Categorie archief: Psychologie

Lamme en de blinden

Een wedstrijd met een hoge inzet

De discussie over het bestaan van de vrije wil is er een met een lange traditie. (Voor een schets van enkele aspecten van deze discussie, zie deze lezing). Steeds staan er twee kampen tegenover elkaar die vechten om een hoge inzet: het geldende wereld- en mensbeeld. Wij vragen, is de mens als individu machtig of nietig? Zijn wij door de Natuur geprogrammeerde automaten? Zijn wij door God bepaalde schepsels? Zijn wij Sociaal gedetermineerde schapen? Is het individu ondergeschikt aan de wetten van de Kosmos, aan de voorzienigheid van de Heer, aan de sociaaleconomische druk van het Collectief – of zijn wij heersers in ons eigen hoofd?

De discussie over vrije wil, de ontkenning of bevestiging van het bestaan daarvan is van belang voor het project dat ieder individu van de ontwikkeling van zichzelf maakt; meer of minder ambitieus, soms gestimuleerd of gedwongen door de omgeving.

Brein versus Psyche? …Ja hoor!

Twee wetenschappelijke stromingen staan tegenover elkaar, de klassieke psychologie en de neuropsychologie. Freud begon als hersenonderzoeker, maar omdat dit terrein zo moeilijk en ingewikkeld was, verwachtte hij hierin geen daverende successen die hem roem zouden verschaffen. Hij gooide het over een andere boeg en vond de psychoanalyse uit. De psychoanalyse heeft honderd jaar lang gefloreerd, maar is nu aan het verwelken. Misschien is het tijd om te conserveren, dan houden we nog een mooi droogboeket over. Nu het moeilijker is om voor deze behandeling vergoeding te krijgen, en onderzoek uitwijst dat de menselijke relatie tussen therapeut en patiënt de enige voorspeller voor de slaagkans van behandeling is, is het verstandig hierin de meerwaarde te zien en verworvenheden te consolideren. Want de psychotherapeut kan nog steeds emotionele, mentale en gedragsproblemen verhelpen. Blijkbaar gebeurt er iets in het brein onder invloed van de contacten met de therapeut.

Het is absurd om de termen ‘brein’ en ‘psyche’ als twee verschillende zaken tegenover elkaar te plaatsen, het ene zou materieel en het andere geestelijk zijn. Het zijn twee kanten van dezelfde medaille. Wetenschappelijke bevindingen en ontdekkingen kunnen niet zonder concepten, metaforen, beelden en verwijzingen. Niet alleen moeten subjectieve ervaringen door een wetenschappelijke methode worden geobjectiveerd, ook moeten exacte waarnemingen door conceptuele modellen worden gevangen en in een context worden geplaatst. De neuropsychologie en klassieke psychologie hebben elkaar nodig – en laten we niet vergeten dat filosofie en literatuur een belangrijk deel van de conceptuele basis vormen.

Maar neurowetenschappers en psychologen slaan elkaar liever de figuurlijke hersens in. “De vrije wil is een construct, dus bestaat ze niet!” “Misschien is het een construct, maar daarom niet minder wezenlijk of waar!” “Nietes!” “Welles!” Het is eigenlijk geen wetenschappelijke strijd, maar een strijd om een plek op het toneel. De neuro’s vinden dat de psycho’s lang genoeg op het podium hebben gestaan. Zij mochten jarenlang vertellen hoe ons hoofd in elkaar zat, maar nu zijn ze uitgeluld en zijn anderen aan de beurt. De Neuro’s hebben naar eigen zeggen veel betere kennis, veel wetenschappelijker. De tijd van de literair-intuïtieve pseudowetenschap is voorbij! (Vinden zij).

Populair hersenvoer

Nu de neuro’s eindelijk de aandacht hebben, die ze al jaren denken te verdienen, verschijnt er een massa aan populair hersenvoer. Victor Lamme heeft een schaamteloos spectaculair boek geschreven: “De vrije wil bestaat niet”. Op de voorkant prijkt een olijke optocht pinguïns en van de eerste pagina’s druipt het onder bizarre omstandigheden vergoten mensenbloed.  Het grootste deel behandelt allerlei wetenschappelijke experimentjes die uitwijzen dat onze verklaringen voor gedragskeuzen veelal op fantasie berusten. De teneur is dat het handelen van mensen en de keuzes die zij maken niet vrij maar gedetermineerd zijn. Lamme heeft gevonden dat er in ons brein allerlei (onbewuste) processen gaande zijn, die met elkaar botsen en elkaar bekrachtigen, waar onze gedragingen en keuzes een slechts een gevolg van zijn. Er is geen overkoepelende instantie die een afgewogen beslissing maakt. In ons hoofd geldt niet de regel: de meeste stemmen gelden, maar zij die het hardst roepen, worden gehoord. Net als in de populaire wetenschap eigenlijk.

In een ander boek “Het slimme onbewuste” van Ap Dijksterhuis worden veel van dezelfde experimentjes genoemd en wordt daaruit ook de conclusie getrokken: er is nauwelijks verbintenis tussen bewustzijn en cognitieve controle. Een belangrijke conclusie, die voor velen een eyeopener zal zijn. Daar zou je het bij kunnen laten. Je hoeft niet vol te houden dat –  omdat een statistische meerderheid beperkt bewustzijn en gebrekkig zicht op de eigen motieven en bronnen van gedragskeuzen laat zien – moet worden geconcludeerd dat de vrije wil geheel niet bestaat. Lamme zelf draagt zijn boek op aan Joke, zijn enige vrije wil. Verder laat hij geen uitzondering toe in het mens- en wereldbeeld, dat hij met ons deelt. Dat de experimentjes die hij bespreekt gaan over het uitkiezen van sokken en posters en niet over het kiezen van partners en banen, vind ik nog tot daaraan toe. Ik denk echt dat grote groepen mensen (misschien wel een krappe meerderheid) hun levensgezel, beroep, of volksvertegenwoordigers kiezen zoals zij een poster uitzoeken of een paar sokken kopen. Toch zijn er ook mensen, die op latere leeftijd besluiten medicijnen te gaan studeren en psychiater worden (McGilchrist, zie slot) of die niet voor de eerste de beste partner settelen, maar net zolang zoeken totdat hun meisje het glazen muiltje past (Lamme).

