Categoriewolk
Categorie archief: Sociale Verhoudingen
Anthony & the Johnsons, DM Stith, PJ Harvey
Het is een mooie periode voor muziekminnaars. Terwijl de namen voor de zomerfestivals langzaam bekend worden, barst het deze maand al van de meesterlijke concerten.
De aanloop voor het concert van Anthony Hegarty was vreselijk. De Brabantse sukkels van de Frits Philips zaal in Eindhoven vonden het niet nodig om bij een toegangsprijs van 70 euro stoelnummers toe te kennen. Terwijl iedere plaats in de mooie en ruime zaal een prima uitzicht en geluid bood, stonden ook wij (wisten wij veel) anderhalf – bijna twee – uur van tevoren voor de deur. We maakten het ons gemakkelijk met bier en pizza. Uiteindelijk stond er een behoorlijke massa en even dreigden ergens anders de deuren geopend te worden. Dit zou kloterig zijn, want dan stonden we helemaal niet meer vooraan.
Zodra de deuren (toch de goede) open gingen, werd het aspirant publiek psychotisch. Een meute van dolgedraaide veertigers begon te duwen en te rennen. De stresslevels piekten. Het personeel dat de kaartjes moest controleren werd onder de voet gelopen. Toen waren we in de foyer. Ik was al enigszins achterop geraakt en had mijn aanvankelijke positie verspeeld. Mijn zusjes zag ik nergens. Ik koos voor de rechter zaaldeur, waar het rustiger was. Deze werd nog dichtgehouden. Ook goed. Ik had geen haast. Mij zusjes voegden zich bij me.
Er stond daar een ventje met een kuthoofd en een stem waar je uiterst agressief van werd, te zeuren aan de kop van de jongen – hooguit 20 – die de deur dicht hield. Met geknepen stem jammerde hij dat hij de zaal wilde betreden. Hij probeerde van alles: liegen dat de deuren links al open waren, vragen hoe de jongen dan wist wanneer de deuren open konden? Hij had toch geen ‘oortje’? Jawel, hij had er zelfs twee. Het spitse antwoord was aan de zanikerd niet besteed, hij miemelde gestaag door. “Laat die jongen gewoon zijn werk doen!” baste ik, “Ben je nog nooit naar een concert geweest?”.
Toen we de zaal in konden koos ik een paar stoelen in het midden op de tweede rij. De ex van mijn zusje moest uitwijken naar achter. Hij had nog minder haast gehad en zat natuurlijk ook prima. Maar waar zat Repelsteeltje? Nog achter deze jongen. Te huilen. Waar hij mij slechts verbaal agressief gemaakt had, bleek hij tijdens het gevecht om de zitplaats gesolliciteerd te hebben naar een dreun.”Godverdomme, Godverdomme!” verbeet hij zich.
Het was echt te lelijk, groepjes werden uiteen gedreven. Het was ieder voor zich. Mensen maakten ruzie en duwden elkaar. En dat voor een concert van Anthony, de androgyne feminist, het type ‘moeder aarde’! Het voorprogramma was trouwens bijna even lelijk als het bemachtigen van een zetel. Een vrouw, overgoten met smurrie en geklonken in spiegelend metaal voerde met attributen een choreografie uit om te kosten op ambient geluiden die teneer sloegen: walging en depressie, daarvoor kun je in Eindhoven net zo goed op straat blijven. Daar hoef je geen 70 euro voor te betalen en te vechten om een plaatsje.
Natuurlijk was het concert zelf geweldig. Elke syllabe was te verstaan. De sobere versies van oude nummers klonken fris, nieuw werk kwam werkelijk tot leven. Er werden enkele onbekende nummers gespeeld (nieuwer dan nieuw?). Alleen het nummer ‘Another world’ haperde en kwam niet over. Het begon engelachtig mooi, maar wist de aandacht niet vast te houden. Dit probleem kent de sudio-opname al enigszins… live verloor Anthony volledig de draad en onderbrak zichzelf om het nummer vervolgens af te raffelen. De zanger deed dit alles echter op zeer innemende wijze. Van lieverlede ging ik zelfs zijn voorkomen mooi vinden. Wat een sympathiek en getalenteerd figuur! Bravo! Briljant!
Op de 11e vierde ik met mijn vriendin dat we elkaar 3 jaar geleden in de armen sloten om elkaar nooit meer los te laten. Dit deden we door naar het optreden van DM Stith te gaan in de Duif, een gewezen kerk in Amsterdam. DM Stith is juist als muzikant gedebuteerd, gestimuleerd door maatjes Shara Worden (My Brightest Diamond) en Sufjan Stevens. Voorheen werkte hij bij hen achter de schermen. Nu heeft hij zijn eigen band. En wederom had ik te maken met een supertalent. Stiths muziek is erg persoonlijk en zeer kunstzinnig en de teksten intrigeren. De percussie en ritmes worden gespeeld op een manier die het midden houdt tussen hoempapa en klassiek. Feit is dat ik zoiets niet eerder zag en hoorde. Met drie of meer stokken met zachte bollen trommelde de drummer op de bas, die om zijn lijf hing, kraste met zijn nagels over ander slagwerk en roffelde met vingers op bekkens. Stith bespeelde zijn gitaar en zong prachtig. Liedjes waren even strak en professioneel als op de cd, maar mooier omdat ze live en in de akoestiek van een kerk ten gehore werden gebracht. Enig minpunt was het publiek, dat nogal nerdy was. De wijven voor mij zaten tijdens een van de vele muzikale hoogtepunten zakdoekjes in hun oren te proppen, terwijl er wat betreft het volume echt helemaal niks aan de hand was! En wie hadden we daar? Dezelfde stinkende loser als bij Anthony & the Johnsons! Goed, het was toen dus hoogstwaarschijnlijk niet zijn eerste concert geweest, het publiek in de Duif leek zuiver uit muziekliefhebbers te bestaan… Ik hoop echter niet dat ik het ontevreden ventje nu vaker tegen ga komen (rilling bij de gedachte).
Twee dagen later, pakweg gister, zijn mijn meisje en ik naar PJ Harvey en John Parish in Paradiso gegaan. Ik had niet gedacht dat deze briljante vrouw evenveel kilo’s zou wegen als zij jaren oud is. (Dat is best eng op middelbare leefttijd) Haar energiepeil loog er echter niet om. Met een idioot gemaak zong zij met de meest uiteenlopende stemmen. Wat heeft deze vrouw een bereik! Wat een scala aan technieken! John Parish was mij niet zo bekend, maar ik moet concluderen dat de samenwerking tussen John en Polly Jean, het beste in haar boven haalt. De muziek was uiterst divers en verrassend. We werden getracteerd op theatraal vermaak, we werden emotioneel meegesleept, overvallen door ontzag voor eenvoud en inventiviteit, voor pure muziek en originaliteit. Het leek wel of we hier getuige waren van de enige manier waarop je muziek kan en moet maken… Wel jammer dat er vaak veel galm zat op Harveys goddelijke stem, dat heeft deze helemaal niet nodig. Hoewel er verder in de muziek meer dan genoeg dynamiek zat en ik vooral genoot van de meer rustige stukken, vond ik alles eigenlijk een tikje te hard. Ik verheug me dan ook des te meer op het solo optreden van PJ Harvey op Camp Bestival in Dorset, haar geboortestreek. En toch: de bijdrage van John Parish viel niet te onderschatten. In de toegift speelde de band nog een nummer dat hij alleen had gemaakt, waarbij hij ook zelf zong en dit was absoluut een waardig onderdeel van een meesterlijk optreden. Bravo! Bis!
Geplaatst in Kunst, Muziek, Recensie, Sociale Verhoudingen, Theater
De Gouden Regel
De kerstgedachte: heb jij jouw goede daad al gedaan? Zijn we allemaal uit vrije wil en met overvloedend hart op de altruïstische toer..? Het is misschien voor sommigen wat veel gevraagd. Laten we minder ambitieus zijn en in ieder geval proberen onze naasten geen kwaad te doen. (Er wordt al zoveel ruzie gemaakt rond de kerst). “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet”. Wat betekent dat voor jou? En vooral: wie is dan die ander?
