Fonction fatale – over vormgeving, inhoud en marketing

Wil je als ontwerper iets maken waarmee je kopers kunt verleiden of wil je iets ontwikkelen dat het leven aangenamer maakt? Zoek je aansluiting bij de smaak van een publiek of geef je richting aan de collectieve esthetiek? Wil je jezelf als maker profileren of ga je schuil achter het produkt? Soms kopen mensen iets omdat ze het nodig hebben en soms kopen ze iets omdat ze het mooi vinden. Maar wanneer vindt iemand iets mooi? ‘Mooi’ is een waarde oordeel, een oordeel over de waarde. Dit oordeel wordt zowel bij kunst als bij Design gestuurd door de reputatie die de naam van de maker heeft. Een Van Gogh is altijd kostbaar, maar sommige van zijn schilderijen zijn eigenlijk niet eens zo goed. Ook niet alle P i c a s s o ’ s zijn even geweldig.

Of je nu kunstenaar of ontwerper bent, het vestigen van je naam kan de sleutel tot succes zijn. Het publiek is altijd op zoek naar de persoon achter het werk. Het veroveren van de harten der critici kan een vruchtbare strategie zijn. De smaak van de critici en kenners is doorslaggevend: de smaak van een breder publiek volgt vaak die van de ingewijden. Als je eenmaal naam hebt gemaakt, dan ben je een stijlguru geworden. De stijlguru heeft de magische kracht om de smaak van het publiek te sturen. Ook lelijke dingen met het juiste merknaampje verkopen en bepalen de smaak en esthetische beleving van een gemeenschap.

Louis Vuittton is zo’n gevestigde naam. Dit merk maakt doorgaans gebruik van visuele smaakversterkers om de zouteloze produkten een doffe glans te verlenen, met af en toe ècht wanstaltig en afstotelijk resultaat. Allerlei Bling-Bling moet de aandacht van een nutteloos geheel afleiden. Toch wordt er ook in de ergste gevallen grof geld voor de tassen neergeteld, omdat veel mensen zich nu eenmaal gewoon laten vertellen wat ze mooi (moeten) vinden. En zo worden mensen afhankelijk van kunstmatige smaakversterkers, om nog iets te proeven. Niet alleen Bling-Bling, maar ook de merknaam zelf functioneert als een soort smaakversterker (E-621). Als je het er maar flink aan toevoegt en dik bovenop legt, wordt het produkt vanzelf aantrekkelijk voor een bepaald publiek.

VIKTOR & ROLF, de enfents terribles van de modewereld, blijven met hun kunstzinnige maar bij vlagen sadistische creaties (arme modellen) nog altijd in de gratie. Wat zij doen voor de haute couture kent een intrinsieke waarde, maar het feit dat een collectie voor H&M binnen een dag is uitverkocht, laat zien dat ook hun merknaam van doorslaggevend belang kan zijn.

Wat is dus eigenlijk smaak? Ik geloof dat smaak in het beste geval oppervlakkig is en behoorlijk beïnvloedbaar. Bovendien heeft smaak alles met gewenning te maken. Als je lekker (duur) wilt gaan eten, dan moet je in een opgedirkte en meestal niet al te gezellig ingerichte en verlichte ruimte plaatsnemen. Je krijgt porties die de gezonde eter niet kunnen bevredigen. Misschien dat het primaat bij de kwaliteit van het eten ligt, misschien dat het de bedoeling is de benodigde calorieën met wijn aan te vullen, maar ik geniet pas echt van een smakenpallet als ik het op mij in kan laten werken, als ik er een tijdje van door kan eten. Haute cuisine laat wat dat betreft eigenlijk altijd te wensen over.

Smaak is gewenning: Een prachtig bord eten wordt lekkerder naarmate je vordert met het verorberen ervan. En aan de sterkste smaken moet je sowieso wennen: oude wijn, franse stink-kazen, olijven, vette vis, kaviaar, wild, truffels, spruitjes en aspergepunten. Iemand met een volwassen en ontwikkelde smaak heeft de tijd gekregen aan deze lompe lekkernijen te wennen en er van te gaan houden. “…Lomp? Verfijnd toch juist?”. Tja, het zijn gedistingeerde produkten met heftige smaken: misschien wel chique, maar het blijft gastronomisch grof geschut.

Wat dieper gaat dan smaak en misschien wel aangeboren is, zou ik ‘persoonlijke voorkeur’ willen noemen.