Dijksterhuis ontplooit een positieve onderneming, hij neemt het op voor ons onderbewuste – op de voorkant van zijn boek verbeeldt men het heel mooi met een half onder water genomen foto van een ijsberg. De mens heeft geen onderwatercamera om af te dalen in zijn psyche en ons bewustzijn is slechts het topje van de ijsberg van mentale processen. Dijksterhuis ontkracht de illusie van een ratio als lichtende leider van ons denken en doen. Veel processen zijn intuïtief, en dat is maar goed ook: de beste beslissingen neem je zonder er bewust over na te denken. Lamme concludeert dat we maar beter helemaal niet na kunnen denken. Van zijn betoog gaat een verlammende werking uit. Hij stelt (ook in een groepsgesprek georganiseerd door de Groene Amsterdammer): “alles wat wij doen, wordt door ons brein gedetermineerd”. Zijn ontwikkelingspsychologie stelt het nu als (t=0). Het verleden is een onveranderlijk gegeven. Wat wij doen of beslissen komt voort uit de balans die op dat moment in ons brein bestaat, waar wij verder geen invloed op hebben, een product van aanleg en historie, van nature en nurture. Iedere nieuwe ervaring die door ons handelen en onze gedragingen ontstaat, oefent weliswaar weer invloed uit op ons brein – natuurlijk is het neurologisch evenwicht wel veranderlijk – maar daarmee ontstaat alleen een nieuwe (t=0), een nieuwe interne status quo die ons in de ban heeft…

Dick Swaab zegt: “Wij zijn ons brein”. Hoe verhouden Swaab en Lamme zich tot elkaar? Beide zijn hersenonderzoekers en beide benadrukken onze genetische bepaaldheid. Swaab heeft tegen de stroom in veel betekend voor de erkenning van homoseksualiteit. Toen hij ontdekte dat een homobrein anders is dan een heterobrein en dit wereldkundig maakte, werd hij versleten voor fascist. Hij hield echter vol en nu de wereld klaar is voor dit soort inzichten, zijn velen hem dankbaar. Homo’s voelen zich begrepen en gezien, door zijn ontdekking. Maar dit terzijde. Swaab en andere neurowetenschappers met hem zeggen: het brein heeft een genetische blauwdruk met ingebouwde talenten, mogelijkheden, zwakten en risico’s. De genetische blauwdruk is het door de natuur geprogrammeerde stuk van het brein, met daarin allerlei schakels en variabelen die onder invloed van de omgeving tot wasdom of uitdrukking kunnen komen, of niet – in zieke en gezonde zin. De invloed van de omgeving is in de eerste plaats de macht van de cultuur of het collectief, we zijn immers groepsdieren. Ook de geografische, klimatologische en architectonische (stedelijk of dorps, industrieel of agrarisch) omgevingsfactoren hebben hun uitwerking op de ontwikkeling van ons brein. De discussie nature/nurture lijkt hiermee beslecht. Nature is de winnaar: wat niet in genetische aanleg aanwezig is, zal niet tot uitdrukking komen. Nurture krijgt de prijs voor de meest overtuigende bijrol, van alle externe factoren is de sociale de belangrijkste. Wel moet nurture dan in ruime zin worden opgevat, niet slechts als opvoeding, maar als het geheel van sociale invloed. Als je de twee stellingen naast elkaar zet en taalkundig beschouwt, valt op dat waar Swaab (met gevoel voor lyriek) de mens, zijn geest en zijn brein volledig laat samenvallen: Wij zijn ons brein. Lamme lijkt de mens en zijn brein naast elkaar te zetten. Volgens Lamme is er geen dirigentje dat de controle voert. Hij heeft het over ons gedrag (“alles wat wij doen”) in de lijdende vorm: het wordt gedetermineerd. Maar wie of wat is dan in hemelsnaam bij hem het “wij”? Wat overblijft is een lege huls, ternauwernood valide als rechtspersoon.

“En nu we het er toch over hebben…”

Maar Lamme heeft ook zo zijn idealen. Als wij de illusie van de vrije wil afgeschud hebben, redeneert Lamme, dan kunnen we eindelijk pragmatisch onze samenleving gaan inrichten. De  populaire paralyse, die zijn boek is, voert hij naar een nogal nihilistisch slotbetoog, waarin wordt betreurd dat een onevenredig groot deel van de juridische aandacht en medische zorg, tijd en geld, gestoken worden in een hopeloze groep misdadigers: de ter beschikking gestelden. Volgens Lamme worden wij allemaal bepaald, is goed en slecht gedrag gedetermineerd. Wij zijn allemaal ontoerekeningsvatbaar, dus ook alle misdadigers. Het onderscheid tussen misdaad in een opwelling en met voorbedachten rade dient te vervallen, want momenten van reflectie zijn waardeloos. Het beste is het om onze middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten. Kijk naar het brein, analyseer de zwakten en risico’s. Ontwikkel en pas methoden toe om de zwakke plekken te stutten en de risico’s te minimaliseren. Doe dit bij iedereen, niet alleen bij de meest hopeloze gevallen – ga zelfs waar mogelijk preventief aan de slag. Ons rechtssysteem houdt erg veel rekening met zielige geschiedenissen en zwakke en gebrekkige geesten. Vrouwe Justitia zou blind moeten zijn, maar is dit niet. Er wordt door haar oneigenlijk gediscrimineerd. Impulsieve mensen worden coulanter behandeld dan bedachtzame mensen, domme mensen krijgen meer respijt dan intelligente mensen. Mensen met stoornissen of overhoop liggende levens, zij kunnen er volgens haar niets aan doen. Maar volgens Lamme kan niemand er iets aan doen. Dat is zijn ideaal. Lamme ziet dat de blinddoek van Justitia is afgezakt en knoopt hem opnieuw vast.