Cultuurkritiek op kerstavond: een klein beetje pastorale zorg.
Nietzsche stelt dat het uitgangspunt van de gouden regel is, dat iedere slechte actie vergelding afroept. Hij vindt het niet fatsoenlijk om bang te zijn dat je van een slechte daad uiteindelijk zelf de dupe wordt. “wie een kuil graaft voor een ander…”. Nietzsche vindt het juist fatsoenlijk om onverschillig te zijn voor de gevolgen die je acties voor jezelf kunnen hebben.
De Gouden Regel is volgens Nietzsche erg geschikt om mensen van elkaar te onderscheiden. Zij die haar aanhangen zijn kuddedieren (christenen). Zij vinden namelijk dat iedereen gelijk is. Want pas dan zou de regel van toepassing zijn. Volgens Nietzsche is de gouden regel het tegenovergestelde van “Qoud licet Iovi, non licet bovi” – Wat Jupiter geoorloofd is, mag een rund nog niet. Voor de christelijke god zijn alle mensen gelijk, daarom moet je anderen goed behandelen en jezelf niets veroorloven wat anderen ook niet mogen. Nietzsche vindt dat er mensen zijn die meer in hun mars hebben, meer teweeg kunnen brengen; tot grotere daden in staat. Deze helden en halfgoden mogen door het gepeupel niet voor de voeten gelopen worden. Tegenstanders moeten doelbewust worden vertrapt, ook als regels daarbij met voeten worden getreden. We mogen niet klagen als een onschuldig ‘schaap’ daarbij onder de voet wordt gelopen (dan had het maar geen schaap moeten zijn). Het is een verfrissende kijk en er valt veel voor te zeggen.

Ik geloof echter niet dat De Gouden Regel zo normatief en nivellerend werkt als Nietzsche voorwendt. Ik denk dat iedereen De Regel subjectief toe kan passen. Dan gaat hij over consequent en niet hypocriet zijn. Een mens mag niet met twee maten meten, dient er geen dubbele moraal op na te houden en moet niet van twee walletjes willen eten. Dat is wat we ermee willen zeggen. Daarvoor hoef je jezelf niet gelijk te schakelen aan anderen. Ik verwacht van andere jongens niet dat ze mijn vriendin met rust laten: “may the best man win”. Nietzsche ziet ongetwijfeld in het gebod dat ‘gij de vrouw van uw buurman niet zult versieren ende verleiden’ een verwerpelijke bescherming van de zwakkere partij door een collectieve moraal. Ik ben het daarmee eens. Mijn toepassing van de gouden regel strekt dan ook niet zover dat ik anderen geen eerlijke competitie gun. Met open vizier een vrouw versieren, die al een partner heeft: dat kun je proberen. Het is aan haar om een keuze te maken. Voor mij houdt de gouden regel geen bescherming van zwakkeren in, maar vraagt het een individu om consequent en niet hypocriet te zijn. Iemand die het vreselijk vindt als anderen met de eigen partner flirten, moet ook zelf het flirten opgeven. Een automobilist die zich ergert aan fietsers die door rood rijden en aan bumperklevers, moet zich zelf ook aan de verkeersregels houden. Omgekeerd: ik houd mij niet aan die regels en kan het leuk vinden om te flirten, dan kan ik de mensen die zich mijn gelijken betuigen door ditzelfde gedrag te vertonen er niet om veroordelen. Maar een bewust en denkend mens gaat verder dan dat. Ik zou bijvoorbeeld zelf nooit varkens in kleine hokjes stoppen en hormonen toedienen en ze op gemene wijze castreren en slachten. Dan moet ik er ook niet aan meewerken dat dit gebeurt, door de producten die hiervan afkomstig zijn te consumeren. “Wat gij zelf niet bereid bent te doen, verlang dat ook van and’ren niet” impliceert dus de gouden regel.
Frans de Waal laat heel mooi zien dat altruïsme een op zichzelf staande eigenschap is. Angst voor vergelding is daarbij niet direct aanwezig. Apen en mensen leven in groepen. Asociaal gedrag is slecht voor het groepsbelang. Als een lid voedsel heeft gescoord, dan heeft het de eerste rechten: recht op het lekkerste stukje, maar ook recht om het te verdelen. Houdt een individu alles voor zichzelf dan zal de groep dit gedrag misschien vergelden, maar misschien ook niet. Pakt een sterker individu een ander voedsel af, dan zal de groep dit misschien vergelden, maar misschien ook niet. Eigenschappen als vrijgevigheid en bescheidenheid zullen de positie van het individu binnen de groep in ieder geval versterken. Eigenschappen als gierigheid en hebberigheid zullen de positie binnen de groep veelal verzwakken. Deze eigenschappen zijn zelfs voor het sterkste individu binnen een groep schadelijk, omdat het de macht ondermijnt. Het is dan ook onzin om te zeggen dat asociaal en immoreel gedrag natuurlijk is en dat we leren om te delen en niet te stelen. De evolutie heeft de bescheidenheid net zo goed begunstigd als de hebberigheid. Aangeboren verschillen zorgen zowel bij apen, als bij mensen voor differentiatie in rollen binnen het groepsleven. Ook bij ons zijn er sterken en zwakken; maar ook meer en minder empathische individuen. Nog steeds profiteren sommigen van anderen. “Some are more equal than others”, maar alles binnen de juiste proporties en de gemeenschap bepaalt wat een individu zich – naar gelang zijn status – kan permitteren. Nietzsche slaat de spijker op zijn kop als hij stelt dat mensen niet gelijk zijn. Hij doet de vrijgevigheid en bescheidenheid echter te kort als christelijke constructies. Ook die eigenschappen zijn evolutionair bepaald. Het is dus zo dat mogelijke vergelding een rol gespeeld heeft bij de evolutie van de neiging tot altruïsme. Het gaat echter in de praktijk binnen de groep meer om precaire machtsverhouding en loyaliteiten dan om angst voor directe vergelding. Rekening houden met anderen binnen de groep kan zich manifesteren ongeacht status. Deze neiging is intussen een op zichzelf bestaande kracht die de kwaliteit van leven en partnerkeuze beïnvloedt. Iemand kan kortom ook wel eens ‘gewoon aardig’ zijn (mits er geen sprake is van openlijke of latente rivaliteit).
De Gouden Regel eerbiedigt nog steeds de grenzen van de groep. In de natuurlijke strijd om het bestaan worden tegenstanders zoveel mogelijk uit de weg geruimd. Mensen vertonen begrijpelijkerwijs meestal slechts moreel gedrag naar groepsgenoten, maar aangeboren altruïsme kan zich ook uiten in empathie naar de ander. Zo was er eens een aap begaan met het lot van een vogel. De aap begreep dat de vogel wilde vliegen en hielp het arme beestje te herstellen, toen bleek dat het de vleugels tijdelijk niet kon gebruiken*.
Het belangrijkste van zijn kritiek op De Gouden Regel, is dat Nietzsche onderscheid maakt (niet tussen standen, rassen of volkeren) maar wel tussen kuddedieren en übermenschen. De übermensch moet strijden tegen valse profeten, apostels en ander gespuis. Strijdende partijen behoren niet tot dezelfde groep en dus is er ook geen sprake van een dubbele moraal, wanneer tegenstanders elkaar de koppen inslaan. Alleen wanneer groepsgenoten onderling elkaar erbij naaien is er sprake van verwerpelijk gedrag. Daarover zijn Nietzsche, de apen en ik het met elkaar eens. Met dank aan Frans de Waal.