Veel mensen hebben een voorkeur voor vet, zoet of zout eten. Anderen neigen misschien meer naar mager en vezelrijk voedsel. Ook op het gebied van de vormgeving zijn er dieper liggende persoonlijke voorkeuren. Mijn moeder houdt van licht, strak en vrij kleurloos interieur. Ik houd meer van nostalgisch, retro en kleurrijk… Zij was jong in de jaren ’70. De stijl van die tijd beschouwt zij nu als gedateerd en burgerlijk. Zij wil liever een moderne inrichting. Ik vind de zeventiger jaren geweldig, voor mij ademt het een ouderwetse gezelligheid en ongecompliceerde vrijzinnigheid. Ik vind de alomtegenwoordige strakke Gamma-esthetiek van witte muren en een laminaatje pas echt burgerlijk. Het IKEA-modernisme; het beheerste Des Bouvrie-monochronisme, dat vind ik fantasieloos: Sommige mensen houden van ouderwets en anderen houden van modern. Sommigen houden van organisch en anderen houden van strak.

Ben je een Jugendstil liefhebber? Houd je van BAUHAUS, of blijf je er liever tussenin en ga je voor Art Deco? Prefereer je natuurlijke materialen of doe je je voordeel met de gemakken van kunststoffen?

Smaak is steeds in ontwikkeling en invloeden van buitenaf zijn daarbij cruciaal. Smaak wordt bepaald door de status van de dingen. Iets is mooi, omdat het duur of ‘antiek’ of zeldzaam is. Dezelfde rommel kost in een kringloopwinkel stukken minder dan bij een antiekzaak of retro-toko. Het feit dat de produkten in die context liggen van de gespecialiseerde winkel, omgeven door andere spullen en voorzien van een –[prijskaartje], geeft ze vaak hun waarde. Sommige dingen zijn echt kostbaar en hebben een intrinsieke waarde, maar er zit ook een hoop zooi tussen, kijk maar eens goed!

De taak van de vormgever is om een esthetisch gevoel aan te boren, op te warmen of tot stand te brengen. Mooie materialen en knappe technieken leveren intrinsieke en concrete waarde. Slimme ideeën en logische originaliteit kunnen waarde schèppen.

Niet voor niets is er bij Design altijd een grote aandacht voor de k l a s s i e k e r. Deze gespannen aandacht grenst aan de verafgoding van ‘het produkt der creatieve schepping’: het colaflesje, de paperclip, de bicpen of de Moka Express van Bialetti [uit Morf 9]; maar ook de stoelen van Thonet en Breuer; de ‘Eend’ en de ‘Snoek’ van C i t r o ë n, de V.W. ‘Kever’ en waarschijnlijk in de toekomst de Ford Ka en de Nokia 3310… vul de lijst maar aan. We spreken allemaal met groot respect over deze geniale ontwerpen. In al deze klassieke gevallen van creatie gaat een liefde voor technische ontwikkeling, gevoel voor de wensen van gebruikers en voor schoonheid samen.

Zijn de paperclip en de bicpen eigenlijk meer dan ‘gewoon handig’? Zijn deze kantoorartikelen mooi? We wennen aan de produkten waar we afhankelijk van worden. Als ze maar lang genoeg in de picture blijven, gaan we er vanzelf van houden.

-“Van de bekende Nokia 3310 zijn meer dan 100 miljoen exemplaren verkocht. Over 50 jaar kent iedereen het ontwerp nog, maar is een werkend expemplaar (in nieuwstaat) een zeldzaamheid die geld op zal brengen: zo gaat dat met die dingen”, zei hij populair.

Vormgevers die voorzien in een behoefte op een manier die voorheen nog niet bestond, dragen bij aan de gemakken en genietingen van de mensheid. Als het ontwerp degelijk en duurzaam is, zal het de tand des tijds doorstaan. We willen waar voor ons geld. Als het produkt zijn waarde heeft bewezen, hebben wij intussen onze smaak erop aangepast. Het waardevolle produkt dat ons leven zoveel aangenamer en makkelijker maakt, verkeert in de gratie en kan zich koesteren in onze liefde.

Als je naam wilt maken als designer zul je eerder tegen de stroom in moeten gaan, om op te vallen en iets nieuws te bieden, dan dingen proberen te maken die meteen in de smaak vallen. Je moet de smaak van het publiek aanvallen, veranderen, van jou afhankelijk maken.