Ik vind het prima dat iemand vraagtekens zet bij de praktijken van collega’s. meer voorzichtigheid is geboden als men zich gaat bemoeien met een ander werkveld. Lamme bemoeit zich te pas en te onpas met de forensische psychiatrie en -psychologie. Ieder optreden van Lamme verzandt in geraaskal over de TBS. Zo begint hij een column bij de griep van een prinses, om via het veroordelen van de werkwijze van bejaardenverzorgers, te eindigen met een sneer naar het forensisch veld: “Bij het Pieter Baan centrum denken ze te weten wat iemand gaat doen op basis van diens mooie praatjes, of observaties van gedrag. Tegen dat soort psychologen zou ik willen zeggen, breid uw diagnostisch arsenaal eens uit. Meet eens wat hersenactiviteit. Of beter nog, twijfel ook eens aan uzelf!”. Degene die eens aan zichzelf en zijn bevoegdheden en kwalificaties mag gaan twijfelen, lijkt mij in de eerste plaats Lamme zelf. Lamme ziet hersenonderzoek als een doel op zich. Het enige wat je in zijn optiek verder nog nodig hebt is statistiek. In het gesprek bij de GA: “Op basis van scans is seksuele voorkeur met 95 procent nauwkeurig vast te stellen. Waarschijnlijk ook of je seksueel aangetrokken bent [sic] door kinderen, en wellicht zelfs of je daar wat mee gaat doen. Maar moeten dan alle priesters en zwemleraren onder de scanner? Dan moet degene die dat beslist wel voldoende verstand hebben van statistiek. Je kunt wel bijvoorbeeld een betere afweging maken of je iemand al dan niet op proefverlof stuurt.” Zijn beweringen berusten op waarschijnlijkheden en mogelijkheden. We mogen aannemen dat Lamme inderdaad het liefst iedereen onder de scanner legt. En een betere afweging? Beter dan wat? Zijn gesprekspartner, hoogleraar strafrecht Ybo Buruma “is het er in theorie volledig mee eens. ‘Inderdaad worden in de tbs vaak risico’s op gutfeeling ingeschat.’” Buruma is zelf geen rechter. Leest hij de adviezen van de getuigen deskundige? Hebben de heren al van gestructureerde risicotaxatie-instrumenten gehoord en van intersubjectieve beoordeling? Gutfeeling, my ass! Er wordt zonder omhaal blijk gegeven van minachting voor het werk van anderen.

Buruma vervolgt dat hij beducht is voor het volledig openzetten van de deur van hersenonderzoek voor de rechtspraak en met name van preventief ingrijpen op basis van “gelegitimeerde risicotaxaties”.  Hij is dus wel van het begrip op de hoogte, misschien niet van de precieze inhoud en wetenschappelijke status. Weet Buruma eigenlijk überhaupt wel wat voor maatregel het opleggen van verpleging van overheidswege is? TBS is preventief ingrijpen. TBS wordt opgelegd wanneer ernstige delicten niet of slechts ten dele kunnen worden toegerekend. Gedwongen behandeling in een gesloten omgeving moet de risico’s voor te toekomst op herhaling beheersen. Dat is pure preventie en geen straf.

De weledelzeergeleerde heren bedoelen het allemaal best, ze hebben ideeën en idealen, maar het is allemaal zo beperkt houdbaar. Ik zie de tegenstelling tussen hen als vertegenwoordigers ongeveer zo:

Ik denk dat iemand als Buruma uitgaat van de gelijkheid van mensen en van het ideaal van de vrije wil of het recht op zelfbeschikking. Een normaal mens is vrij om goed of kwaad te doen. Iemand die kwaad doet, doet dit uit een afweging van voor- en nadelen, van risico’s en gewin. Straf is onderdeel van het spel. Iemand die niet door empathie geleid wordt, moet met nadelige gevolgen van daden worden geconfronteerd. Het construct van de vrije wil is praktisch aanvaardbaar omdat het een beloning voor het goede en constructieve vormt. Mensen kunnen zich laten voorstaan op hun goede en respectabele gedrag als een verdienste. Dit motiveert om eisen aan jezelf te stellen. Slechts bizarre en gestoorde mensen kunnen worden ontzien. Hun misdaden worden hen niet toegerekend, zij vormen de uitzondering die de regel bevestigt. (Zij wekken medelijden en zorgbehoefte). Wanneer er teveel aan preventie wordt gedaan, komt de vrije wil in het gedrang. Onnodige inperking daarvan is immoreel.

Personen als Lamme gaan uit van het ideaal van de (onvoorwaardelijke) gelijkwaardigheid van de mens. Zij die zich verheffen, doen dit niet uit vrije wil en kunnen zich er niet op laten voorstaan. Zij zijn gunstig gedetermineerd. Iedereen die de fout ingaat, is ongunstig gedetermineerd. Straf en beloning zijn dus immoreel. Het maakt niet uit of iemand volledig de weg kwijt is en tot bizarre onbegrijpelijke daden overgaat; of iemand door woede, haat en vernietigingsdrang tot moord komt; of vanuit ijskoude berekening. Het verschil tussen moord en doodslag is ideologisch bepaald. Kwade opzet, motieven gericht op meetbaar gewin wekken meer afschuw en moreel afwijzen dan een crime passionel. Dit onderscheid is emotioneel en niet wetenschappelijk. Het enige dat zou moeten tellen, is preventie. Alles wat (wetenschappelijk gemotiveerd) kan worden gedaan om mensen op het goede pad te houden, is geoorloofd. Zowel op het gebied van behandeling als van beveiliging. Wanneer straf op efficiënte wijze zorgt dat de misdadiger tot inkeer komt, is dit middel als preventiemaatregel gerechtvaardigd. Kan het goedkoper en sneller, dan moet het anders. Het is zonde om zeer veel te investeren in de meest hopeloze gevallen (TBS).