Een zalig kerstfeest… Probeer de grenzen van jouw groep niet te nauw te nemen, wees eens empathisch naar een vreemdeling en weet wat je eet! (maar dit geldt eigenlijk ook voor de rest van het jaar…)
*Frans de Waal ‘De Aap in Ons’
Geplaatst in Filosofie, Politiek, Psychologie, Religie, Sociale Verhoudingen, Voeding
nihilisme
Wat is nihilisme? Volgens mij heeft het begrip betrekking op de moraal. De moralist dringt anderen een moraal op. Vaak is de moralist zich niet bewust van de betwistbaarheid van zijn idealen. De nihilist betwist alle idealen en kent daardoor ook geen moraal. Van belang is de verhouding van het individu tot de gemeenschap. De moralist omarmt de gemeenschap, de nihilist zet zich er tegen af. Dit is echter geen politiek, zoals bij het anarchisme.
Een anarchist verwerpt de machtsverhouding tussen een dominante bezittende klasse en een ondergeschikte groep die weinig tot niks bezit. Het anarchisme is een stroming die wortelt in het Marxisme. De autoreiten worden gezien als een verlengde van de macht van het kapitaal, dat zichzelf ermee beschermt. Door de autoriteiten te ontkennen wil de anarchist gelijkwaardigheid tot stand brengen. De anarchist gelooft in het goede in de mens en stelt dat regels er niet zijn om de slechte mens op het juiste pad te houden, maar om de bezittende klasse te beschermen tegen een eerlijke herverdeling. Socialisten hebben verwante idealen, ook zij richten zich op herverdeling, maar proberen niet de maatschappelijke orde omver te werpen. Hun doel is om binnen het systeem de armen en ondergeschikten te beschermen tegen de rijken en dominanten. Hun doel is om iedereen mee te laten profiteren van de (gezamenlijke) rijkdom. Liberalen willen ruimte creëren voor ondernemende mensen, die zichzelf (persoonlijk) willen verrijken. Het doet er voor een liberaal niet zoveel toe of mensen rijk worden op eigen kracht of over de rug van anderen. De woorden rijk, sterk, ondernemend en goed betekenen in een liberaal woordenboek allemaal hetzelfde.
Anarchisten, Socialisten en andere Marxisten; Kapitalisten en Liberalen gaan uit van het materiële bezit. Het idee van de schaarste is daarbij het leidend beginsel. De nihilist hecht geen waarde aan materie, zoals de hond Seneca in onderstaande cartoon:

De hond heeft geen behoefte aan spullen. Ervaart hij materie als ledig voor de invulling van zijn bestaan? …een portemonnee raapt hij echter wel op:

Is geld dan niet hetzelfde als materie? Welk geluk levert het verwerven van geld op? Is dit een werkelijk geluk of de ervaring van potentie tot geluk? Het geld houdt een belofte in. Met geld kan men zichzelf in een positie brengen die een geluksgevoel mogelijk maakt. Wanneer men rijk worden als levensdoel stelt, komt men niet toe aan de ontwikkeling die nodig is om het geschapen potentieel te verwezenlijken. Om geld om te zetten in geluk is een activiteit nodig, moet men een keuze maken, maar vooral kunnen ‘genieten van het moment’. Zo zal iemand die beperkte middelen heeft zich steeds afvragen of het geld wel goed besteed is. Had het geld – op andere wijze uitgegeven – mogelijk meer geluk opgeleverd? In zoverre maakt het dus niet uit of je rijk bent of een beperkte hoeveelheid geld hebt. Steeds staat de gerichtheid op de toekomst (potentieel geluk) of het verleden (alternatieve uitgaven) het geluk in de weg.
Voor mij is geluk een onthecht moment. Verleden en toekomst zijn vergeten. Het nu wordt heel even beleefd als een eeuwigheid. Achteraf realiseer je je pas dat je gelukkig was… Voor veel mensen is geluk echter een veilige en gezonde situatie, waarin de toekomst met vertrouwen tegemoet getreden kan worden. Het ontbreekt deze ‘gelukkige’ aan niets. Er zijn geen zorgen. Het verwerven van geld voelt prettig met het oog op een mogelijke toekomst. De voorwaarden voor een zorgeloos bestaan en het scheppen van de mogelijkheden worden zo verward met het eigenlijke geluk. Alsof we in onze vrije tijd (na het opbergen van de boodschappen) op de bank gaan zitten, ons in de handen wrijven en zeggen: “laat dat geluk nu maar komen!”. Vervolgens hebben we geen idee waarop we wachten en zetten we de TV aan om de verveling te verdrijven.

Heinz begint het te duizelen, maar Seneca is alweer afgehaakt. Verkeert de hond in een staat van lethargie? Is het beest depressief? Het lijkt erop dat de hond niet alleen onthecht is, dat hij zelfs “nee” zegt tegen het leven. Behalve aan de uitdrukking “alles is zinloos”, zien we vooral aan zijn gezicht dat hij het moment niet werkelijk ervaart. Hoewel hij geen slaaf is van zijn behoefte, lijkt hij ook niet actief vorm of invulling te kunnen geven aan zijn leven.

Frits is een moralist en waarschijnlijk een liberaal. Hij respecteert de autoriteiten en vindt dat bezit bij de rechtmatige eigenaar moet blijven. Heinz laat zich niet overtuigen door deze ingebakken moraal en gaat zijn eigen weg. De belofte van het geld heeft hem kortstondig bevangen.

Vaak denken we dat we geld nodig hebben om in onze behoeften te kunnen voorzien. Ik geloof echter dat het geld onze behoeften creëert. Onze financiële situatie vormt het kader van onze fantasie, maar reclame kan ons prikkelen meer te willen dan we ons kunnen veroorloven. Het resultaat is dat we ons zullen inspannen meer inkomen te verwerven. Onze behoefte kan opgerekt worden en voordat we het weten zijn we een slaaf van onze eigen hebzucht geworden. Om verzadigd te blijven moeten we hard werken.

De ‘bedelaar’ is geen materiële bedelaar, maar een spirituele armoedzaaier. Als liberaal heeft hij niet geleerd om zijn leven een zinvolle invulling te geven, hij heeft steeds verstandig gehandeld, met oog op de toekomst. De hond laat zich niet misleiden door beloftes voor de toekomst, maar ook hij is niet in staat om het huidige moment werkelijk te ervaren. De hond sluit zich af van zijn omgeving. Als nihilist is hij erin geslaagd de gemene idealen van zich af te schudden, maar stelt daarvoor geen persoonlijke idealen in de plaats. Frits zit vast in de normen van de gemeenschap. Hij leeft een secundair leven, doordat hij zichzelf steeds beoordeelt vanuit een vermeend gemeenschappelijk perspectief. Hij wil graag goed zijn en dus normaal. Heinz doet waar hij zin in heeft. Het geld speelt daarbij geen wezenlijke rol. Zijn behoeftes zijn bescheiden en daarmee creëert hij een grote persoonlijke vrijheid. Hij is geen socialist of anarchist; Heinz is geen politiek wezen. Als individu is Heinz ook geen moralist of nihilist, maar een vrije geest.
Geplaatst in Emancipatie, Filosofie, Marketing, Politiek, Psychologie, Sociale Verhoudingen
De porseleinkast
Wat weet je van je voorouders? Waren zij zoals jij? Hadden ze dezelfde problemen, verlangens en geneugten? Wat betekent de tijd waarin je leeft voor je? Wij denken dat onze tijd wezenlijk verschilt van voorgaande periodes. Onze tijdsopvatting is lineair. De Tweede Wereldoorlog (bijvoorbeeld) maakt deel uit van onze geschiedenis… Denk je dat er onvermijdelijk een Derde komt, of hebben wij geleerd van de fouten uit het verleden? Zijn we in onze geestelijke ontwikkeling verder dan onze voorouders? Zijn wij meer bewust en wijzer?
