten we ons een voorstelling maken van het perspectief van die ander. We stellen ons daartoe vragen als: ‘wat weet de ander?’ en ‘wat wil de ander?’. Door antwoord te geven op deze vragen reconstrueren we de processen die een rol spelen. Vervolgens combineren we deze ‘beelden’ tot een perspectief dat buiten dat van onszelf ligt. Wanneer we ons zodanig een beeld van het perspectief van de ander vormen, zijn we vervolgens in staat te bepalen hoe dit zich tot ons verhoudt en daarmee of we worden belazerd of integer benaderd worden.

Humor

Nu zullen we nader ingaan op de processen die van belang zijn voor een gezond en volwassen gevoel voor humor. Er zijn onderzoeken gedaan naar de voorkeuren op het gebied van humor van proefpersonen met een defect in de voorste hersenen en die van ‘normale’ proefpersonen. Hiervoor werd een begin van een grap aangeboden met drie mogelijke clous. De grap gaat als volgt: “Een jongen komt bij een boer voor vakantiewerk. Hij vraagt hoeveel hij kan verdienen. ‘100 euro in de eerste week’, zegt de boer, ‘maar na een week kan dat oplopen to 150 euro en misschien wel meer’. Voor het antwoord dat de jongen geeft, kan de proefpersoon kiezen uit:· ‘prima, wanneer kan ik beginnen?’· ‘dan begin ik wel over een week!’· ‘He baas, wist je dat je neus te groot is voor je hoofd?’

Het eerste antwoord is humorloos en to the point. Het tweede antwoord is volgens de logica van de humor. De meeste gezonde mensen kiezen dit antwoord. Het laatste antwoord doet absurd aan en staat in geen relatie tot het voorgaande. Het is van het soort slapstick-humor, waar jonge kinderen vaker een voorkeur voor hebben. Proefpersonen met een beschadiging in de voorste hersenen kiezen hiervoor door gerbrek aan begrip en houvast op de materie van de humor.

Om een succesvolle grap te maken of te begrijpen moet je verschillende processen in gang zetten: in het kortetermijngeheugen of ‘werkgeheugen’ moet een portie informatie vastgehouden worden en gemanipuleerd. Er moet cognitief geschakeld worden tussen verschillende perspectieven en er moet worden geabstraheerd en eventueel geconcretiseerd.

Kinderen bezitten deze vermogens nog slechts rudimentair, mensen met een beschadiging in de voorste hersenen hebben hier een defect en pubers bezitten een enorme potentie die zij tot wasdom laten komen.

Uit het bovenstaande en alles wat we geleerd hebben over de ontwikkeling van de voorste hersenen in een puberbrein, kunnen we de voorkeur voor humor bij pubers nu bevredigend verklaren. Met humor train je de belangrijkste hersenfuncties die in aanbouw zijn: functies die sociale interactie, zowel als intellectuele analyse mogelijk maken. Humor in de klas is dan ook van het grootste belang. Zowel leerlingen als docenten gebruiken de strategie van de humor niet zomaar om zichzelf geliefd te maken. Humor is niet alleen prettig door het gelukzalige gevoel dat het prikkelt, het is ook nog een goede vorm van hersentraining.

De romantische filosoof Friedrich Nietzsche analyseerde op zijn gebruikelijke nihilistische wijze het bestaan aldus: wanneer je door hebt hoe kwalijk, nutteloos en absurd het leven is, kan slechts de kunst een uitweg bieden. De zoektocht naar het verhevene zet dit onbehagen om in schoonheid, het komische sublimeert het gevoel voor de absurditeit. Kortom; de humor is een overlevingsstrategie van (betrekkelijke) zingeving in een verwarrende wereld. Zeker een adolescent is gevoelig voor het absurde van de wereld van de volwassenen en zal zich snel verward voelen. Niet voor niets maken pubers aan de lopende band grappen!