Ik hoop dat we de twee visies hierboven kunnen verenigen, beide zijn op zichzelf te eenzijdig en rigide. Beide visies hebben zo hun goede punten.

De ontmaskering

Hersenlui zeggen: we kunnen in het brein ver voordat iemand iets doet (en zich bewust wordt van een keuze) al zien wat hij gaat doen. Mensen worden volledig bepaald door de balans in hun hoofd en verzinnen pas achteraf een verklaring of reden… Als je een organisme door de lucht gooit en het halverwege de beschreven baan een bewustzijn geeft, dan zal het aangeven dat het de koers bewust gekozen heeft en er eventueel ook nog een motief bij geven. Zo is het met de mens gesteld. We worden gemakkelijk verleid en misleid, zonder dat we het doorhebben. We handelen intuïtief en praten achteraf recht wat krom is of andersom.

Lamme wil de mensheid een spiegel voorhouden, ficties ontmaskeren, ons de ogen openen… dat kan echter ook anders. Frans de Waal deelt met ons zijn biologisch perspectief. Hij doet dit uit respect voor de dierenwereld en uit zelfrespect, respect voor de eigen soort. De Waal zegt: wij houden onszelf voor de gek. Wij noemen een mooie moraal, grootmoedig gedrag en empathie menselijk. Destructie, moord, geweld en verkrachting noemen wij beestachtig. Dat is niet eerlijk. De Waal laat zien dat onze edele neigingen evengoed bij dieren veelvuldig worden teruggezien, terwijl het soms moeilijker is om onze aberraties op de natuur te herleiden. Nu Lamme. Ook hij vindt dat we ons tekort doen en voor de gek houden. Bewuste processen worden overgewaardeerd. We kloppen onszelf op de borst en spreken van verdienste, waar dit slechts gevolgen zijn van onze aanleg en historie. Ook Lamme laat zien dat er collectieve illusies door te prikken zijn. Maar waar we bij Frans de Waal iets terugkrijgen voor het opgeven van onze grootheidsideeën – een lidmaatschap van de club der primaten – biedt Lamme ons niets.

Slot: Opnieuw de vrije wil

Er zou geen wil zijn, want we zien geen aanwijsbare overkoepelende entiteit in het brein. De geest is een product van de fantasie en dan zou de gevestigde orde van klassieke psychologen plaats moeten maken voor de nieuwe generatie neuropsychologen. Materie komt in de plaats van lucht.

Zenuw is sinew is vezel. Neuron betekende in het Oudgrieks (spier)vezel. Hersens zitten in je harsens en deze beide woorden stammen van voorvaderlijke verwijzingen naar de schedel. Voor de grote Freud en nog lang daarna was deze schedel een black box. Natuurlijk zijn onderzoekers als Swaab en Lamme – die hun wetenschappelijke zaklamp in die doos steken – materialisten pur sang, dat is op zich niet zo erg. Maar als Lamme zijn bundel verplaatst, verdwijnt het zicht hier en valt er een invalshoek daar. Hij ziet een hoop, leert en begrijpt een boel, maar er ontstaat geen totaalbeeld, allen de ontkenning daarvan. Delen zijn te bevatten, maar het geheel kan niet worden overzien. Een geheel zou moeten worden geconceptualiseerd, daarvoor moet je psychologiseren en zelfs filosoferen – en dat is niets voor een materialist.

En toch hebben we een verhaal nodig. ‘Theory of mind’ is een mooi voorbeeld van een filosofisch/psychologisch construct, dat tegelijk gebaseerd is op wetenschappelijke experimenten en intuïtie. Het idee ervan is dat de mens zich onderscheidt van andere diersoorten doordat hij een verregaand vermogen heeft zich in een ander in te leven. Mensen kunnen een voorstelling maken van een bewustzijn buiten zichzelf. Lees en interpreteer deze passage maar eens: “Ik weet dat hij gelooft dat zij mij voor de gek houdt en dat ik erin trap. Hij weet namelijk niet dat ik met haar onder een hoedje speel. Het is hij die voor de gek gehouden wordt!” . U snapt dit ongetwijfeld. Kinderen ontwikkelen dit vermogen rond een jaar of 4. Autisten hebben er extreme moeite mee en ook een mensaap staat evolutionair op de drempel het vermogen te verwerven een voorstelling van de geest van de ander te maken. De mens zal zelf ook op een evolutionaire drempel staan. Misschien hebben sommigen van ons al een basaal en primitief kiempje van vrije wil, terwijl anderen zover nog niet zijn. Het is voor een genuanceerde discussie niet goed om de mensheid als homogene groep voor te stellen. Statistiek zegt iets over de norm, de modus, over het gemiddelde. Het zegt niks over de uitschieters, die ons tot voorbeeld kunnen strekken. In plaats van een discussie over het bestaan van de vrije wil zou er een discussie over de aard van de vrije wil gevoerd moeten worden. Ik noem hieronder enkele auteurs die zich voor deze discussie hebben ingezet.

Nietzsche kwam met de Wille zur Macht als bron van leven, als de levenskracht zelf. De slavenmoraal van de christencultuur haalde het krachtige individu omlaag en eiste dat het zich conformeert aan het collectief. Dat stond de individuele vrijheid in de weg. En het was aan het individu zelf om zich daarvan los te maken. Erich Fromm stelde dat wij uit angst voor eenzaamheid onszelf in de tang namen en onze individuele vrijheid vrijwillig opgaven en dat wij de confrontatie met onszelf – met onze eigen (on)vermogens tot scheppen en liefhebben – moesten aangaan.