Er zijn ook culturen die een circulair tijdsbesef hebben. Zoals het ook bij ons elke dag weer middag wordt, de zon ondergaat en opgaat, zoals ook wij ieder jaar de seizoenen zich in dezelfde volgorde zien herhalen… zo kunnen mensen geloven in een steeds wederkeren. Pas als je de jaren gaat tellen ontstaat er immers een tijdsbalk. Als je dat niet doet, dan krijg je het gevoel dat jij een soort reïncarnatie bent van je overgrootvader of -moeder. In culturen zonder jaartelling worden geboorte en overlijden gevierd met rituelen van overgang. Voorouders worden geesten en geesten worden weer nieuwe kinderen.
Wij weten dat we een unieke genetische code hebben, die is samengesteld uit die van onze ouders, die weer is samengesteld uit die van hun ouders. Hoewel je dus elementen van je voorouders met je meedraagt ben je geen kopie. Maar laten we deze wetenschappelijke kijk op de zaak eens van ons afzetten en naar de psychologie van elkaar opvolgende generaties kijken. Wat betekent het voor ons te weten dat er voor ons mensen waren en na ons mensen zullen zijn? En hoe gaan wij om met de confrontatie met deze wetenschap, die wij treffen in de nagedachtenis aan overledenen en de omgang met jongere generaties (die ons ruim zullen overleven)?

Gevestigde generaties staan in onze cultuur erg wantrouwend tegenover nieuwe generaties. Vorige generaties worden geïdealiseerd, terwijl de jeugd wordt gedemoniseerd. Een belangrijk verwijt aan het adres van de jeugd is hun gebrekkige kennis van de geschiedenis en hun schaarse gevoel voor traditie. Tegelijk is de manier waarop er omgegaan wordt met de ‘geesten’ van de vorige generaties er een van krampachtig vasthouden. De ideeën van de helden die Willem van Oranje en Frederik Hendrik waren geweest worden als breekbare porseleinen beeldjes achter slot en grendel in een vitrine bewaard. (Musea en universiteiten functioneren als porseleinkast van de geest). De jeugd mag er wel naar kijken, van een afstandje, maar er niet aankomen (we willen de boel graag de boel houden). Hitlers nagedachtenis wordt kunstmatig in leven gehouden, we doen alsof hij nog steeds actief is in onze wereld: als stand-in voor de duivel waart zijn geest over de aarde rond. Pas als we de herinnering aan helden en verschrikkers laconiek tegemoet kunnen treden, met spot en ironie of zelfs met onverschilligheid behandelen, ontstaat er ruimte in het heden voor nieuwkomers.
Het betreft hier een zeer subtiel spel, vergis je niet: ik ben een voorstander van geschiedenisonderwijs en ik ben dol op musea. Ik heb alleen moeite met de afstand die gecreëerd wordt tussen erflaters en erfgenamen. Waarom bepaalt een generatie die gearriveerd en gevestigd is hoe er met de geschiedenis omgegaan dient te worden? Door het beeld van vorige generaties niet over te geven aan het continuüm van de circulaire tijd, sluiten ze de geesten op in een ‘aardse illusie’ van lineair tijdsverloop. Historische figuren dolen als het ware rond in een tussenwereld. Als levende doden vinden zij geen rust. Als gevangen geesten zijn zij ontdaan van hun meervoudige dimensies. Door van voorouders karikaturen te maken en die bovendien in een sfeer van onaantastbaarheid te plaatsen snijden de ouderen de jeugd af van hun wortels. En dat is precies wat een historische canon doet. Waar geen ruimte is voor een dualistische visie, waar de dialoog opgeofferd wordt aan een voorgekauwde historische beleving, eindigt het geschiedenisonderwijs en begint de propaganda.
Het idee dat nieuwkomers zich moeten aanpassen is verwerpelijk, zelfs walgelijk te noemen. Of we nu uitgaan van een studentenhuis of van een natiestaat: iedereen moet zich toch constant aanpassen aan een continu veranderende omgeving. Niets is wat mij betreft heilig en niets mag eenzijdig als kwaad worden afgeschilderd. Kinderen zijn geen indringers, zij zorgen voor vernieuwing. Verandering werpt nieuw licht op oude zaken.
Inspiratie: History and play – Giorgo Agamben
De Tempel en de Kloof
Een pleidooi voor popularisering van kunstkritiek
“Oh, wij worden bekeken!”, concludeert een bezoeker op het terrein van museum De Pont tijdens een tentoonstelling van het werk van Job Koelewijn. De mensen die de oude textielfabriek naderen, zien een grote container met een rechthoekig zwart gat. Ze lopen erheen en kijken nieuwsgierig naar binnen. Er klinkt filmmuziek… en als hun ogen gewend raken aan het donker, zien zij mensen op bioscoopstoelen zitten. De rollen blijken omgedraaid: er valt niks te zien, men wórdt gezien. De mobiele bioscoop van Koelewijn (‘Cinema on wheels’) gaat terug tot de herkomst van het woord: een samenstelling van de Griekse woorden bios [leven] en skopein [kijken]. Wanneer je de beklede container betreedt, moet je eerst langs een lichtsluis, dan kun je plaats nemen in een bioscoopstoel in een ruimte van het formaat van een zaaltje in een klein filmhuis. In plaats van naar een projectie, kijk je door een gat naar het echte leven. Koelewijn toont hiermee letterlijk de functie van kunst: het bieden van een ander perspectief op de werkelijkheid.
De tentoonstelling in De Pont van het werk van Koelewijn kende vele hoogtepunten, waaronder lange muren van kaften van al dan niet geïllustreerde boeken, afgedekt door plexiglas waarlangs water naar beneden loopt; een klokkenwinkeltje dat heen en weer slingert; stapels ingesproken bandjes waarop de kunstenaar zijn favoriete boeken voorleest en enkele fotografische zelfportretten. Het zijn werken met een meer of minder universele aantrekkingskracht. Een criticus in de catalogus rekent juist één van deze foto’s, waarop de kunstenaar een torenhoge stapel glazen en dienbladen balanceert in een decor van newyorkse wolkenkrabbers, tot zijn beste werk. Maar wie begrijpt deze anekdote over de moeilijkheden van het kunstenaarschap, deze ver gezochte metafoor voor een weinig universeel probleem?
Bij sommige kunstvormen kan er een gapende kloof geconstateerd worden tussen de professionele mening van critici en de voorkeur van een publiek. Iedereen houdt van vernieuwend of verrassend werk, maar de vernieuwing waar veel kunstkenners op kicken is erg afhankelijk van de context. Zij steunt op hergebruik en opnieuw interpreteren van vormen en stijlen uit het verleden of op de dialoog met andere kunstenaars. Deze kunst gaat over kunst. Dit is begrijpelijk omdat de kunstkenner tot aan zijn nek in de kunstwereld zit, waardoor de kunst zelf zijn referentiekader is geworden. Hij heeft een voorkeur voor kunstenaars die ook ondergedompeld zijn in de wereld van het schone en verhevene. En dus zien we een toneelstuk in een toneelstuk, een film in een film, een schilderij in een schilderij. Hebben kunstenaars zich opgesloten in kunsttempels met prachtig glas in lood, zonder zicht op de buitenwereld? Blijft het theater mede daarom klassieke stukken opvoeren en herinterpreteren? Verwijzen kunstenaars daarom vaak overduidelijk naar hun voorbeelden? …In ‘Kill Bill’ speelt Quentin Tarantino hier op geraffineerde wijze mee: zijn hommage aan de pulp is een zuivere exercitie van de vorm. Een kunstcriticus kan ervoor kiezen het publiek in te wijden in dit soort bespiegelingen die de kunstervaring van een extra dimensie voorzien. De rijkheid van populaire kunst uitleggen is natuurlijk geweldig: het ontsluiten van minder toegankelijke kunst, door erover te schrijven vind ik nog mooier. Het is juist de kunst die vernieuwt en die tegelijk rijk is aan dimensies, waardoor een divers publiek wordt aangesproken. Autonome kunst die in een vrije relatie staat tot de kunsthistorische context devalueert de expertise van de criticus niet. Zijn professioneel oordeel schakelt tussen objectief en supersubjectief. Zo’n criticus zoekt naar een combinatie van het transcendentale met het aardse en van het verhevene met het universele, zoals in de sculpturen van een subliem kunstenaar als Anish Kapoor is te vinden (vertegenwoordigd in de vaste collectie van De Pont en Kröller-Müller).
