Tagarchief: Onze oom

De pornografie van het geweld

Sinds enige tijd is er weer een nieuwe roman van de hand van de enige levende grootmeester van onze vaderlandse literatuur: Grunbergs negende, Onze oom. De latere neiging tot het schrijven over excessief geweld en abnormale seksualiteit heeft in dit boek een natuurlijke grond gekregen. In het oeuvre van Grunberg is een cesuur aan te brengen. Er is de vroege geweldloze periode en de huidige bloederige periode. Ook expliciete seks hoort daar blijkbaar bij. Het lijkt erop dat zijn pseudonym de schrijver de mogelijkheid bood om de stap naar het sensationele te maken.

Zijn eerste drie romans en het boekenweekgeschenk heb ik in volgorde van verschijnen gelezen. Seks speelt hierin een belangrijke rol, maar wordt niet pornografisch beschreven. Het gaat meer om de verlangens dan om de daad. Blauwe Maandagen gaat over hoerenbezoek en de relatie tot de moeder. De jongens in het briljante boekenweekgeschenk De Heilige Antonio zijn voortdurend bezig met hun seksualiteit, ontlenen zelfs hun identiteit aan de manier waarop ze geschapen zijn. Nooit wordt het echter plat of vulgair. Van Fantoompijn was ik danig onder de indruk. Was Figuranten al hogelijk absurd, Fantoompijn vormt de overtreffende trap van absurdisme. En toch is het geheel invoelbaar wat zich in de roman afspeelt. Dan verschijnt het eerste boek onder pseudonym ‘Marek van der Jagt’. Waarom deze roman niet onder de eigen naam is gepubliceerd, is inhoudelijk niet duidelijk. De geschiedenis van mijn kaalheid is een typische vroege Grunberg. Niet de gebeurtenissen op zich staan centraal, maar de manier waarop de hoofdpersoon deze beleeft. Er blijkt nergens iets van idealen en het geheel is verstoken van iedere moraal.

De Asielzoeker beoordeel ik nog steeds als Grunbergs beste boek ooit. Het is het meest ingetogen en verstilde boek. Er gebeurt vrijwel niets. Bij het lezen had ik aanvankelijk het gevoel dat Grunberg nu blind op zijn inmiddels sterk ontwikkelde persoonlijke stijl was gevaren. Het leek alsof hij de tekst bijna klakkeloos, zonder teruglezen op papier had gekwakt. Het volgende citaat uit Onze oom, bracht mij echter op andere gedachten. De voor Grunberg typische vrije associaties zouden wel eens heel doordacht kunnen zijn: “Alles wat er spontaan uitziet, dient eerst te worden georganiseerd, maar het moet er wel spontaan uit blijven zien. Zo is het in de literatuur, zo is het in de revolutie.” (p.549).

Gstaad 95-98 is het tweede boek onder pseudonym. Ditmaal is het raak. Ontlasting wordt herhaaldelijk afgelikt. Verkrachting wordt op lustvolle manier beschreven. De fascinatie met de pornografie van geweld en andere subversieve activiteiten is geboren. Het boek vervreemde mij. Het likken van de ontlasting vond ik nog wel verfrissend; het moorden een knieval voor de zucht naar sensatie. Grunberg laat het de Dirigent uit Onze oom aldus verwoorden: “De enige vorm van zingeving die is overgebleven voor de postindustriële middenklasse is te vinden in de pornografie van het geweld. In de angst en in de ontembare fascinatie ervoor vindt deze middenklasse betekenis. De afbeelding en esthetisering van geweld heeft voor deze middenklasse de plaats van het gebed ingenomen. Nu alle goden onttroond zijn en alle autoriteiten ontmaskerd, is er nog maar één werkelijke autoriteit overgebleven, staat er nog maar één god overeind, een democratische god, beschikbaar voor hen die bereid zijn niet terug te deinzen voor de consequenties: het naakte geweld. De bourgeoisie consumeert deze pornografie van het geweld als gekoelde rosé.” (p.554-555). Het lijkt erop dat Grunberg als Marek van der Jagt, die schrijft over een moordlustige sommelier, de mensen inderdaad rosé is begonnen te schenken. Misschien nog geen gemakkelijke zoete rosé en ook nog geen gekoelde, maar toch rosé.

Zoals Gstaad het ontstaan van een lustmoordenaar beschrijft, zo toont de novelle Het aapje dat geluk pakt het verworden van een diplomaat tot zelfmoordterrorist. Het is een lekker boekje, maar wederom vond ik de apotheose onnodig en armoedig. De Joodse Messias is een vreemd tussendoortje. De roman valt niet in de prijzen, wat zeer exceptioneel is voor Grunberg. Het boek kent memorabele scènes, zoals de hilarische perikelen rond de besnijdenis van de protagonist. Een bevredigend geheel wil het niet worden. Een nare smaak blijft hangen door de akelige utilitaire verkrachtingen in het park en verhaalwendingen die over de grenzen van het toelaatbare gaan. Was De Asielzoeker een subtiel meesterwerk, De Joodse Messias is een schreeuwerig boek zonder eenheid.