Iemand die het als neurowetenschapper aandurft de fundamenten voor een hernieuwd mensbeeld te leggen, is Iain McGilchrist. Als literator en psychiater, vanuit een jarenlange klinische ervaring en cultureel geschoolde achtergrond, schreef hij “The Master and his emissary”. Bij het doorbladeren en lezen van Dijksterhuis’ boek moest ik vaak denken aan dit superieure werk. In plaats van de (klassiek psychologische) tegenstelling bewust – onbewust werkt hij de metafoor van de twee verschillende werelden van de linker – rechter hemisfeer uit. McGilchrist nu theoretiseert dat onze persoonlijke vrijheid verloren gaat (of dreigt te gaan) in een innerlijke strijd tussen de hemisferen, waarbij de in aanleg ondergeschikte linkerhersenhelft steeds vaker als overwinnaar uit de bus komt. Het is de linkerhelft – die wil grijpen en weten, die alleen ziet wat het al kent, alles letterlijk neemt en een absolute kijk heeft op de wereld, waarin het eigenbelang voor alles gaat – die als precisie-instrument niet meer in dienst wil staan van de rechterhelft. De rechterhelft – die gelooft, het geheel omvat, oog heeft voor nieuwe zaken, verschillende belangen afweegt, gevoel heeft voor verhoudingen en relaties, verbanden legt – wordt overmeesterd door zijn zendeling, waar een voortdurende vriendschappelijke strijd en samenwerking voor beide helften het beste was geweest (aangezien ze onder één schedeldak tot elkaar veroordeeld zijn). Links en rechts kunnen elkaar aanvullen en beconcurreren en samen boven zichzelf uitstijgen, als som meer dan de delen. Echter, door culturele evolutie mag de linkerhelft steeds verder opklimmen tot dominantie en dreigt een verlamming van de vermogens van rechts. Dit zien we terug in de belachelijke welles/nietes-discussie over het al dan niet bestaan van de vrije wil – waarbij soms de achterliggende motieven die lijken te spelen, zich richten op de macht van het spreken en gehoord worden en niet om het leveren van een constructieve bijdrage aan het discours. McGilchrist zelf zegt zich te realiseren dat zijn verhaal over de lateralisatie, over de verschillende stijlen van de linker en rechter hemisfeer de werkelijkheid simplificeert en generaliseert, zijn boek is misschien niet veel meer dan een uitgebreide metafoor. Maar aangezien het juist een van de unieke vermogens is van de rechterhelft om in beelden en analogieën te denken, zou het McGilchrist met trots vervullen als zijn werk als metafoor voortleeft

De Gouden Regel

De kerstgedachte: heb jij jouw goede daad al gedaan? Zijn we allemaal uit vrije wil en met overvloedend hart op de altruïstische toer..? Het is misschien voor sommigen wat veel gevraagd. Laten we minder ambitieus zijn en in ieder geval proberen onze naasten geen kwaad te doen. (Er wordt al zoveel ruzie gemaakt rond de kerst). “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet”. Wat betekent dat voor jou? En vooral: wie is dan die ander?

Cultuurkritiek op kerstavond: een klein beetje pastorale zorg.

Nietzsche stelt dat het uitgangspunt van de gouden regel is, dat iedere slechte actie vergelding afroept. Hij vindt het niet fatsoenlijk om bang te zijn dat je van een slechte daad uiteindelijk zelf de dupe wordt. “wie een kuil graaft voor een ander…”. Nietzsche vindt het juist fatsoenlijk om onverschillig te zijn voor de gevolgen die je acties voor jezelf kunnen hebben.

De Gouden Regel is volgens Nietzsche erg geschikt om mensen van elkaar te onderscheiden. Zij die haar aanhangen zijn kuddedieren (christenen). Zij vinden namelijk dat iedereen gelijk is. Want pas dan zou de regel van toepassing zijn. Volgens Nietzsche is de gouden regel het tegenovergestelde van “Qoud licet Iovi, non licet bovi”Wat Jupiter geoorloofd is, mag een rund nog niet. Voor de christelijke god zijn alle mensen gelijk, daarom moet je anderen goed behandelen en jezelf niets veroorloven wat anderen ook niet mogen. Nietzsche vindt dat er mensen zijn die meer in hun mars hebben, meer teweeg kunnen brengen; tot grotere daden in staat. Deze helden en halfgoden mogen door het gepeupel niet voor de voeten gelopen worden. Tegenstanders moeten doelbewust worden vertrapt, ook als regels daarbij met voeten worden getreden. We mogen niet klagen als een onschuldig ‘schaap’ daarbij onder de voet wordt gelopen (dan had het maar geen schaap moeten zijn). Het is een verfrissende kijk en er valt veel voor te zeggen.