Smaak is iets dat gemakkelijk gecorrumpeerd kan worden door een oppervlakkige verleidingstruc. Dit is echter niet de praktijk die voor mij die van het industriële ontwerp typeert. De echte designklassieker bewijst zijn waarde door een duidelijke en logische relatie tussen vorm en functie en door een bepaalde duurzaamheid. Waardevolle produkten zijn in de eerste plaats nuttig en worden later pas mooi gevonden. Iets dat je meteen mooi vindt, dat zou je moeten wantrouwen. Misschien geldt dat niet alleen voor dingen waar je een relatie mee aangaat, maar ook voor mensen. Een lekker ding is aantrekkelijk van vorm, maar hoe zit het met de inhoud? Wanneer je je laat verleiden door het uiterlijk, kun je bedrogen uitkomen. Een goed ontwerp is echter altijd trouw. Ceci n’est pas une pipe. De afbeelding van een pijp is niet de pijp zelf. Marketing is geen vormgeving.

nihilisme

Wat is nihilisme? Volgens mij heeft het begrip betrekking op de moraal. De moralist dringt anderen een moraal op. Vaak is de moralist zich niet bewust van de betwistbaarheid van zijn idealen. De nihilist betwist alle idealen en kent daardoor ook geen moraal. Van belang is de verhouding van het individu tot de gemeenschap. De moralist omarmt de gemeenschap, de nihilist zet zich er tegen af. Dit is echter geen politiek, zoals bij het anarchisme.

Een anarchist verwerpt de machtsverhouding tussen een dominante bezittende klasse en een ondergeschikte groep die weinig tot niks bezit. Het anarchisme is een stroming die wortelt in het Marxisme. De autoreiten worden gezien als een verlengde van de macht van het kapitaal, dat zichzelf ermee beschermt. Door de autoriteiten te ontkennen wil de anarchist gelijkwaardigheid tot stand brengen. De anarchist gelooft in het goede in de mens en stelt dat regels er niet zijn om de slechte mens op het juiste pad te houden, maar om de bezittende klasse te beschermen tegen een eerlijke herverdeling. Socialisten hebben verwante idealen, ook zij richten zich op herverdeling, maar proberen niet de maatschappelijke orde omver te werpen. Hun doel is om binnen het systeem de armen en ondergeschikten te beschermen tegen de rijken en dominanten. Hun doel is om iedereen mee te laten profiteren van de (gezamenlijke) rijkdom. Liberalen willen ruimte creëren voor ondernemende mensen, die zichzelf (persoonlijk) willen verrijken. Het doet er voor een liberaal niet zoveel toe of mensen rijk worden op eigen kracht of over de rug van anderen. De woorden rijk, sterk, ondernemend en goed betekenen in een liberaal woordenboek allemaal hetzelfde.

Anarchisten, Socialisten en andere Marxisten; Kapitalisten en Liberalen gaan uit van het materiële bezit. Het idee van de schaarste is daarbij het leidend beginsel. De nihilist hecht geen waarde aan materie, zoals de hond Seneca in onderstaande cartoon:

1-hondemand

De hond heeft geen behoefte aan spullen. Ervaart hij materie als ledig voor de invulling van zijn bestaan? …een portemonnee raapt hij echter wel op:

2-geldisgeld

Is geld dan niet hetzelfde als materie? Welk geluk levert het verwerven van geld op? Is dit een werkelijk geluk of de ervaring van potentie tot geluk? Het geld houdt een belofte in. Met geld kan men zichzelf in een positie brengen die een geluksgevoel mogelijk maakt. Wanneer men rijk worden als levensdoel stelt, komt men niet toe aan de ontwikkeling die nodig is om het geschapen potentieel te verwezenlijken. Om geld om te zetten in geluk is een activiteit nodig, moet men een keuze maken, maar vooral kunnen ‘genieten van het moment’. Zo zal iemand die beperkte middelen heeft zich steeds afvragen of het geld wel goed besteed is. Had het geld – op andere wijze uitgegeven – mogelijk meer geluk opgeleverd? In zoverre maakt het dus niet uit of je rijk bent of een beperkte hoeveelheid geld hebt. Steeds staat de gerichtheid op de toekomst (potentieel geluk) of het verleden (alternatieve uitgaven) het geluk in de weg.