Professionals uit de kunstwereld hebben een belangrijke educatieve en politieke taak. Zij bepalen welke kunst de kans krijgt het atelier te verlaten. Zij bepalen het kunstzinnig discours dat mede invulling geeft aan onze kijk op de wereld.Het gevaar, wanneer zij zuiver hun eigen ontwikkelde smaak volgen, is dat kunstenaars na een korte opleving afgedankt worden. Nadruk in het kunstbeleid op vernieuwing vanuit het elitaire l’art pour l’art-perspectief zorgt voor een verkorte receptieve cyclus. Het zal de kunstenaar spijten dat hij, na een korte opleving van aandacht, met zijn werk een wegwerpartikel van een elite blijkt. Het is ook jammer voor het grote publiek, omdat een potentieel aan bijzondere ervaringen aan de collectieve neus voorbij gaat en de massa hierdoor blijft hangen in het warme bubbelbad van de kitsch. Bij andere belangrijke kunstvormen is er van een onoverbrugbare kloof tussen de kenners en het grote publiek geen sprake. Filmcritici en liefhebbers van cinema zijn het vaak met elkaar eens. Ook bij (pop)muziek is er een gezonde wisselwerking tussen fanatiekelingen en genieters. Als zij het met elkaar eens worden over de kwaliteit van een nieuw geluid, volgt vaak – in een later stadium – ook het grote publiek.
Een voorkeur voor nieuwe dingen heerst niet alleen in de beeldende kunst, het is een typische karakteristiek van de mens als consument. Hoewel de ervaring van kunst veel dieper gaat dan het vergaren van bezit, is er een belangrijke overeenkomst: de mogelijkheid om je ermee te onderscheiden. Net als bij mode is verandering en vernieuwing essentieel. De sociale interactie tussen groepen, die ten grondslag ligt aan de receptieve cyclus van een kunstwerk, is vergelijkbaar met de wederzijdse beïnvloeding die de levenscyclus van een consumptiegoed bepaalt. Het product kent een aantal opeenvolgende levensfasen, die corresponderen met verschillende typen consumenten. Allereerst zijn er de innovators. Dit klinkt als iets heel productiefs, maar het komt erop neer dat je de eerste bent die iets koopt. Je bent als innovator een soort vrijwillig proefkonijn dat de voor- en nadelen van het nieuwe product test. Je wordt daartoe gedreven door nieuwsgierigheid. Dan heb je de early adopter. Hij wordt gedreven door verlangen. De early adopter wil steeds de eerste zijn die het product van de toekomst omarmt en heeft daar flink wat geld voor over. Na deze twee selectiefasen is duidelijk geworden of een bepaald product veelbelovend is. Nu volgen meer productiebedrijven en meer consumenten. Zij vormen de early mass. Dankzij deze fase is ieder risico geweken: er kan nu veilig worden geproduceerd. Goedkope namaak komt op de markt en ook de armste mensen kunnen zich het (voor hen) nieuwe product nu veroorloven: het is daarmee tijd voor de late mass om tot consumptie over te gaan. En dan is er nog het zielige staartje der laggers voordat het product een stille dood sterft.
In de wereld van de popmuziek kunnen we dezelfde cyclus constateren: een groep van nieuwsgierige muziekliefhebbers luistert alles wat nieuw is. Wat zij echt mooi vinden, bezoeken zij ook live. De muzikanten verwerven door optredens een grotere naamsbekendheid. Een tweede groep mensen volgt vanuit een verlangen naar spanning. Steeds meer aandacht zorgt voor een groeiende beroemdheid. De massa hoort nu de liedjes ook op de radio en de cd’s zijn steeds gemakkelijker en in grotere oplagen te verkrijgen. De band breekt nu door, de early mass stroomt toe als publiek. Nog even en iedereen kent de muziek. De tijd die intussen al verstreek is voor de muzikanten een periode van optreden, maar ook van opnemen. Vaak is er allang een tweede of zelfs derde album uit, voordat de massa hun muziek heeft opgemerkt. Als de band trouw blijft aan de succesformule, moet die in eerste instantie wel heel vernieuwend zijn geweest om daarmee lang in leven te blijven. Was de stijl slechts gematigd vernieuwend, of moest de band het voornamelijk van de energie hebben, dan is de kans groot dat de vroegste fans al zijn gaan lopen. Zo’n band stevent, blind door het succes bij de massa, af op een publiek van laggers en op een gewisse dood. Slechts nostalgie blijft over.
De hedendaagse beeldend kunstenaar zal, net als de muzikant, zijn werk constant moeten doorontwikkelen. Slechts een veelzijdig oeuvre vermag het de aandacht blijvend te wekken. Een verschil met de muziek is echter dat in de huidige situatie het toestromen van nieuw publiek niet onbelemmerd doorgang kan vinden. De kunst is vaak sterk contextafhankelijk, wordt exclusief ontsloten en spreekt slechts tot de ontwikkelde smaak. Dat er bij beeldende kunst van popularisering nauwelijks sprake is, duidt op een onoverbrugbare kloof tussen professionals en geïnteresseerden. Hier zijn verschillende mogelijke oorzaken voor aan te wijzen. Het probleem van l’art pour l’art heb ik hierboven al aangestipt, later ga ik hier verder op in en bespreek ik een alternatief. Nu wil ik eerst de vermeende desinteresse van het publiek in goede beeldende kunst behandelen. De massa consumeert muziek van harte, maar komt niet in de buurt van een museum. Een te smalle opvatting van beeldende kunst als museale kunst gaat hierin schuil. Bezoekersaantallen van musea kun je meten met kwantitatief onderzoek, maar voor het vaststellen van het effect van kunst in de openbare ruimte is kwalitatief onderzoek nodig. Hoe meet je bovendien de onbewuste effecten van kunstwerken op het dorpsplein of langs de snelweg? …Een bijzonder onderzoek dat in Antwerpen recent is uitgevoerd, brengt de kloof tussen kenners en het volk op pregnante wijze in beeld. Een kritische beschouwing van de methode is echter geboden. Cultuurkanaal Klara van de Vlaamse TV vroeg ’s lands (financieel) meest succesvolle kunstenaar Luc Tuymans midden in de stad op de muur één van zijn schilderijen te maken. Een flink aantal meters bedekte hij met zijn grauwe afbeelding van een stel copulerende aapjes in menselijk aandoende houding. Enkele duizenden bezoekers passeerden en nog geen 4% stopte om er even naar te kijken. Het onderzoek toont hiermee aan dat het overgrote deel van de burgers dagelijks voortjakkert zonder stil te staan bij het huidige moment. De overdaad aan visuele impulsen in het straatbeeld vormt overigens een goede en meer algemeen geldende verklaring voor de dufheid van de de passanten. Men ziet vandaag de dag zoveel reclame, er is zoveel ruis, dat een kunstwerk niet meer opvalt. Het onderzoek getuigt van een smalle en elitaire opvatting van de aard van beeldende kunst. Men presenteerde een schilderij van een ‘erkend kunstenaar’, maar dit zegt de meeste mensen niets. Erg duidelijk was de afbeelding niet en zeer gering waren de kleurcontrasten. Hoe zou het dan de aandacht moeten trekken te midden van veel geraffineerder vormgegeven en gepositioneerde reclameboodschappen? In plaats van het traditionele schilderij had men ook kunnen kiezen voor videokunst, animatie, of vormgeving van de leefomgeving zelf; het plaatsen van een beeld met meerdere dimensies of een architectonische ingreep. De belangrijkste conclusie echter, die men kan trekken uit het feit dat de normale Antwerpenaar aan kunst voorbij loopt, is dat in het beleid voor onderwijs en cultuur meer in het algemeen aandacht aan onthaasten, levenskunst en ‘de kracht van het nu’ besteed mag worden. Op de huidige wijze streven we toch onze doelen voorbij?