koe-eet-vlees

Ik geloof echter niet dat De Gouden Regel zo normatief en nivellerend werkt als Nietzsche voorwendt. Ik denk dat iedereen De Regel subjectief toe kan passen. Dan gaat hij over consequent en niet hypocriet zijn. Een mens mag niet met twee maten meten, dient er geen dubbele moraal op na te houden en moet niet van twee walletjes willen eten. Dat is wat we ermee willen zeggen. Daarvoor hoef je jezelf niet gelijk te schakelen aan anderen. Ik verwacht van andere jongens niet dat ze mijn vriendin met rust laten: “may the best man win”. Nietzsche ziet ongetwijfeld in het gebod dat ‘gij de vrouw van uw buurman niet zult versieren ende verleiden’ een verwerpelijke bescherming van de zwakkere partij door een collectieve moraal. Ik ben het daarmee eens. Mijn toepassing van de gouden regel strekt dan ook niet zover dat ik anderen geen eerlijke competitie gun. Met open vizier een vrouw versieren, die al een partner heeft: dat kun je proberen. Het is aan haar om een keuze te maken. Voor mij houdt de gouden regel geen bescherming van zwakkeren in, maar vraagt het een individu om consequent en niet hypocriet te zijn. Iemand die het vreselijk vindt als anderen met de eigen partner flirten, moet ook zelf het flirten opgeven. Een automobilist die zich ergert aan fietsers die door rood rijden en aan bumperklevers, moet zich zelf ook aan de verkeersregels houden. Omgekeerd: ik houd mij niet aan die regels en kan het leuk vinden om te flirten, dan kan ik de mensen die zich mijn gelijken betuigen door ditzelfde gedrag te vertonen er niet om veroordelen. Maar een bewust en denkend mens gaat verder dan dat. Ik zou bijvoorbeeld zelf nooit varkens in kleine hokjes stoppen en hormonen toedienen en ze op gemene wijze castreren en slachten. Dan moet ik er ook niet aan meewerken dat dit gebeurt, door de producten die hiervan afkomstig zijn te consumeren. “Wat gij zelf niet bereid bent te doen, verlang dat ook van and’ren niet” impliceert dus de gouden regel.

Frans de Waal laat heel mooi zien dat altruïsme een op zichzelf staande eigenschap is. Angst voor vergelding is daarbij niet direct aanwezig. Apen en mensen leven in groepen. Asociaal gedrag is slecht voor het groepsbelang. Als een lid voedsel heeft gescoord, dan heeft het de eerste rechten: recht op het lekkerste stukje, maar ook recht om het te verdelen. Houdt een individu alles voor zichzelf dan zal de groep dit gedrag misschien vergelden, maar misschien ook niet. Pakt een sterker individu een ander voedsel af, dan zal de groep dit misschien vergelden, maar misschien ook niet. Eigenschappen als vrijgevigheid en bescheidenheid zullen de positie van het individu binnen de groep in ieder geval versterken. Eigenschappen als gierigheid en hebberigheid zullen de positie binnen de groep veelal verzwakken. Deze eigenschappen zijn zelfs voor het sterkste individu binnen een groep schadelijk, omdat het de macht ondermijnt. Het is dan ook onzin om te zeggen dat asociaal en immoreel gedrag natuurlijk is en dat we leren om te delen en niet te stelen. De evolutie heeft de bescheidenheid net zo goed begunstigd als de hebberigheid. Aangeboren verschillen zorgen zowel bij apen, als bij mensen voor differentiatie in rollen binnen het groepsleven. Ook bij ons zijn er sterken en zwakken; maar ook meer en minder empathische individuen. Nog steeds profiteren sommigen van anderen. “Some are more equal than others”, maar alles binnen de juiste proporties en de gemeenschap bepaalt wat een individu zich – naar gelang zijn status – kan permitteren. Nietzsche slaat de spijker op zijn kop als hij stelt dat mensen niet gelijk zijn. Hij doet de vrijgevigheid en bescheidenheid echter te kort als christelijke constructies. Ook die eigenschappen zijn evolutionair bepaald. Het is dus zo dat mogelijke vergelding een rol gespeeld heeft bij de evolutie van de neiging tot altruïsme. Het gaat echter in de praktijk binnen de groep meer om precaire machtsverhouding en loyaliteiten dan om angst voor directe vergelding. Rekening houden met anderen binnen de groep kan zich manifesteren ongeacht status. Deze neiging is intussen een op zichzelf bestaande kracht die de kwaliteit van leven en partnerkeuze beïnvloedt. Iemand kan kortom ook wel eens ‘gewoon aardig’ zijn (mits er geen sprake is van openlijke of latente rivaliteit).

De Gouden Regel eerbiedigt nog steeds de grenzen van de groep. In de natuurlijke strijd om het bestaan worden tegenstanders zoveel mogelijk uit de weg geruimd. Mensen vertonen begrijpelijkerwijs meestal slechts moreel gedrag naar groepsgenoten, maar aangeboren altruïsme kan zich ook uiten in empathie naar de ander. Zo was er eens een aap begaan met het lot van een vogel. De aap begreep dat de vogel wilde vliegen en hielp het arme beestje te herstellen, toen bleek dat het de vleugels tijdelijk niet kon gebruiken*.

Het belangrijkste van zijn kritiek op De Gouden Regel, is dat Nietzsche onderscheid maakt (niet tussen standen, rassen of volkeren) maar wel tussen kuddedieren en übermenschen. De übermensch moet strijden tegen valse profeten, apostels en ander gespuis. Strijdende partijen behoren niet tot dezelfde groep en dus is er ook geen sprake van een dubbele moraal, wanneer tegenstanders elkaar de koppen inslaan. Alleen wanneer groepsgenoten onderling elkaar erbij naaien is er sprake van verwerpelijk gedrag. Daarover zijn Nietzsche, de apen en ik het met elkaar eens. Met dank aan Frans de Waal.

Een zalig kerstfeest… Probeer de grenzen van jouw groep niet te nauw te nemen, wees eens empathisch naar een vreemdeling en weet wat je eet! (maar dit geldt eigenlijk ook voor de rest van het jaar…)

*Frans de Waal ‘De Aap in Ons’

nihilisme

Wat is nihilisme? Volgens mij heeft het begrip betrekking op de moraal. De moralist dringt anderen een moraal op. Vaak is de moralist zich niet bewust van de betwistbaarheid van zijn idealen. De nihilist betwist alle idealen en kent daardoor ook geen moraal. Van belang is de verhouding van het individu tot de gemeenschap. De moralist omarmt de gemeenschap, de nihilist zet zich er tegen af. Dit is echter geen politiek, zoals bij het anarchisme.

Een anarchist verwerpt de machtsverhouding tussen een dominante bezittende klasse en een ondergeschikte groep die weinig tot niks bezit. Het anarchisme is een stroming die wortelt in het Marxisme. De autoreiten worden gezien als een verlengde van de macht van het kapitaal, dat zichzelf ermee beschermt. Door de autoriteiten te ontkennen wil de anarchist gelijkwaardigheid tot stand brengen. De anarchist gelooft in het goede in de mens en stelt dat regels er niet zijn om de slechte mens op het juiste pad te houden, maar om de bezittende klasse te beschermen tegen een eerlijke herverdeling. Socialisten hebben verwante idealen, ook zij richten zich op herverdeling, maar proberen niet de maatschappelijke orde omver te werpen. Hun doel is om binnen het systeem de armen en ondergeschikten te beschermen tegen de rijken en dominanten. Hun doel is om iedereen mee te laten profiteren van de (gezamenlijke) rijkdom. Liberalen willen ruimte creëren voor ondernemende mensen, die zichzelf (persoonlijk) willen verrijken. Het doet er voor een liberaal niet zoveel toe of mensen rijk worden op eigen kracht of over de rug van anderen. De woorden rijk, sterk, ondernemend en goed betekenen in een liberaal woordenboek allemaal hetzelfde.

Anarchisten, Socialisten en andere Marxisten; Kapitalisten en Liberalen gaan uit van het materiële bezit. Het idee van de schaarste is daarbij het leidend beginsel. De nihilist hecht geen waarde aan materie, zoals de hond Seneca in onderstaande cartoon:

1-hondemand

De hond heeft geen behoefte aan spullen. Ervaart hij materie als ledig voor de invulling van zijn bestaan? …een portemonnee raapt hij echter wel op:

2-geldisgeld

Is geld dan niet hetzelfde als materie? Welk geluk levert het verwerven van geld op? Is dit een werkelijk geluk of de ervaring van potentie tot geluk? Het geld houdt een belofte in. Met geld kan men zichzelf in een positie brengen die een geluksgevoel mogelijk maakt. Wanneer men rijk worden als levensdoel stelt, komt men niet toe aan de ontwikkeling die nodig is om het geschapen potentieel te verwezenlijken. Om geld om te zetten in geluk is een activiteit nodig, moet men een keuze maken, maar vooral kunnen ‘genieten van het moment’. Zo zal iemand die beperkte middelen heeft zich steeds afvragen of het geld wel goed besteed is. Had het geld – op andere wijze uitgegeven – mogelijk meer geluk opgeleverd? In zoverre maakt het dus niet uit of je rijk bent of een beperkte hoeveelheid geld hebt. Steeds staat de gerichtheid op de toekomst (potentieel geluk) of het verleden (alternatieve uitgaven) het geluk in de weg.

Voor mij is geluk een onthecht moment. Verleden en toekomst zijn vergeten. Het nu wordt heel even beleefd als een eeuwigheid. Achteraf realiseer je je pas dat je gelukkig was… Voor veel mensen is geluk echter een veilige en gezonde situatie, waarin de toekomst met vertrouwen tegemoet getreden kan worden. Het ontbreekt deze ‘gelukkige’ aan niets. Er zijn geen zorgen. Het verwerven van geld voelt prettig met het oog op een mogelijke toekomst. De voorwaarden voor een zorgeloos bestaan en het scheppen van de mogelijkheden worden zo verward met het eigenlijke geluk. Alsof we in onze vrije tijd (na het opbergen van de boodschappen) op de bank gaan zitten, ons in de handen wrijven en zeggen: “laat dat geluk nu maar komen!”. Vervolgens hebben we geen idee waarop we wachten en zetten we de TV aan om de verveling te verdrijven.

3-noumoe

Heinz begint het te duizelen, maar Seneca is alweer afgehaakt. Verkeert de hond in een staat van lethargie? Is het beest depressief? Het lijkt erop dat de hond niet alleen onthecht is, dat hij zelfs “nee” zegt tegen het leven. Behalve aan de uitdrukking “alles is zinloos”, zien we vooral aan zijn gezicht dat hij het moment niet werkelijk ervaart. Hoewel hij geen slaaf is van zijn behoefte, lijkt hij ook niet actief vorm of invulling te kunnen geven aan zijn leven.

4-frits

Frits is een moralist en waarschijnlijk een liberaal. Hij respecteert de autoriteiten en vindt dat bezit bij de rechtmatige eigenaar moet blijven. Heinz laat zich niet overtuigen door deze ingebakken moraal en gaat zijn eigen weg. De belofte van het geld heeft hem kortstondig bevangen.

5-hoewel

Vaak denken we dat we geld nodig hebben om in onze behoeften te kunnen voorzien. Ik geloof echter dat het geld onze behoeften creëert. Onze financiële situatie vormt het kader van onze fantasie, maar reclame kan ons prikkelen meer te willen dan we ons kunnen veroorloven. Het resultaat is dat we ons zullen inspannen meer inkomen te verwerven. Onze behoefte kan opgerekt worden en voordat we het weten zijn we een slaaf van onze eigen hebzucht geworden. Om verzadigd te blijven moeten we hard werken.

7-bedelaar

De ‘bedelaar’ is geen materiële bedelaar, maar een spirituele armoedzaaier. Als liberaal heeft hij niet geleerd om zijn leven een zinvolle invulling te geven, hij heeft steeds verstandig gehandeld, met oog op de toekomst. De hond laat zich niet misleiden door beloftes voor de toekomst, maar ook hij is niet in staat om het huidige moment werkelijk te ervaren. De hond sluit zich af van zijn omgeving. Als nihilist is hij erin geslaagd de gemene idealen van zich af te schudden, maar stelt daarvoor geen persoonlijke idealen in de plaats. Frits zit vast in de normen van de gemeenschap. Hij leeft een secundair leven, doordat hij zichzelf steeds beoordeelt vanuit een vermeend gemeenschappelijk perspectief. Hij wil graag goed zijn en dus normaal. Heinz doet waar hij zin in heeft. Het geld speelt daarbij geen wezenlijke rol. Zijn behoeftes zijn bescheiden en daarmee creëert hij een grote persoonlijke vrijheid. Hij is geen socialist of anarchist; Heinz is geen politiek wezen. Als individu is Heinz ook geen moralist of nihilist, maar een vrije geest.