Voor mij is geluk een onthecht moment. Verleden en toekomst zijn vergeten. Het nu wordt heel even beleefd als een eeuwigheid. Achteraf realiseer je je pas dat je gelukkig was… Voor veel mensen is geluk echter een veilige en gezonde situatie, waarin de toekomst met vertrouwen tegemoet getreden kan worden. Het ontbreekt deze ‘gelukkige’ aan niets. Er zijn geen zorgen. Het verwerven van geld voelt prettig met het oog op een mogelijke toekomst. De voorwaarden voor een zorgeloos bestaan en het scheppen van de mogelijkheden worden zo verward met het eigenlijke geluk. Alsof we in onze vrije tijd (na het opbergen van de boodschappen) op de bank gaan zitten, ons in de handen wrijven en zeggen: “laat dat geluk nu maar komen!”. Vervolgens hebben we geen idee waarop we wachten en zetten we de TV aan om de verveling te verdrijven.

3-noumoe

Heinz begint het te duizelen, maar Seneca is alweer afgehaakt. Verkeert de hond in een staat van lethargie? Is het beest depressief? Het lijkt erop dat de hond niet alleen onthecht is, dat hij zelfs “nee” zegt tegen het leven. Behalve aan de uitdrukking “alles is zinloos”, zien we vooral aan zijn gezicht dat hij het moment niet werkelijk ervaart. Hoewel hij geen slaaf is van zijn behoefte, lijkt hij ook niet actief vorm of invulling te kunnen geven aan zijn leven.

4-frits

Frits is een moralist en waarschijnlijk een liberaal. Hij respecteert de autoriteiten en vindt dat bezit bij de rechtmatige eigenaar moet blijven. Heinz laat zich niet overtuigen door deze ingebakken moraal en gaat zijn eigen weg. De belofte van het geld heeft hem kortstondig bevangen.

5-hoewel

Vaak denken we dat we geld nodig hebben om in onze behoeften te kunnen voorzien. Ik geloof echter dat het geld onze behoeften creëert. Onze financiële situatie vormt het kader van onze fantasie, maar reclame kan ons prikkelen meer te willen dan we ons kunnen veroorloven. Het resultaat is dat we ons zullen inspannen meer inkomen te verwerven. Onze behoefte kan opgerekt worden en voordat we het weten zijn we een slaaf van onze eigen hebzucht geworden. Om verzadigd te blijven moeten we hard werken.

7-bedelaar

De ‘bedelaar’ is geen materiële bedelaar, maar een spirituele armoedzaaier. Als liberaal heeft hij niet geleerd om zijn leven een zinvolle invulling te geven, hij heeft steeds verstandig gehandeld, met oog op de toekomst. De hond laat zich niet misleiden door beloftes voor de toekomst, maar ook hij is niet in staat om het huidige moment werkelijk te ervaren. De hond sluit zich af van zijn omgeving. Als nihilist is hij erin geslaagd de gemene idealen van zich af te schudden, maar stelt daarvoor geen persoonlijke idealen in de plaats. Frits zit vast in de normen van de gemeenschap. Hij leeft een secundair leven, doordat hij zichzelf steeds beoordeelt vanuit een vermeend gemeenschappelijk perspectief. Hij wil graag goed zijn en dus normaal. Heinz doet waar hij zin in heeft. Het geld speelt daarbij geen wezenlijke rol. Zijn behoeftes zijn bescheiden en daarmee creëert hij een grote persoonlijke vrijheid. Hij is geen socialist of anarchist; Heinz is geen politiek wezen. Als individu is Heinz ook geen moralist of nihilist, maar een vrije geest.

De porseleinkast

Wat weet je van je voorouders? Waren zij zoals jij? Hadden ze dezelfde problemen, verlangens en geneugten? Wat betekent de tijd waarin je leeft voor je? Wij denken dat onze tijd wezenlijk verschilt van voorgaande periodes. Onze tijdsopvatting is lineair. De Tweede Wereldoorlog (bijvoorbeeld) maakt deel uit van onze geschiedenis… Denk je dat er onvermijdelijk een Derde komt, of hebben wij geleerd van de fouten uit het verleden? Zijn we in onze geestelijke ontwikkeling verder dan onze voorouders? Zijn wij meer bewust en wijzer?

Er zijn ook culturen die een circulair tijdsbesef hebben. Zoals het ook bij ons elke dag weer middag wordt, de zon ondergaat en opgaat, zoals ook wij ieder jaar de seizoenen zich in dezelfde volgorde zien herhalen… zo kunnen mensen geloven in een steeds wederkeren. Pas als je de jaren gaat tellen ontstaat er immers een tijdsbalk. Als je dat niet doet, dan krijg je het gevoel dat jij een soort reïncarnatie bent van je overgrootvader of -moeder. In culturen zonder jaartelling worden geboorte en overlijden gevierd met rituelen van overgang. Voorouders worden geesten en geesten worden weer nieuwe kinderen.

Wij weten dat we een unieke genetische code hebben, die is samengesteld uit die van onze ouders, die weer is samengesteld uit die van hun ouders. Hoewel je dus elementen van je voorouders met je meedraagt ben je geen kopie. Maar laten we deze wetenschappelijke kijk op de zaak eens van ons afzetten en naar de psychologie van elkaar opvolgende generaties kijken. Wat betekent het voor ons te weten dat er voor ons mensen waren en na ons mensen zullen zijn? En hoe gaan wij om met de confrontatie met deze wetenschap, die wij treffen in de nagedachtenis aan overledenen en de omgang met jongere generaties (die ons ruim zullen overleven)?

Gevestigde generaties staan in onze cultuur erg wantrouwend tegenover nieuwe generaties. Vorige generaties worden geïdealiseerd, terwijl de jeugd wordt gedemoniseerd. Een belangrijk verwijt aan het adres van de jeugd is hun gebrekkige kennis van de geschiedenis en hun schaarse gevoel voor traditie. Tegelijk is de manier waarop er omgegaan wordt met de ‘geesten’ van de vorige generaties er een van krampachtig vasthouden. De ideeën van de helden die Willem van Oranje en Frederik Hendrik waren geweest worden als breekbare porseleinen beeldjes achter slot en grendel in een vitrine bewaard. (Musea en universiteiten functioneren als porseleinkast van de geest). De jeugd mag er wel naar kijken, van een afstandje, maar er niet aankomen (we willen de boel graag de boel houden). Hitlers nagedachtenis wordt kunstmatig in leven gehouden, we doen alsof hij nog steeds actief is in onze wereld: als stand-in voor de duivel waart zijn geest over de aarde rond. Pas als we de herinnering aan helden en verschrikkers laconiek tegemoet kunnen treden, met spot en ironie of zelfs met onverschilligheid behandelen, ontstaat er ruimte in het heden voor nieuwkomers.

Het betreft hier een zeer subtiel spel, vergis je niet: ik ben een voorstander van geschiedenisonderwijs en ik ben dol op musea. Ik heb alleen moeite met de afstand die gecreëerd wordt tussen erflaters en erfgenamen. Waarom bepaalt een generatie die gearriveerd en gevestigd is hoe er met de geschiedenis omgegaan dient te worden? Door het beeld van vorige generaties niet over te geven aan het continuüm van de circulaire tijd, sluiten ze de geesten op in een ‘aardse illusie’ van lineair tijdsverloop. Historische figuren dolen als het ware rond in een tussenwereld. Als levende doden vinden zij geen rust. Als gevangen geesten zijn zij ontdaan van hun meervoudige dimensies. Door van voorouders karikaturen te maken en die bovendien in een sfeer van onaantastbaarheid te plaatsen snijden de ouderen de jeugd af van hun wortels. En dat is precies wat een historische canon doet. Waar geen ruimte is voor een dualistische visie, waar de dialoog opgeofferd wordt aan een voorgekauwde historische beleving, eindigt het geschiedenisonderwijs en begint de propaganda.

Het idee dat nieuwkomers zich moeten aanpassen is verwerpelijk, zelfs walgelijk te noemen. Of we nu uitgaan van een studentenhuis of van een natiestaat: iedereen moet zich toch constant aanpassen aan een continu veranderende omgeving. Niets is wat mij betreft heilig en niets mag eenzijdig als kwaad worden afgeschilderd. Kinderen zijn geen indringers, zij zorgen voor vernieuwing. Verandering werpt nieuw licht op oude zaken.

Inspiratie: History and play – Giorgo Agamben

Aforismen # 1

Door jezelf af en toe tegen te spreken kun je meer waarheid bieden dan door één lijn te trekken.

Een verhaal is zo goed als zijn eind.

Er is geen regel die ons vertelt wanneer we een regel moeten toepassen. (Peter Winch, 1958)

Schaamte is de schaduw van de liefde. (P.J. Harvey, 2004)

Alle xenofobie is zelfhaat.

Een specialist kan geloven dat hij is ontsnapt aan de middelmatigheid.

De pornografie van het geweld

Sinds enige tijd is er weer een nieuwe roman van de hand van de enige levende grootmeester van onze vaderlandse literatuur: Grunbergs negende, Onze oom. De latere neiging tot het schrijven over excessief geweld en abnormale seksualiteit heeft in dit boek een natuurlijke grond gekregen. In het oeuvre van Grunberg is een cesuur aan te brengen. Er is de vroege geweldloze periode en de huidige bloederige periode. Ook expliciete seks hoort daar blijkbaar bij. Het lijkt erop dat zijn pseudonym de schrijver de mogelijkheid bood om de stap naar het sensationele te maken.

Zijn eerste drie romans en het boekenweekgeschenk heb ik in volgorde van verschijnen gelezen. Seks speelt hierin een belangrijke rol, maar wordt niet pornografisch beschreven. Het gaat meer om de verlangens dan om de daad. Blauwe Maandagen gaat over hoerenbezoek en de relatie tot de moeder. De jongens in het briljante boekenweekgeschenk De Heilige Antonio zijn voortdurend bezig met hun seksualiteit, ontlenen zelfs hun identiteit aan de manier waarop ze geschapen zijn. Nooit wordt het echter plat of vulgair. Van Fantoompijn was ik danig onder de indruk. Was Figuranten al hogelijk absurd, Fantoompijn vormt de overtreffende trap van absurdisme. En toch is het geheel invoelbaar wat zich in de roman afspeelt. Dan verschijnt het eerste boek onder pseudonym ‘Marek van der Jagt’. Waarom deze roman niet onder de eigen naam is gepubliceerd, is inhoudelijk niet duidelijk. De geschiedenis van mijn kaalheid is een typische vroege Grunberg. Niet de gebeurtenissen op zich staan centraal, maar de manier waarop de hoofdpersoon deze beleeft. Er blijkt nergens iets van idealen en het geheel is verstoken van iedere moraal.

De Asielzoeker beoordeel ik nog steeds als Grunbergs beste boek ooit. Het is het meest ingetogen en verstilde boek. Er gebeurt vrijwel niets. Bij het lezen had ik aanvankelijk het gevoel dat Grunberg nu blind op zijn inmiddels sterk ontwikkelde persoonlijke stijl was gevaren. Het leek alsof hij de tekst bijna klakkeloos, zonder teruglezen op papier had gekwakt. Het volgende citaat uit Onze oom, bracht mij echter op andere gedachten. De voor Grunberg typische vrije associaties zouden wel eens heel doordacht kunnen zijn: “Alles wat er spontaan uitziet, dient eerst te worden georganiseerd, maar het moet er wel spontaan uit blijven zien. Zo is het in de literatuur, zo is het in de revolutie.” (p.549).

Gstaad 95-98 is het tweede boek onder pseudonym. Ditmaal is het raak. Ontlasting wordt herhaaldelijk afgelikt. Verkrachting wordt op lustvolle manier beschreven. De fascinatie met de pornografie van geweld en andere subversieve activiteiten is geboren. Het boek vervreemde mij. Het likken van de ontlasting vond ik nog wel verfrissend; het moorden een knieval voor de zucht naar sensatie. Grunberg laat het de Dirigent uit Onze oom aldus verwoorden: “De enige vorm van zingeving die is overgebleven voor de postindustriële middenklasse is te vinden in de pornografie van het geweld. In de angst en in de ontembare fascinatie ervoor vindt deze middenklasse betekenis. De afbeelding en esthetisering van geweld heeft voor deze middenklasse de plaats van het gebed ingenomen. Nu alle goden onttroond zijn en alle autoriteiten ontmaskerd, is er nog maar één werkelijke autoriteit overgebleven, staat er nog maar één god overeind, een democratische god, beschikbaar voor hen die bereid zijn niet terug te deinzen voor de consequenties: het naakte geweld. De bourgeoisie consumeert deze pornografie van het geweld als gekoelde rosé.” (p.554-555). Het lijkt erop dat Grunberg als Marek van der Jagt, die schrijft over een moordlustige sommelier, de mensen inderdaad rosé is begonnen te schenken. Misschien nog geen gemakkelijke zoete rosé en ook nog geen gekoelde, maar toch rosé.