Het op straat aanbieden van hoog aangeschreven kunst blijkt geen oplossing voor de exclusiviteit van de beeldende kunst. Dit zegt evenveel over de reikwijdte van de indruk die deze kunst maakt, als over de interesse van het publiek. Zaak is om beide partijen te stimuleren elkaar de hand te reiken. Het type kunstwerken dat professionals selecteren voor aankoop of subsidie zou toegankelijker kunnen zijn. Kunst die rijk is aan dimensies, kunst met een universeel karakter, kan zowel de ontwikkelde smaak als de beginneling behagen. Doordat meerdere interpretaties op verschillende niveaus mogelijk zijn, kan een breed publiek uitgedaagd worden om buiten zichzelf te treden. Kunstkenners moeten daarvoor bereid zijn de kunst niet als distinctiemiddel te gebruiken. Ze moeten hiertoe hun preoccupatie met het gesprek tussen vakbroeders overboord zetten en hun educatieve taak ter harte nemen. In plaats van het verwerven van professionele status door het strikken van een kunstenaar die voor ingewijden hot is, richten zij zich beter op het behartigen van de belangen van zowel de kunstenaar als van het publiek.
Een kunstwerk als de mobiele bioscoop van Koelewijn is interessant voor kunstkenners, maar zal ook de massa aanspreken. Als gepopulariseerde variant op het gat dat de kunstenaar in de muur liet maken van de galerie van Fons Welters (‘The world is my oyster’) om in plaats van een representatie de werkelijkheid zelf te tonen, leent het zich voor ontsluiting aan een massaal publiek. De context die opnieuw geëvalueerd wordt is nu niet langer de galerie, relevant voor een klein deel van de bevolking, maar de bioscoop, relevant voor iedereen. Waarom worden er niet overal in Nederland exemplaren van neergezet? Voor mijn part gebruiken hangjongeren zo’n container om jointjes in te roken als het regent. Het zal hun horizon verbreden en ze een nieuw perspectief bieden. Naast keuze voor een meer universeel type kunst, is voor de toegankelijkheid ook de manier waarop de kunst wordt aangeboden van belang. Een obstakel ten aanzien van de popularisering van beeldende kunst is evenwel de authenticiteit van het werk. Een opera kan worden opgenomen en in het park op grote schermen getoond. Het kopiëren van schilderijen van Rembrandt of Van Gogh heeft weinig zin, hoewel het mensen ertoe kan brengen het werk eens in het echt te willen aanschouwen. Ik heb het dan ook niet over kunst uit het verleden, maar over actuele kunst. Het is aan de kunstenaars van nu om bestaansrecht te verwerven door hun perspectief dusdanig te conceptualiseren dat ontsluiting voor een breed publiek aantrekkelijk en zinvol wordt. Afbeeldingen op mokken zijn niet het hoogst haalbare resultaat. Het gat dat Koelewijn in de galerie sloeg had veelzeggend genoeg de grootte van een voetbaldoel… Symbolisch opgevat moet de actie bovendien twee kanten op kunnen werken. Door ramen te slaan in kunsttempels krijgen professionals weer zicht op de realiteit, tegelijkertijd kan de buitenwereld een blik naar binnen werpen.
Geplaatst in Filosofie, Kunst, Muziek, Onderwijs, Politiek, Sociale Verhoudingen
Tags: democratisering, educatie, Job Koelewijn, kunstkritiek
Wie is hip?

We weten intussen dat Smurfen en negerslaven hip zijn. Zij wijken af van de norm en doen dat op zo’n zelfverzekerde wijze dat anderen het nakijken hebben. De Negerslaven zijn zelfs zo hip dat zij het woord hebben uitgevonden. Dat is mooi, maar gewone stervelingen kunnen zich met de beste fantasie niet tot een van deze groepen rekenen. Wie kan er dan nog aanspraak maken op het predicaat der hipheid en hoe gaat dat in zijn werk? Wie bepaalt er eigenlijk wie hip is en wie niet? doen hippe mensen dat zelf of doen de anderen dat?
Hipheid, pubers & populariteit
Laten we even aannemen dat hipheid een graadmeter voor populariteit is. Er zijn vele gronden voor populariteit. Een restaurant kan populair zijn om zijn goede bediening, om het goede eten, de makkelijke bereikbaarheid of goede ligging. Het restaurant dat echter populair is om de stijl, is het hippe restaurant. De aankleding: de muziek, het type eten en al het uiterlijke zorgt hier voor de populariteit.
Populariteit is een sociaal waardeoordeel en een begrip waarvan we de principes het beste in een speciale context kunnen bestuderen: namelijk die van de middelbare school. De wereld van pubers is veel transparanter en eenduidiger gericht op sociale verhoudingen dan die van volwassenen. Wanneer we naar de mechanismen van populariteit en hipheid op school kijken, wordt een en ander dan ook duidelijk.
Een puber met een grote bek is sneller populair, maar loyaliteit naar anderen is daarbij van belang. Een puber met gevoel voor humor toont karakter. Een puber met een interessante garderobe durft op te vallen. Het zijn allemaal middelen om het ego te presenteren en zelfverzekerd over te komen. In relatie treden met de omgeving en de goedkeuring zoeken van anderen is de volgende stap. De zucht naar erkenning geeft de anderen de gelegenheid het gepresenteerde ego te bevestigen, zonder zichzelf miskend te voelen. Nabootsing van het ‘sterke ego’ volgt en zo verleent men elkaar identiteit. Veel pubers gebruiken een of meer van de strategieën (grote bek, aparte stijl, gevoel voor humor) om zelfverzekerd over te komen en populariteit te verwerven. Hun zelfgevoel baseren ze daarmee op de bevestiging die anderen hen geven. Het gaat bij de strijd om populariteit dus in wezen om vormgeven aan de identiteit. Sommige mensen geven leiding en anderen laten zich leiden. Ze hebben elkaar nodig en samen staan ze sterk.
Afwijken van de massa en hier een zelfverzekerde houding bij aannemen is dus niet voldoende om de bevestiging te krijgen dat men hip is. Afwijken van de norm wordt over het algemeen niet als positief gezien en zelfverzekerdheid wordt snel als arrogant ervaren. Toch lijkt het erop dat de sociale werking van hipheid en die van populariteit grote overeenkomsten vertonen. Bevestiging van het ego is het doel en nabootsing is een goede graadmeter daarvan.
Hipheid in parallelle universa
Hipheid is een cyclus. Het begrip past niet in een lineaire tijdsopvatting. Voor de waardering van echt hippe hipheid moet men mentaal een tijdreiziger zijn. Heden, verleden en toekomst moeten tegelijk ervaren worden. Hip is als stijl van de toekomst een hernieuwing van het verleden. Hoewel een hippe vogel zijn identiteit ontleent aan het feit dat hij afwijkt van de massa, is deze identiteit pas compleet op het moment dat de massa hem nabootst. Een toenadering tussen de trendsetter en zijn gevolg leidt onherroepelijk tot verwijdering. Als de massa de nieuwe stijl heeft aangenomen, is deze mainstream geworden: niet meer “hip”, maar hooguit “vlot”. Het hippe bevindt zich op het raakvlak van de voorloper en de navolgers. Alleen datgene is hip waarvan men weet dat het nu nog slechts door een enkeling uitgedragen wordt, maar straks door vlotte mensen omarmd zal worden. Een vermoeden van een parallel universum, waarin toonaangevend is wat bij ons afwijkt, is de essentie van hipheid.
De paradox van hip
De mens die hip wil zijn heeft, zoals we hebben kunnen constateren, een paradoxale neiging: aan de ene kant wil hij voelen dat hij onafhankelijk zijn stijl bepaalt. Aan de andere kant heeft hij bevestiging door navolging nodig. Als hij niet telkens kan zeggen: “zo liep ik er drie jaar geleden bij” of “daar kwam ik altijd toen ze net open waren”, mist hij de gezochte coolheid. Dit is de coolheid van de snelle geest; van de goed geïnformeerde, die alles als eerste weet. Zodra anderen iets omarmen, trekt de hippe zijn handen ervan af. Afwijken is een doel op zich. De eigenheid is hiermee volledig afhankelijk van de ander. Dit afwijken is geen zoeken naar invulling van, maar vormgeven aan de identiteit. Slechts de zaken die mainstream zullen worden, dragen bij aan de hipheid. Hipheid wordt dus eigenlijk altijd achteraf ervaren: “Toen was ik zo cool en toen zus en toen was ik cool omdat ik dat al wist/deed/had”.
“Ik kijk al acht jaar naar Jiskefet”.
Zelfverzekerdheid moet je als hippe figuur dus faken. Echte zelfverzekerdheid roept voornamelijk afgunst op en dan blijft het gewenste gevolg uit. Afwijken doe je als hippe om nagedaan te worden, niet om jezelf te kunnen zijn.
Geplaatst in Emancipatie, Filosofie, Psychologie, Sociale Verhoudingen
Tags: anderen, anders, eigenheid, hip, identiteit, populair, puber, zelf
About Art (first draft)
High art and low art do not exist. Although art can be exclusive and difficult to access, whereas other art will be more inclusive and easier to get access to, this is no cultural difference of ‘high’ and ‘low’. Different accessibility only is difference in amount of dimensions and universality of subjectmatter. Some art might speak to the few, while other art resonances with a massive audience. However, the members of the public will always have to invest to have an artistic experience. The spectator must actively construct his or her own experience or must at least loosen their bindings with (collective) ‘reality’ and embrace an alternative (individual) reality. In general an artistic experience will include emotional, rational and associative aspects. Art is like science a means to comprehend reality, to find truth. Science aims for objective truth, but will only accomplish intersubjectivity, like art historians and art critics. Artists and the public can accomplish higher truth: purely subjective truth. The biggest difference between art and science is that science only has basis in the intellectual understanding, whereas art makes use of all kinds of human faculties and has its basis in the intuition or instinct. Artistic experience can be a mostly rational experience or a more dreamlike and associative experience. When an art experience is a rather rational one, there at least will be an alteration in ratio or a different conclusion following the ‘facts’. Confirmation of what we already know is not art.
The broad way of looking at art that derives from cultural relativism has little to do with art philosophy. Rather it is necessary to differentiate between culture and art. I will therefore strictly divide entertainment from art. The main route I will take to do so is the one of psychology. I will debate that entertainment serves a collective purpose of entertaining in a group, whereas art serves a individual and subjective experience. One might think of the difference between religion and spirituality. Religion serves as a body of rules and customs which make up a community that differs from other communities. Entertainment and culture also function as means to differentiate between individuals as members (or nonmembers) of groups. Even when someone deliberately does not follow cultural proscriptions, this ‘act of independence’ serves to maintain a relation to the group. Spirituality only serves an intrinsic purpose. A person wishes to leave their earthly boundaries, to find inner peace and meaningful quietness. Meditation is emptiness of the mind, this is different from the meaningful quietness a spiritual person aspires to.
Fromm concludes in his work ‘Escape from freedom’ that the collective is always oppressive and the only ways to stay true to oneself are via true love (I will not go into this one…) and via spontaneous creation. With ‘spontaneous’ he means out of free will.
Now we have to define artistic creation and other creation. Artistic creation springs from what Nietzsche calls instinct, Freud’s subconscious. Also one could use the term intuition. All are opposed to ratio. Rational creation is not artistic creation. Rational art does not exist.
With what we call postmodernism art and art critique are mixed up. Warhol created not art but art critique. His imagery can be understood by members of the public merely as popular. In this way they are entertainment. The deeper meaning of his work is criticizing the art world for being too exclusive. Not by making accessible art, but by posing entertainment as art. This goes for the whole of the pop art movement.
Art and culture are different things. Culture exists of what binds a group of people. Art can be part of culture in this sense, but is only truly art when every spectator has his own subjective experience. Art that is consumed by culture in a way that it poses a dominant reading, is psychologically not true art. A collective experience can not be an artistic experience. On this fundament I will construct my theory of art. I will oppose Art to entertainment. Entertainment makes use of formulae that are dependant on culture and thus collective. People search diversion in entertainment, without letting go of collective reality, without letting go of themselves. Art is letting go of oneself and reaching for alternatives for collective reality. Art is pure subjectivity. Senses become more important that ratio.
“I may be affected by a theatrical exhibition, I may not be affected by an actual event wich appears to concern me much more” writes Henry David Thoreau (Walden, 1854). Artistic experience can be more intense than real-life experience and in this way even more real to the subject.
I posed that art has no part in (collective) culture. Therefore ‘high’ or ‘low’ art does not exist. Off course one can differentiate between different social classes, these groups will have their cultural differences, maybe even more so than financial differences. Nouveau riche people tend to have culturally more in common with working class people, they only have more money. They will wear more expensive clothes, but not classical clothing. They will pay 300,- euros for a pair of jeans, whereas upper class folks who do not have much money in their family left, will be likely to spend the same amount of cash on a suit. The same goes with cars, houses etcetera. You might rather call this differences in style or fashion, but we will see there’s a common accepted dominant style. This style is classical and we call it high culture.
So we see that, as Bourdieu teaches us, there are different ways in which one can be ‘rich’. One can have a lot of money, one can have education and Bildung (the privilege of belonging to the culturally dominant group) and one can be in the possession of al lot of respectable friendships and a network of acquaintances. So there are different types of Kapital: financial, cultural and social. These commodities used to be reserved for one group only and be combined in a single person, a member of the elite. But in our postmodern age one can be a member of a cultural elite without having any money or be a member of a financial elite without the knowledge and customs that are recognized as highly cultural.
The customs of a certain group of people, let’s call them the cultural elite, include a lot of attention (investing time, energy and money) to the arts. Members of the cultural elite value artistic experience above collective experience. Artistic experience is also valued above personal and more or less instinctive experiences, like competing or winning and getting things or money in possession.
Now that we have seen that not only money, but also culture can be seen as power, we can understand that in the postmodern mix-up a broad perspective on culture has arisen and moreover cultural relativism. When people with ‘bad taste’ have come to make a financial fortune, they will not be pleased when culturally excluded. So now rich people can lay claim to a ‘different’ taste rather than to have to suffer of having ‘bad taste’. In this light we must understand Rancière’s notion that politics and aesthetics are essentially the same. Both are ways of creating discourse. By defining the way we look at and talk about things, one exercises power.
But we must differentiate between art and culture. Aesthetics can serve to protect the power of the few, also they can generate new discourse and help emancipate people. I would like to propose to call creative outings that speak to people as members of a group not artistic but cultural. With Rancière the psychological difference between individually experienced art and culturally experienced aesthetics might not be relevant, because he is interested in discourse, which is always intersubjective, a collective interplay of individual experiences. Emancipation of groups happens trough emancipation of individuals, in which art can play a (decisive) role. In this respect artistic experience is interesting as a source of input. However, I do not primarily want to talk about the social consequences of an individual artistic experience. I want to differentiate the individual experience from the collective one.
The interplay of individual experiences which lead to collective experience is not what I mean by collectively induced experience. For Example: A soccer match is not art. The purpose of watching a match is taking part in a collective experience. Also a royal wedding or national holiday are collective experiences. But what about watching a film or reading a book? Although seated in a theatre with a group of people, watching a film can be an individual experience. The relation with the creator(s) of the film is more important then the relation with the other spectators in this aspect. Hollywood movies are aspecific and composed along the lines of formulae. Sometimes five scriptwriters cooperate and often the director has to compromise with powerful producers. these characteristics make it impossible to have a personal and subjective experience. The hollywood movie has only one dimension and all the spectators are coerced in a singular reading. Someone like Stanley Kubrick managed to keep al strings attached and make an artwork of his own. That is an exception.