Wie is hip?

We weten intussen dat Smurfen en negerslaven hip zijn. Zij wijken af van de norm en doen dat op zo’n zelfverzekerde wijze dat anderen het nakijken hebben. De Negerslaven zijn zelfs zo hip dat zij het woord hebben uitgevonden. Dat is mooi, maar gewone stervelingen kunnen zich met de beste fantasie niet tot een van deze groepen rekenen. Wie kan er dan nog aanspraak maken op het predicaat der hipheid en hoe gaat dat in zijn werk? Wie bepaalt er eigenlijk wie hip is en wie niet? doen hippe mensen dat zelf of doen de anderen dat?

Hipheid, pubers & populariteit

Laten we even aannemen dat hipheid een graadmeter voor populariteit is. Er zijn vele gronden voor populariteit. Een restaurant kan populair zijn om zijn goede bediening, om het goede eten, de makkelijke bereikbaarheid of goede ligging. Het restaurant dat echter populair is om de stijl, is het hippe restaurant. De aankleding: de muziek, het type eten en al het uiterlijke zorgt hier voor de populariteit.

Populariteit is een sociaal waardeoordeel en een begrip waarvan we de principes het beste in een speciale context kunnen bestuderen: namelijk die van de middelbare school. De wereld van pubers is veel transparanter en eenduidiger gericht op sociale verhoudingen dan die van volwassenen. Wanneer we naar de mechanismen van populariteit en hipheid op school kijken, wordt een en ander dan ook duidelijk.

Een puber met een grote bek is sneller populair, maar loyaliteit naar anderen is daarbij van belang. Een puber met gevoel voor humor toont karakter. Een puber met een interessante garderobe durft op te vallen. Het zijn allemaal middelen om het ego te presenteren en zelfverzekerd over te komen. In relatie treden met de omgeving en de goedkeuring zoeken van anderen is de volgende stap. De zucht naar erkenning geeft de anderen de gelegenheid het gepresenteerde ego te bevestigen, zonder zichzelf miskend te voelen. Nabootsing van het ‘sterke ego’ volgt en zo verleent men elkaar identiteit. Veel pubers gebruiken een of meer van de strategieën (grote bek, aparte stijl, gevoel voor humor) om zelfverzekerd over te komen en populariteit te verwerven. Hun zelfgevoel baseren ze daarmee op de bevestiging die anderen hen geven. Het gaat bij de strijd om populariteit dus in wezen om vormgeven aan de identiteit. Sommige mensen geven leiding en anderen laten zich leiden. Ze hebben elkaar nodig en samen staan ze sterk.

Afwijken van de massa en hier een zelfverzekerde houding bij aannemen is dus niet voldoende om de bevestiging te krijgen dat men hip is. Afwijken van de norm wordt over het algemeen niet als positief gezien en zelfverzekerdheid wordt snel als arrogant ervaren. Toch lijkt het erop dat de sociale werking van hipheid en die van populariteit grote overeenkomsten vertonen. Bevestiging van het ego is het doel en nabootsing is een goede graadmeter daarvan.

Hipheid in parallelle universa

Hipheid is een cyclus. Het begrip past niet in een lineaire tijdsopvatting. Voor de waardering van echt hippe hipheid moet men mentaal een tijdreiziger zijn. Heden, verleden en toekomst moeten tegelijk ervaren worden. Hip is als stijl van de toekomst een hernieuwing van het verleden. Hoewel een hippe vogel zijn identiteit ontleent aan het feit dat hij afwijkt van de massa, is deze identiteit pas compleet op het moment dat de massa hem nabootst. Een toenadering tussen de trendsetter en zijn gevolg leidt onherroepelijk tot verwijdering. Als de massa de nieuwe stijl heeft aangenomen, is deze mainstream geworden: niet meer “hip”, maar hooguit “vlot”. Het hippe bevindt zich op het raakvlak van de voorloper en de navolgers. Alleen datgene is hip waarvan men weet dat het nu nog slechts door een enkeling uitgedragen wordt, maar straks door vlotte mensen omarmd zal worden. Een vermoeden van een parallel universum, waarin toonaangevend is wat bij ons afwijkt, is de essentie van hipheid.

De paradox van hip

De mens die hip wil zijn heeft, zoals we hebben kunnen constateren, een paradoxale neiging: aan de ene kant wil hij voelen dat hij onafhankelijk zijn stijl bepaalt. Aan de andere kant heeft hij bevestiging door navolging nodig. Als hij niet telkens kan zeggen: “zo liep ik er drie jaar geleden bij” of “daar kwam ik altijd toen ze net open waren”, mist hij de gezochte coolheid. Dit is de coolheid van de snelle geest; van de goed geïnformeerde, die alles als eerste weet. Zodra anderen iets omarmen, trekt de hippe zijn handen ervan af. Afwijken is een doel op zich. De eigenheid is hiermee volledig afhankelijk van de ander. Dit afwijken is geen zoeken naar invulling van, maar vormgeven aan de identiteit. Slechts de zaken die mainstream zullen worden, dragen bij aan de hipheid. Hipheid wordt dus eigenlijk altijd achteraf ervaren: “Toen was ik zo cool en toen zus en toen was ik cool omdat ik dat al wist/deed/had”.

“Ik kijk al acht jaar naar Jiskefet”.

Zelfverzekerdheid moet je als hippe figuur dus faken. Echte zelfverzekerdheid roept voornamelijk afgunst op en dan blijft het gewenste gevolg uit. Afwijken doe je als hippe om nagedaan te worden, niet om jezelf te kunnen zijn.