We kunnen concluderen dat de hersenen van pubers zich als het ware ‘schrap zetten’. In een groeispurt van de hersenen worden talloze extra neuronen aangemaakt. Er ontstaat een enorm potentieel in denkkracht. Op een leeftijd van ongeveer 12 jaar is die potentie optimaal, maar de controle is minimaal… De tijd om verbindingen af te breken en te versterken breekt aan. Allesbepalend zal hierin zijn hoe een puber zijn of haar hersens gebruikt. Mogelijkheden die niet benut worden, verbindingen die niet actief zijn, worden geëlimineerd of sterven af. Verbindingen die veel gebruikt worden, worden versterkt. Adolescenten maken eigen keuzes om zich te oefenen in muziek, sport, sociaal-vriendschappelijke contacten en sociaal-seksuele contacten. Humor gaat een belangrijke rol spelen. De intellectuele en kunstzinnige vermogens kunnen flink worden uitgebouwd. Pubers zijn in staat tot abstraheren en concretiseren, jonge kinderen kunnen dit veel minder…

Intussen heeft de maatschappij gemeten en geoordeeld. Het opgroeiend kind heeft de cito-toets gemaakt, een advies is uitgebracht. De maat van de hersens van de (pre)puber is genomen en een keuze voor een opleiding in het voortgezet onderwijs is gemaakt. Let wel: er is hier sprake van gradaties van theoretische capaciteiten.

Een cito-toets en ook een IQ-test meet rationele vermogens, die bij een beschadiging aan de voorste hersenen nauwelijks beïnvloed worden.

Terwijl de prepuber juist daar een enorme potentie heeft aangemaakt en het trainen van die voorste hersens fysiologisch de volgende stap is, richt het onderwijs zich op andere zaken… De manier waarop het voortgezet onderwijs nu is ingericht past beter bij de ontwikkeling van een jong kind dan bij een puber. Wanneer er minder aandacht uit zou gaan naar kennisoverdracht, (achterhaalde) theorie en het leren beheersen van formules en andere trukendozen, wanneer de individualiteit en de hogere hersenfuncties van een puber serieus genomen zouden worden, zou er een veel productievere samenwerking tussen school en leerlingen mogelijk worden. Een puber is een volwassene in wording met een samengestelde potentie om problemen van verschillende aard te analyseren en aan te pakken. Oefening leidt tot praktische ervaring. Op het niveau van de hersens betekent deze ervaring: verbindingen tussen celkernen. Hoe dikker de verbinding, hoe beter de prestaties. Een kind krijgt in de puberteit een ‘tweede kans’. De hersenen zijn klaar om zich op een volwassen en gespecialiseerd leven voor te bereiden. Het maken van keuzes en het trainen van specifieke vermogens is daarvoor nodig.

De belangrijkste zaken die een kind op de lagere school leert, zijn rekenen en taal. We hebben gezien dat het rekenen neurologisch ook als taal opgevat dient te worden. De hersenen van een kind vormen zodoende eigenlijk een taalcumputer. Na het twaalfde levensjaar is het bij nul beginnen met het aanleren van taalsystemen nagenoeg onmogelijk, het past dus perfect bij de neurale ontwikkeling dit op jonge leeftijd te doen. Vervolgens bepalen de omstandigheden welke vermogens het individu dient te ontwikkelen. Omdat wij in een nauwe samenhang met elkaar leven, zijn de sociale vermogens het belangrijkst. Intellectuele of creatieve vermogens maken het mogelijk voor een individu zich te onderscheiden. Hoewel onze maatschappij een adolescent vraagt kennis te verwerven en wederom algemene vaardigheden op te doen, is het wellicht juist tijd om te specialiseren. Je kunt met gemak volhouden dat de mens meer gebaat is bij een individuele identiteit, gebaseerd op specifieke vermogens. We willen toch trots zijn op onszelf? We willen toch geen eenheidsworst? We mogen leerlingen niet het slachtoffer laten worden van een compromis tussen vakgebieden die om invloed strijden. Daarbij stamt het disciplinaire schoolsysteem uit de negentiende eeuw: de sociale wetenschappen zouden zo langzamerhand wel eens tot het curriculum door mogen dringen. Juist het sociale staat centraal in een puberleven. Iedere docent vindt zijn of haar vak het belangrijkst, maar de leerling moet al die vakken volgen. Een puber is prima in staat om snel keuzes te maken; we doen ons hele leven niets anders dan kiezen. Ik pleit voor eigen verantwoordelijkheid en intrinsieke motivatie.

links: