Een pleidooi voor popularisering van kunstkritiek
“Oh, wij worden bekeken!”, concludeert een bezoeker op het terrein van museum De Pont tijdens een tentoonstelling van het werk van Job Koelewijn. De mensen die de oude textielfabriek naderen, zien een grote container met een rechthoekig zwart gat. Ze lopen erheen en kijken nieuwsgierig naar binnen. Er klinkt filmmuziek… en als hun ogen gewend raken aan het donker, zien zij mensen op bioscoopstoelen zitten. De rollen blijken omgedraaid: er valt niks te zien, men wórdt gezien. De mobiele bioscoop van Koelewijn (‘Cinema on wheels’) gaat terug tot de herkomst van het woord: een samenstelling van de Griekse woorden bios [leven] en skopein [kijken]. Wanneer je de beklede container betreedt, moet je eerst langs een lichtsluis, dan kun je plaats nemen in een bioscoopstoel in een ruimte van het formaat van een zaaltje in een klein filmhuis. In plaats van naar een projectie, kijk je door een gat naar het echte leven. Koelewijn toont hiermee letterlijk de functie van kunst: het bieden van een ander perspectief op de werkelijkheid.
De tentoonstelling in De Pont van het werk van Koelewijn kende vele hoogtepunten, waaronder lange muren van kaften van al dan niet geïllustreerde boeken, afgedekt door plexiglas waarlangs water naar beneden loopt; een klokkenwinkeltje dat heen en weer slingert; stapels ingesproken bandjes waarop de kunstenaar zijn favoriete boeken voorleest en enkele fotografische zelfportretten. Het zijn werken met een meer of minder universele aantrekkingskracht. Een criticus in de catalogus rekent juist één van deze foto’s, waarop de kunstenaar een torenhoge stapel glazen en dienbladen balanceert in een decor van newyorkse wolkenkrabbers, tot zijn beste werk. Maar wie begrijpt deze anekdote over de moeilijkheden van het kunstenaarschap, deze ver gezochte metafoor voor een weinig universeel probleem?
Bij sommige kunstvormen kan er een gapende kloof geconstateerd worden tussen de professionele mening van critici en de voorkeur van een publiek. Iedereen houdt van vernieuwend of verrassend werk, maar de vernieuwing waar veel kunstkenners op kicken is erg afhankelijk van de context. Zij steunt op hergebruik en opnieuw interpreteren van vormen en stijlen uit het verleden of op de dialoog met andere kunstenaars. Deze kunst gaat over kunst. Dit is begrijpelijk omdat de kunstkenner tot aan zijn nek in de kunstwereld zit, waardoor de kunst zelf zijn referentiekader is geworden. Hij heeft een voorkeur voor kunstenaars die ook ondergedompeld zijn in de wereld van het schone en verhevene. En dus zien we een toneelstuk in een toneelstuk, een film in een film, een schilderij in een schilderij. Hebben kunstenaars zich opgesloten in kunsttempels met prachtig glas in lood, zonder zicht op de buitenwereld? Blijft het theater mede daarom klassieke stukken opvoeren en herinterpreteren? Verwijzen kunstenaars daarom vaak overduidelijk naar hun voorbeelden? …In ‘Kill Bill’ speelt Quentin Tarantino hier op geraffineerde wijze mee: zijn hommage aan de pulp is een zuivere exercitie van de vorm. Een kunstcriticus kan ervoor kiezen het publiek in te wijden in dit soort bespiegelingen die de kunstervaring van een extra dimensie voorzien. De rijkheid van populaire kunst uitleggen is natuurlijk geweldig: het ontsluiten van minder toegankelijke kunst, door erover te schrijven vind ik nog mooier. Het is juist de kunst die vernieuwt en die tegelijk rijk is aan dimensies, waardoor een divers publiek wordt aangesproken. Autonome kunst die in een vrije relatie staat tot de kunsthistorische context devalueert de expertise van de criticus niet. Zijn professioneel oordeel schakelt tussen objectief en supersubjectief. Zo’n criticus zoekt naar een combinatie van het transcendentale met het aardse en van het verhevene met het universele, zoals in de sculpturen van een subliem kunstenaar als Anish Kapoor is te vinden (vertegenwoordigd in de vaste collectie van De Pont en Kröller-Müller).
Professionals uit de kunstwereld hebben een belangrijke educatieve en politieke taak. Zij bepalen welke kunst de kans krijgt het atelier te verlaten. Zij bepalen het kunstzinnig discours dat mede invulling geeft aan onze kijk op de wereld.Het gevaar, wanneer zij zuiver hun eigen ontwikkelde smaak volgen, is dat kunstenaars na een korte opleving afgedankt worden. Nadruk in het kunstbeleid op vernieuwing vanuit het elitaire l’art pour l’art-perspectief zorgt voor een verkorte receptieve cyclus. Het zal de kunstenaar spijten dat hij, na een korte opleving van aandacht, met zijn werk een wegwerpartikel van een elite blijkt. Het is ook jammer voor het grote publiek, omdat een potentieel aan bijzondere ervaringen aan de collectieve neus voorbij gaat en de massa hierdoor blijft hangen in het warme bubbelbad van de kitsch. Bij andere belangrijke kunstvormen is er van een onoverbrugbare kloof tussen de kenners en het grote publiek geen sprake. Filmcritici en liefhebbers van cinema zijn het vaak met elkaar eens. Ook bij (pop)muziek is er een gezonde wisselwerking tussen fanatiekelingen en genieters. Als zij het met elkaar eens worden over de kwaliteit van een nieuw geluid, volgt vaak – in een later stadium – ook het grote publiek.
Een voorkeur voor nieuwe dingen heerst niet alleen in de beeldende kunst, het is een typische karakteristiek van de mens als consument. Hoewel de ervaring van kunst veel dieper gaat dan het vergaren van bezit, is er een belangrijke overeenkomst: de mogelijkheid om je ermee te onderscheiden. Net als bij mode is verandering en vernieuwing essentieel. De sociale interactie tussen groepen, die ten grondslag ligt aan de receptieve cyclus van een kunstwerk, is vergelijkbaar met de wederzijdse beïnvloeding die de levenscyclus van een consumptiegoed bepaalt. Het product kent een aantal opeenvolgende levensfasen, die corresponderen met verschillende typen consumenten. Allereerst zijn er de innovators. Dit klinkt als iets heel productiefs, maar het komt erop neer dat je de eerste bent die iets koopt. Je bent als innovator een soort vrijwillig proefkonijn dat de voor- en nadelen van het nieuwe product test. Je wordt daartoe gedreven door nieuwsgierigheid. Dan heb je de early adopter. Hij wordt gedreven door verlangen. De early adopter wil steeds de eerste zijn die het product van de toekomst omarmt en heeft daar flink wat geld voor over. Na deze twee selectiefasen is duidelijk geworden of een bepaald product veelbelovend is. Nu volgen meer productiebedrijven en meer consumenten. Zij vormen de early mass. Dankzij deze fase is ieder risico geweken: er kan nu veilig worden geproduceerd. Goedkope namaak komt op de markt en ook de armste mensen kunnen zich het (voor hen) nieuwe product nu veroorloven: het is daarmee tijd voor de late mass om tot consumptie over te gaan. En dan is er nog het zielige staartje der laggers voordat het product een stille dood sterft.
In de wereld van de popmuziek kunnen we dezelfde cyclus constateren: een groep van nieuwsgierige muziekliefhebbers luistert alles wat nieuw is. Wat zij echt mooi vinden, bezoeken zij ook live. De muzikanten verwerven door optredens een grotere naamsbekendheid. Een tweede groep mensen volgt vanuit een verlangen naar spanning. Steeds meer aandacht zorgt voor een groeiende beroemdheid. De massa hoort nu de liedjes ook op de radio en de cd’s zijn steeds gemakkelijker en in grotere oplagen te verkrijgen. De band breekt nu door, de early mass stroomt toe als publiek. Nog even en iedereen kent de muziek. De tijd die intussen al verstreek is voor de muzikanten een periode van optreden, maar ook van opnemen. Vaak is er allang een tweede of zelfs derde album uit, voordat de massa hun muziek heeft opgemerkt. Als de band trouw blijft aan de succesformule, moet die in eerste instantie wel heel vernieuwend zijn geweest om daarmee lang in leven te blijven. Was de stijl slechts gematigd vernieuwend, of moest de band het voornamelijk van de energie hebben, dan is de kans groot dat de vroegste fans al zijn gaan lopen. Zo’n band stevent, blind door het succes bij de massa, af op een publiek van laggers en op een gewisse dood. Slechts nostalgie blijft over.