Tijd voor Tirza. Grunberg is terug. Het boek is een gigantisch commercieel succes en sleept opnieuw prijzen binnen. Ditmaal krijgt Grunberg het voor elkaar een rosé te serveren zonder fouten, mooi dieproze van kleur en heerlijk gekoeld. De hoofdpersoon mag dan een obscuur zoet wijntje drinken dat de schrijver telkens weer liefkozend en voluit “Italiaanse Gewürtztraminer” noemt, de roman is een vaardig gemaakte allemansvriend. En weer is daar die pornografische seks en die apotheose van geweld. En het flirten met terrorisme. Echt sterk is echter de manier waarop de hoofdpersoon tot leven wordt geroepen. Ook het personage van de moeder en de relatie tussen de gezinsleden is geniaal uitgewerkt. Dat Grunberg een vakman is, bewijst hij voor eens en altijd. Grunberg ontmaskert de menselijke geest als een voor mantra’s gevoelige brok zelfbedrog.

Deze vondst vervult een centrale rol in Onze oom. Om enige grip op de chaos te krijgen hypnotiseren de personages zichzelf en elkaar. Creatie en destructie liggen in de wereld van Onze oom heel dicht bij elkaar. De procreatie verloopt niet probleemloos. Onvruchtbaarheid, verscheurde gezinnen, oorlog en liefdeloze seks staan in een sterk verband dat zijn eigen logica kent. Misschien kom de roman pas na 250 bladzijden echt op gang, het is hoe dan ook de aanloop die het de bijzondere diepgang geeft. Ditmaal zijn het juist de verscheurde lichamen die een belofte inlossen en het verhaal een hogere graad van verwerkelijking verlenen. Ditmaal is het oorlog, krijgt het geweld een natuurlijke plek. Seks en geweld fungeren niet als smaakversterkers, maar zijn belangrijke ingrediënten van dit verhaal over het onvermogen tot creatie.

Onze oom – een recensie

Wat ik bijzonder vind aan het boek is de dehnung in het eerste deel. De lezer kijkt in het hoofd van de majoor en volgt al zijn gedachten, veel tijd verstrijkt er niet. Ook het verloop van de de gebeurtenissen rond het meisje Lina is boeiend, maar je vraagt je soms af wie er nu aan het woord is, terwijl er bij de majoor steeds duidelijk sprake was van erlebte rede: een externe vertellende instantie spreekt namens de majoor. Bij Lina is dat ook geprobeerd, maar zij blijft een mysterie, er bestaat lichte twijfel of het vertelde werkelijk in haar hoofd af kan spelen. Haar karakter is daardoor iets minder geloofwaardig.

De eerste helft van het boek gaat voornamelijk over de majoor. Er wordt in de verleden tijd verteld. De episode waarin de majoor aan zijn einde komt, staat in de tegenwoordige tijd wat de lezer dichter tot het personage brengt. Een zielige fascist wekt bij Grunberg zo toch nog sympathie. Het deel dat om Lina draait is geheel in de tegenwoordige tijd geschreven, maar zij komt als personage eigenlijk minder tot leven.  En wanneer er sprongen in de vertelde tijd gemaakt worden, neemt de afstand tot het personage toe. Het is ironisch te noemen dat Lina zichzelf dan in het verhaal letterlijk als een dode gaat beschouwen omdat ze haar overlijdensbericht in een krant vindt.

Het laatste deel werpt een blik ver vooruit en toont Lina aan het eind van haar leven. Zij blijkt van scherpschutter een succesvol wapenhandelaar geworden. Het zal voor de schrijver een belangrijke onderzoeksvraag zijn geweest: “hoe wordt een vrouw wapenhandelaar?”, zoals hij eerder onderzocht hoe lustmoordenaars en zelfmoordterroristen kunnen ontstaan… Had Grunberg dan niet met de chronologie kunnen goochelen? Ik wil bij een lineair verteld verhaal helemaal niet weten hoe het met een personage ‘verder gaat’. Zoals sommige vriendschappen verwateren of een geliefde uit je leven verdwijnt na een periode van intensief contact, zo mag ook een roman worden afgebroken, midden in het leven van een personage. Dan scheiden de wegen van lezer en karakter, het maakt de fictie alleen maar meer onderdeel van de werkelijkheid.