When reading a spontaneous novel that hasn’t been tempered with (too much) by editors, one will probably have an individual experience. Every reader constructs his or her own story. This is made possible by every subconscious aspect the author has put into his work. The story becomes multi interpretable when it has different dimensions and makes association possible. When a book is being published to please a crowd, the reading experience will be less multi-interpretable and the reader will be coerced into a collective experience. That’s the difference between art and entertainment.
Some books or films are new and attractive in different ways and produce a wide audience. Only when different experiences are possible, can we speak of a work of art. This might be an easily accessible work of art (all the better!), suited for a wide and diverse public, but still a work of art. Other works of art only speak to an experienced public that have defined their taste. These works of art are not ‘high art’ but rather exclusive art.
Probably the difference between what is regarded as ‘good’ and ‘bad’ taste is only dominance and collective acceptance of the dominant taste. Morals also play a big part in dividing ‘good’ and ‘bad’ taste. Changes in what is collectively regarded as good taste will occur only in accordance with the very thick and syrupy streaming substance this fashion of accepted ‘good taste’ is made of.
Geplaatst in Emancipatie, Filosofie, Kunst, Religie, Sociale Verhoudingen
De sociaaldemocratische zelfbevrediging
“Minder ontwikkelde landen” zijn achterlijk, de sociale voorzieningen zijn daar niet geregeld zoals zou moeten; zoals bij ons. De mensen zijn daar niet geëmancipeerd. Het zijn slaven van hun godsdienst en van hun eigen sociale controle. Een mens mag geen slaaf zijn, moet beschermd worden en kind kunnen zijn. Het werken moet spelen zijn, geen hard of eentonig werk, maar leuk werk waarin men zich kan ontplooien. In de vrije tijd doen we nog meer leuke dingen. Het Westerse leven in een democratische verzorgingsstaat is een leven van leuke dingen doen. Onze maatschappij is geen samenleving maar een langs-elkaar-heen-leving. Onze maatschappij is narcistisch en is gepreoccupeerd met zelfbevrediging. Masturbatie is echter niet vruchtbaar en levert geen nageslacht op.
De mens is na een kindertijd van 25 jaar zo gewend geraakt aan een leven waarin de rijkdommen voor persoonlijk plezier kunnen worden aangewend en er slechts verantwoordelijkheid voor de eigen persoon is, dat kinderen krijgen niet vanzelfsprekend meer is. Kinderen krijgen betekent anderen vóór jezelf laten gaan. Verantwoordelijkheid, dienstbaarheid en financiële offers zijn nodig. Als mensen toch voor nageslacht zorgen, dan willen zij niet dat dat van hun eigen speeltijd afgaat: het opvoeden van de kinderen, dat moet de samenleving doen. Er is daarvoor de zwaar gesubsidieerde crèche, primair en secundair onderwijs. Met torenhoge belasting kopen we onze verantwoordelijkheden af.
Het individu in onze samenleving wil zo veel mogelijk rechten, zo min mogelijk plichten. De maatschappij is maakbaar en de overheid verantwoordelijk voor de burger. Na 25 jaar kindertijd worden we nooit meer helemaal volwassen. Alles wordt voor ons geregeld en als het niet perfect loopt, dan gaan we zeiken. Over files, openbaar vervoer dat niet op tijd rijdt, slecht onderwijs, vandalisme.
Als je “oud en grijs” bent, doe je geen beroep op je eigen kinderen (als je die hebt), maar op de maatschappij. Terwijl je nog gemakkelijk geld zou kunnen verdienen, je bent in de kracht van je leven. De pensioensgerechtigde leeftijd is echter bereikt, er hoeft nu niet meer zelf gespeeld te worden. Als gepensioneerde ben je voor de rest van je leven supporter geworden. Een hoop universele wijsheid en beroepsgerichte know-how neem je mee buiten de lijnen van het speelveld. Je gaat de professionele spelers nu ‘aanmoedigen’. De kennis en know-how worden niet constructief maar kritisch ingezet.
Wij vinden dat we geëmancipeerd zijn in onze moderne westerse samenleving, maar een verzorgingsstaat is een afhankelijk collectief. We hebben de mogelijkheid gecreëerd tot onafhankelijkheid, maar maken daar geen gebruik van. Emancipatie is niet; zoveel mogelijk doen waar je zin in hebt; lang kind blijven, snel weer je hand ophouden; de professionele periode een spel met duidelijke regels en doelen (winst). Emancipatie is jezelf losmaken van de geijkte paden, out of the box denken, onafhankelijk zijn. Geestelijk onafhankelijk, maar ook financieel onafhankelijk.
Geplaatst in Emancipatie, Onderwijs, Politiek, Religie, Sociale Verhoudingen
De geluksformule (versie 1.0)
Wat moet je doen om te zorgen dat jij en anderen kunnen groeien en ontwikkelen tot geëmancipeerde individuen?
Creëer een inspirerende omgeving. Kunst is inspirerend, mensen zijn inspirerend. Een stedelijke omgeving kan inspireren: kijk eens om je heen wat andere mensen allemaal gemaakt hebben. Natuurlijke elementen in de stad bieden een organisch tegenwicht aan de statische vormen van de architectuur en kunst in de openbare ruimte zorgt voor reflectie en nieuwe inhoud. Een kunstwerk vertelt een verhaal.
Ook mensen vertellen een verhaal. Verschillende culturen vertellen hun eigen verhalen. Ga met anderen in gesprek. Of sta in ieder geval open voor de verhalen die blijken uit het gedrag van anderen. Leef je in.
Een diverse en dynamische omgeving levert uiteenlopende voorbeelden. Mensen gebruiken hun zintuigen om hun omgeving in zich op te nemen. Ze bepalen hun verhouding tot die omgeving. Ze maken keuzen. In een homogene en kleine gemeenschap zijn er maar twee keuzen: aanpassen of wegwezen. In een multiculturele omgeving, waar sprake is van hoge cultuur, volkscultuur, subculturen en etnische culturen kan een individu een samengestelde culturele identiteit vormgeven. Word lid van een hockeyclub, maar koop je boodschappen bij de kleine Marokkaanse winkeltjes. Luister naar klassieke muziek, wereldmuziek en ga naar dansfeesten. Lees boeken van voor de oorlog en van niet-Westerse schrijvers. Kook de dingen die je lekker vindt en blijf niet binnen de geografische grenzen van een Italiaanse, Hollandse, Marokkaanse of Indonesische keuken.
Doe elke dag iets dat je nog nooit eerder hebt gedaan en durf fouten te maken! Beoefen een nieuwe sport. Koop een nieuwe groente, paddestoel of vis, die je nog nooit hebt gegeten. Laat staan ooit hebt klaargemaakt. Proef de verschillen.
Lees geen slechte kranten en kijk weinig tv. Houd je verre van de massamedia. Informeer jezelf via internet, boeken, opiniebladen en kwaliteitskranten. Lees nooit te lang dezelfde krant of hetzelfde tijdschrift en praat ook met mensen die tot een andere subcultuur behoren. Specialiseer je in de onderwerpen waarin je geïnteresseerd bent. Vorm een eigen mening en stel deze constant bij.
Drink af en toe een beetje teveel, maak eens hasjbrownies of spacecake, eet een keer een psychedelische paddestoel. Bespeel een muziekinstrument ook al ‘kan je dat niet’. Maak een tekening of schilderij. Hiervoor geldt hetzelfde.
Geef je over aan seks. Mijd porno. Praat er liever over met vrienden en geef elkaar tips.
Consumeer met mate, beweeg en studeer zoveel mogelijk. Geniet van wat je doet en doe waarvan je geniet.
Geplaatst in Dans, Emancipatie, Kunst, Muziek, Sociale Verhoudingen, Voeding