De hedendaagse beeldend kunstenaar zal, net als de muzikant, zijn werk constant moeten doorontwikkelen. Slechts een veelzijdig oeuvre vermag het de aandacht blijvend te wekken. Een verschil met de muziek is echter dat in de huidige situatie het toestromen van nieuw publiek niet onbelemmerd doorgang kan vinden. De kunst is vaak sterk contextafhankelijk, wordt exclusief ontsloten en spreekt slechts tot de ontwikkelde smaak. Dat er bij beeldende kunst van popularisering nauwelijks sprake is, duidt op een onoverbrugbare kloof tussen professionals en geïnteresseerden. Hier zijn verschillende mogelijke oorzaken voor aan te wijzen. Het probleem van l’art pour l’art heb ik hierboven al aangestipt, later ga ik hier verder op in en bespreek ik een alternatief. Nu wil ik eerst de vermeende desinteresse van het publiek in goede beeldende kunst behandelen. De massa consumeert muziek van harte, maar komt niet in de buurt van een museum. Een te smalle opvatting van beeldende kunst als museale kunst gaat hierin schuil. Bezoekersaantallen van musea kun je meten met kwantitatief onderzoek, maar voor het vaststellen van het effect van kunst in de openbare ruimte is kwalitatief onderzoek nodig. Hoe meet je bovendien de onbewuste effecten van kunstwerken op het dorpsplein of langs de snelweg? …Een bijzonder onderzoek dat in Antwerpen recent is uitgevoerd, brengt de kloof tussen kenners en het volk op pregnante wijze in beeld. Een kritische beschouwing van de methode is echter geboden. Cultuurkanaal Klara van de Vlaamse TV vroeg ’s lands (financieel) meest succesvolle kunstenaar Luc Tuymans midden in de stad op de muur één van zijn schilderijen te maken. Een flink aantal meters bedekte hij met zijn grauwe afbeelding van een stel copulerende aapjes in menselijk aandoende houding. Enkele duizenden bezoekers passeerden en nog geen 4% stopte om er even naar te kijken. Het onderzoek toont hiermee aan dat het overgrote deel van de burgers dagelijks voortjakkert zonder stil te staan bij het huidige moment. De overdaad aan visuele impulsen in het straatbeeld vormt overigens een goede en meer algemeen geldende verklaring voor de dufheid van de de passanten. Men ziet vandaag de dag zoveel reclame, er is zoveel ruis, dat een kunstwerk niet meer opvalt. Het onderzoek getuigt van een smalle en elitaire opvatting van de aard van beeldende kunst. Men presenteerde een schilderij van een ‘erkend kunstenaar’, maar dit zegt de meeste mensen niets. Erg duidelijk was de afbeelding niet en zeer gering waren de kleurcontrasten. Hoe zou het dan de aandacht moeten trekken te midden van veel geraffineerder vormgegeven en gepositioneerde reclameboodschappen? In plaats van het traditionele schilderij had men ook kunnen kiezen voor videokunst, animatie, of vormgeving van de leefomgeving zelf; het plaatsen van een beeld met meerdere dimensies of een architectonische ingreep. De belangrijkste conclusie echter, die men kan trekken uit het feit dat de normale Antwerpenaar aan kunst voorbij loopt, is dat in het beleid voor onderwijs en cultuur meer in het algemeen aandacht aan onthaasten, levenskunst en ‘de kracht van het nu’ besteed mag worden. Op de huidige wijze streven we toch onze doelen voorbij?
Het op straat aanbieden van hoog aangeschreven kunst blijkt geen oplossing voor de exclusiviteit van de beeldende kunst. Dit zegt evenveel over de reikwijdte van de indruk die deze kunst maakt, als over de interesse van het publiek. Zaak is om beide partijen te stimuleren elkaar de hand te reiken. Het type kunstwerken dat professionals selecteren voor aankoop of subsidie zou toegankelijker kunnen zijn. Kunst die rijk is aan dimensies, kunst met een universeel karakter, kan zowel de ontwikkelde smaak als de beginneling behagen. Doordat meerdere interpretaties op verschillende niveaus mogelijk zijn, kan een breed publiek uitgedaagd worden om buiten zichzelf te treden. Kunstkenners moeten daarvoor bereid zijn de kunst niet als distinctiemiddel te gebruiken. Ze moeten hiertoe hun preoccupatie met het gesprek tussen vakbroeders overboord zetten en hun educatieve taak ter harte nemen. In plaats van het verwerven van professionele status door het strikken van een kunstenaar die voor ingewijden hot is, richten zij zich beter op het behartigen van de belangen van zowel de kunstenaar als van het publiek.
Een kunstwerk als de mobiele bioscoop van Koelewijn is interessant voor kunstkenners, maar zal ook de massa aanspreken. Als gepopulariseerde variant op het gat dat de kunstenaar in de muur liet maken van de galerie van Fons Welters (‘The world is my oyster’) om in plaats van een representatie de werkelijkheid zelf te tonen, leent het zich voor ontsluiting aan een massaal publiek. De context die opnieuw geëvalueerd wordt is nu niet langer de galerie, relevant voor een klein deel van de bevolking, maar de bioscoop, relevant voor iedereen. Waarom worden er niet overal in Nederland exemplaren van neergezet? Voor mijn part gebruiken hangjongeren zo’n container om jointjes in te roken als het regent. Het zal hun horizon verbreden en ze een nieuw perspectief bieden. Naast keuze voor een meer universeel type kunst, is voor de toegankelijkheid ook de manier waarop de kunst wordt aangeboden van belang. Een obstakel ten aanzien van de popularisering van beeldende kunst is evenwel de authenticiteit van het werk. Een opera kan worden opgenomen en in het park op grote schermen getoond. Het kopiëren van schilderijen van Rembrandt of Van Gogh heeft weinig zin, hoewel het mensen ertoe kan brengen het werk eens in het echt te willen aanschouwen. Ik heb het dan ook niet over kunst uit het verleden, maar over actuele kunst. Het is aan de kunstenaars van nu om bestaansrecht te verwerven door hun perspectief dusdanig te conceptualiseren dat ontsluiting voor een breed publiek aantrekkelijk en zinvol wordt. Afbeeldingen op mokken zijn niet het hoogst haalbare resultaat. Het gat dat Koelewijn in de galerie sloeg had veelzeggend genoeg de grootte van een voetbaldoel… Symbolisch opgevat moet de actie bovendien twee kanten op kunnen werken. Door ramen te slaan in kunsttempels krijgen professionals weer zicht op de realiteit, tegelijkertijd kan de buitenwereld een blik naar binnen werpen.