Zoals Gstaad het ontstaan van een lustmoordenaar beschrijft, zo toont de novelle Het aapje dat geluk pakt het verworden van een diplomaat tot zelfmoordterrorist. Het is een lekker boekje, maar wederom vond ik de apotheose onnodig en armoedig. De Joodse Messias is een vreemd tussendoortje. De roman valt niet in de prijzen, wat zeer exceptioneel is voor Grunberg. Het boek kent memorabele scènes, zoals de hilarische perikelen rond de besnijdenis van de protagonist. Een bevredigend geheel wil het niet worden. Een nare smaak blijft hangen door de akelige utilitaire verkrachtingen in het park en verhaalwendingen die over de grenzen van het toelaatbare gaan. Was De Asielzoeker een subtiel meesterwerk, De Joodse Messias is een schreeuwerig boek zonder eenheid.

Tijd voor Tirza. Grunberg is terug. Het boek is een gigantisch commercieel succes en sleept opnieuw prijzen binnen. Ditmaal krijgt Grunberg het voor elkaar een rosé te serveren zonder fouten, mooi dieproze van kleur en heerlijk gekoeld. De hoofdpersoon mag dan een obscuur zoet wijntje drinken dat de schrijver telkens weer liefkozend en voluit “Italiaanse Gewürtztraminer” noemt, de roman is een vaardig gemaakte allemansvriend. En weer is daar die pornografische seks en die apotheose van geweld. En het flirten met terrorisme. Echt sterk is echter de manier waarop de hoofdpersoon tot leven wordt geroepen. Ook het personage van de moeder en de relatie tussen de gezinsleden is geniaal uitgewerkt. Dat Grunberg een vakman is, bewijst hij voor eens en altijd. Grunberg ontmaskert de menselijke geest als een voor mantra’s gevoelige brok zelfbedrog.

Deze vondst vervult een centrale rol in Onze oom. Om enige grip op de chaos te krijgen hypnotiseren de personages zichzelf en elkaar. Creatie en destructie liggen in de wereld van Onze oom heel dicht bij elkaar. De procreatie verloopt niet probleemloos. Onvruchtbaarheid, verscheurde gezinnen, oorlog en liefdeloze seks staan in een sterk verband dat zijn eigen logica kent. Misschien kom de roman pas na 250 bladzijden echt op gang, het is hoe dan ook de aanloop die het de bijzondere diepgang geeft. Ditmaal zijn het juist de verscheurde lichamen die een belofte inlossen en het verhaal een hogere graad van verwerkelijking verlenen. Ditmaal is het oorlog, krijgt het geweld een natuurlijke plek. Seks en geweld fungeren niet als smaakversterkers, maar zijn belangrijke ingrediënten van dit verhaal over het onvermogen tot creatie.

Onze oom – een recensie

Wat ik bijzonder vind aan het boek is de dehnung in het eerste deel. De lezer kijkt in het hoofd van de majoor en volgt al zijn gedachten, veel tijd verstrijkt er niet. Ook het verloop van de de gebeurtenissen rond het meisje Lina is boeiend, maar je vraagt je soms af wie er nu aan het woord is, terwijl er bij de majoor steeds duidelijk sprake was van erlebte rede: een externe vertellende instantie spreekt namens de majoor. Bij Lina is dat ook geprobeerd, maar zij blijft een mysterie, er bestaat lichte twijfel of het vertelde werkelijk in haar hoofd af kan spelen. Haar karakter is daardoor iets minder geloofwaardig.

De eerste helft van het boek gaat voornamelijk over de majoor. Er wordt in de verleden tijd verteld. De episode waarin de majoor aan zijn einde komt, staat in de tegenwoordige tijd wat de lezer dichter tot het personage brengt. Een zielige fascist wekt bij Grunberg zo toch nog sympathie. Het deel dat om Lina draait is geheel in de tegenwoordige tijd geschreven, maar zij komt als personage eigenlijk minder tot leven.  En wanneer er sprongen in de vertelde tijd gemaakt worden, neemt de afstand tot het personage toe. Het is ironisch te noemen dat Lina zichzelf dan in het verhaal letterlijk als een dode gaat beschouwen omdat ze haar overlijdensbericht in een krant vindt.

Het laatste deel werpt een blik ver vooruit en toont Lina aan het eind van haar leven. Zij blijkt van scherpschutter een succesvol wapenhandelaar geworden. Het zal voor de schrijver een belangrijke onderzoeksvraag zijn geweest: “hoe wordt een vrouw wapenhandelaar?”, zoals hij eerder onderzocht hoe lustmoordenaars en zelfmoordterroristen kunnen ontstaan… Had Grunberg dan niet met de chronologie kunnen goochelen? Ik wil bij een lineair verteld verhaal helemaal niet weten hoe het met een personage ‘verder gaat’. Zoals sommige vriendschappen verwateren of een geliefde uit je leven verdwijnt na een periode van intensief contact, zo mag ook een roman worden afgebroken, midden in het leven van een personage. Dan scheiden de wegen van lezer en karakter, het maakt de fictie alleen maar meer onderdeel van de werkelijkheid.

Requiem voor een nazi

Jörg Haider stierf een passende dood.

Jörg had haast. Hij moest naar de verjaardag van zijn moeder. Die werd negentig. Jörg kon het echt niet maken om weg te blijven. Dit was niet zoiets als de vijftigste herdenking van de slachtoffers van het concentratiekamp Mauthausen. Voor zulke onzin kwam hij niet opdraven, maar de negentigste verjaardag van zijn moeder, dat was wat anders. Als zijn moeder er niet was geweest, dan was hij er ook nooit geweest om te zeggen waar het op stond.

Wel had hij nog even wat gedronken: geen kinderachtige borrel, maar echt mannelijk gedronken. Misschien was het wat mistig, maar hij had deze weg al zo vaak gereden. Als hij die laatste dubbele niet had genomen, dan was hij zeker op tijd geweest. Nu zou het erom spannen… Even inhalen, die slome zak en… Godverdomme!

De Volkswagen Phaeton van meneer Haider maakt een slinger, ramt een paal van een verkeersbord, komt met een wiel in de berm, spint, raakt een betonpijler en een brandkraan, slaat meerdere malen over de kop en belandt dwars op de rijbaan. Ook dat is typisch Jörg, om dwars op de rijbaan te gaan staan, maar vooral dat spektakel! Wat een lust voor het oog! Wat een sensatie! Het volk zou ervan smullen.

Jörg was natuurlijk een fascist op leeftijd, hij was al teruggetreden als politiek leider, maar hij hield de touwtjes nog stevig in handen en als je naar zijn moeder keek, dan had je kunnen verwachten dat hij nog wel even mee kon. Toch was de uiterste houdbaarheidsdatum van Jörg allang verstreken. Jörg was rot. Als mens was hij altijd al defect. Nu pas laat zijn lichaam de echte Jörg zien. Zoals zijn denken een verwoestende uitwerking heeft gehad, zo is nu ook zijn hoofd verwoest. Zijn hart was hard als staal. nu heeft het staal zijn borst opengereten en het van zijn hart gewonnen. Zijn linkerarm was hem nooit tot nut, wat moest Jörg ook met links? Hij was rechts: extreem rechts zelf. Nu ligt daar zijn linkerarm, er nagenoeg afgerukt…

Deze oneervolle dood past bij de oneervolle manier waarop Jörg zijn leven heeft geleid. De man was een rechtse extremist en een fascist. Jörg was een populist en zette de mensen tegen elkaar op. Hij erfde rijkdommen die zijn familie zich tijdens de Entjüdung in 1939 had toegeëigend. Volgens het jaarboek 1995 van Jörgs partij, de FPÖ, waren de nazi’s niet de oorlog begonnen. Er stond dat de joden in 1933 de Duitsers de oorlog hadden verklaard en dat Hitler uit zelfverdediging moest handelen. De Oostenrijkse justitie beoordeelde dit als nazi-propaganda.

Echte mannen sterven in het harnas, zoals de Spartanen of de door Jörg aanbeden nazi’s van de Waffen-SS. Zij gingen strijdend voor hun idealen ten onder. Jörg drinkt een borrel of tien (1,8 mmol/l), stapt in zijn proletenbak en verliest vervolgens de macht over het stuur, terwijl hij met dubbel de toegestane snelheid (142 km/u) door de mist naar de verjaardag van zijn moeder scheurt. Het is de dood die past bij de rechtse zakkenvuller met een dubbele moraal die Jörg Haider was. Rust in vrede, Jörg.